Koen Peeters is geboren in 1959. Studeerde antropologie en communicatiewetenschappen. Hij kreeg de Nieuwe-Yangprijs voor zijn debuut Conversaties met K. (1988). Daarna verschenen van hem Bezoek onze kelders, De postbode (NCR-prijs), Het is niet ernstig, mon amour (Literaire Prijs van de Provincie Vlaams Brabant) en Acacialaan (longlist AKO Literatuurprijs). Redacteur van Dietsche Warande & Belfort. Zijn meest recenste roman is Mijnheer Sjamaan (2004). Eind 2005 verscheen zijn poëziebundel Fijne motoriek.
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Als hij ongeveer in ongeveer niets gelooft
hoe verklaar je dan de rust, de troost
die hij vindt, verzint voor anderen
bijvoorbeeld voor zijn moeder.
Het zou hem moeten schokken breken amen.
Wat hangt hij uit in kerken,
boven verliest de haan zijn kop op een piek
om achter plinten sermoenen te horen
waarin de naam van bijvoorbeeld zijn moeder.
Lief goed dienstbaar zijn alle moeders
hoort hij zingen Maria Maria
neuriet hij mee die gedachten.
Het zou hem moeten vermoorden verkolen verschroeien amen.
Maar zijn moeder bijvoorbeeld
hield van anjers en lelies.
Welgesteld brult het orgel: welkom
in het kot van god.
Onder zijn kerkstoel leest hij in Palatijnse schreven:
Hier rust… en daaronder rust het onleesbare dorp
krabt de dodenakker, kietelt zijn doden
harkt zoals bijvoorbeeld zijn moeder amen.
2. Waarom poëzie?
- Ik weet het niet, ik ben geen kenner. Tot dusver schreef ik één poëziebundel en ongeveer zeven romans. Ben je dichter na het schrijven van een bundel, of zelfs van één goed
gedicht? Nee, we moeten zuinig zijn op het gebruik van dure woorden.
- Proza schrijven, dat is de kraan opendraaien boven een emmer. Poëzie: een emmer in een donkere waterput gooien en hopen dat je wat bovenhaalt. Wat je uiteindelijk kan doen: met de juiste inclinatie leren gooien, je oefenen in geduld.
- Bij proza ga ik twaalf keer opnieuw over mijn eerste tekstworp. Bij mijn gedichten: meer dan dubbel zo veel, ik heb het geteld. In proza smijt je je personages op de scène, en die gaan dan vanzelf hun weg. In poëzie, - en nu komt er iets zeer ouderwets - zet ik mezelf op de scène, in nogal ontklede toestand. Misschien staat de gekwelde frons de dichter beter dan de prozaschrijver?
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Liefst van al zou ik 's nachts in slapende toestand gedichten opzeggen, zonder 1 seconde na te denken. Dat de woorden / zinnen vanzelf, geheel 'toevallig' op mijn tong zouden liggen. Maar sinds het woord 'serendipiteit' weten we dat toeval ook met talent te maken heeft. En talent heeft te maken met scholing, lectuur van bijvoorbeeld Claus, Pessoa, Nolens, Milosz. Ziedaar ik: klein getalenteerd varken in de poëzie.
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Sluit uw PC af. Neem vervolgens uit uw boekenkast de tweedelige Verzamelde gedichten van Hugo Claus en begin achteraan te lezen. Dat gaat vlotjes, maar het wordt steeds straffer naarmate u De Oostakkerse gedichten nadert. Meer zelfs, u geraakt niet binnen / aan/ tot die Oostakkerse goddelijkheid.
© Interview: Arnoud van Adrichem
© Foto ter beschikking gesteld door Koen Peeters
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties