Ingmar Heytze (1970) studeerde Algemene Letteren (afstudeerrichting Communicatiekunde) in zijn geboortestad Utrecht. In 2001 verschenen zijn verzamelde gedichten (1991-2001) in de bundel Alle goeds. De daaropvolgende bundel Het ging over rozen werd in 2002 gelanceerd met een historische publiciteitsstunt: de bundel werd in een oplage van 130.000 exemplaren integraal voorgepubliceerd als apart katern bij het Utrechts Nieuwsblad. Als gevolg van een tot voor kort onbehandelbare reisangst trad Ingmar Heytze jarenlang alleen in Utrecht op. In 2005 haalde hij zijn motorrijbewijs en sindsdien is hij bezig om terrein op zijn fobie terug te winnen. Zijn ervaringen waren stof voor het Scooterdagboek, dat in het najaar van 2005 verscheen. In datzelfde jaar verscheen een nieuwe bundel met gedichten en miniaturen, Schaduwboekhouding, en een vermeerderde tweede druk van de Utrechtse Gedichten. Voor het najaar van 2006 staat een CD met een gesproken bloemlezing uit eigen werk op stapel. Werktitel: Het beste.
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Met dit gedicht, omdat ik het gisteren min of meer heb afgemaakt. Jullie zijn de eersten die het lezen.
Studentenhuis
Ik draag mijn jaren als lekke waterballonnen,
stommelend naar een toilet dat ik bij daglicht
nog niet zou vinden. Ik ben hier nooit geweest.
Negen jaar lente was het in dit leven, vijf in
het jouwe. Zo bekeken valt het toch wel mee.
Morgen, bij een ontbijt uit alle hoeken en gaten
van een koelkast waar ik amper in durf te kijken
(in deze huizen zijn het wezens, zeker weten)
zeg je: ‘Hallo, 1970’ en brom ik: ‘Môge, 85,’
maar op dit moment (meer zijn er niet) strompel ik
dit vreemde pakhuis door, beschonken, in mijn
blote reet, vurig hopend dat wie hier slaapt
over een sterke blaas beschikt, dat ik morgen weet
waar ik mee bezig ben, dat ik niet iemands kamer
betreed op zoek naar jouw privaat. En jij, in lila
meisjeslakens, geurt nog na, jij draagt je jaren
als je jonge borsten, veilig in je armen, nu je slaapt.
Je kunt me zo een kwart eeuw overleven.
Op de WC is een poster van Bambi 2 en geen raam.
2. Waarom poëzie?
Wat dat betreft sluit ik me aan bij de mening van collega Arjan Wite: ‘Omdat ik liever niets beters te doen heb.’ Na het verschijnen van mijn zevende bundel Schaduwboekhouding (februari 2005) heb ik ruim een jaar lang eigenlijk niet geschreven; ik werkte wel veel in opdracht, maar er kwam niets in me op dat ik uit mezelf wilde maken. Ik miste het ook niet. Ik dacht dat de poëzie met me klaar was. Sinds een paar weken ben ik echter als een bezetene bezig met nieuwe gedichten, en als dat zo doorgaat komt er volgend jaar wel weer een bundel van. Daardoor kan ik uit ervaring zeggen dat er aan het niet schrijven van poëzie niets verloren is, maar aan het wel schrijven ervan veel gewonnen – voor de dichter dan, en wellicht ook voor zijn directe omgeving, die zich minder zorgen hoeft te maken als hij te laat, verward of in het geheel niet opduikt bij afspraken: ‘Ja, hij dicht weer tegenwoordig, dan krijg je dat.’
Aangaande het lezen van poëzie (die eigenschap wordt door veel dichters helaas over het hoofd gezien: je hoeft het niet alleen maar te schrijven, je kunt ook werk van anderen lezen), dat doe ik altijd, overal en zo veel ik kan. Ook daarvoor geldt dat een mens uitstekend zonder kan. Maar ik zou niet zonder willen. Terwijl ik nauwelijks uit kan leggen waarom dat dan zo belangrijk voor me is. ik vind niet dat dat in poëzie aantoonbaar moet zijn wat iemand allemaal gelezen heeft - god nee - maar een debuut dat zich niet op de een of andere manier rekenschap geeft van de traditie, vind ik een letterlijk 'bewusteloos' debuut, en ik heb de indruk dat er daar steeds meer van verschijnen. Maar het kan natuurlijk best zijn dat ik nu reageer als een oude stervende hommel, iemand die, met mijn eigen woorden, beseft: 'Het licht is door ons heengegaan / en raakt nu iemand anders aan.'
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
In de omnibus Alle goeds (2001) staat niet voor niets het motto: 'Elke gelijkenis met poëzie van anderen in flarden, echo’s of citaten is louter opzet.' In mijn werk is zonder veel moeite de directe invloed van dichters als Martinus Nijhoff, Hans Andreus, J.C. Bloem, Jan Arends, Vasalis, J. Slauerhoff en Herman de Coninck aan te wijzen (onder zij die nog leven: Rutger Kopland, Frank Koenegracht, K. Michel, K. Schippers, Erik Menkveld, Menno Wigman, Ilja Leonard Pfeijffer, Tjitske Jansen, Hanz Mirck, Hagar Peeters e.v.v.a.), en niet louter op het niveau van citeren, maar ook in veel andere opzichten. Daarvoor moet men wel een basale belezenheid bezitten die veel dichters tot mijn verwondering ontberen. Dat vind ik vreemd. Er zijn overigens veel dichters die me wel inspireren, ook al vind je dat niet direct in mijn werk terug. Ik denk dan onder meer aan Wouter Godijn, Frans Kuipers, Jotie T’ Hooft, Paul Snoek, Guillaume van der Graft, Eva Gerlach, Wislawa Szymborska, Mark Strand, Mark Haddon, Alfred Schaffer en zo kunnen we nog wel even doorgaan met de namedropping.
Nog vreemder vind ik echter dat veel recensenten er net zo keihard overheen lezen. Uit recensies over mijn werk leid ik af dat het recensenten, of ze nu positief of negatief over mijn werk schrijven, zelden opvalt dat ik m.i. bovengemiddeld 'aan intertekstualiteit doe' (in vier van de vijf recensies wordt daar niet eens aan gerefereerd), wat betekent dat recensenten daar overheen lezen, dat ze het geen belangrijk aspect vinden voor de beoordeling van mijn werk (dat zou natuurlijk ook best kunnen, en in dat geval ben in alleen maar teleurgesteld dat ze niet raden wat voor leesplankje ik heb gebruikt, wat natuurlijk een beetje kinderachtig van me zou zijn) of dat ik wellicht minder intertekstueel overkom dan ik zelf wel denk.
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
‘Utrecht Revisited’ van de te vroeg gestorven Utrechtse dichter Alain Teister. Kom, ik scan hem even, het is toch pokkenweer.
Waar waren de dagen van Bonifacius,
dacht ik.
De dagen dat hij in Dokkum
een kopje kleiner gemaakt werd, vroeg de vriendin
van de laatste jaren, het laatste bed –
nee, nee, de dagen van strafwerk en herfst,
de doodstille morgens, kwart over acht,
slenteren onder kastanjebomen, althans,
zo staan ze in mijn herinnering, langs
de verdomde Kromme en Nieuwe Gracht;
lyceum over het water
vol thema's en algebra, Tacitus, Plato,
stemmen van leraren, geur van schoolbord, de geur
van het ene meisjes – en onvoldoendes
voor alles en iedereen.
In de winter de ijsbaan aan de Johannespolder.
De ijsbaan, vroeg ze, waar Schenk z'n records reed?
Nee, nee, de dagen van Friese schaatsen,
toen niemand kon rijden, behalve
het ene meisje, dat ook met de knappere jongen
uit de nog hogere klas voor me uitliep;
en had ik soms iemand om uit te leggen
dat je nu net zo goed dood kon?
En 's avonds, twee vrienden, gedichten onder de arm,
op weg naar het Paushuis.
Een voetreis naar Rome? vroeg ze.
Nee, nee, de gracht waar Marsman gewoond had,
en later reed ik dan langs het huis
van het meisje, haar kamer bleef donker,
en onvoldoendes voor alles en iedereen.
Kom terug uit die stad. Ben je zielig? vroeg ze.
Nee nee, ja ja, maar ik weet bijna alles:
de kamer van Marsman, Tacitus, schaatsen,
waarom iedereen iedereen alleen heeft gelaten,
en dat ik op avonden zonder jou
dat meisje weer hoorde praten –
En later keek ze me aan, de vrouw van vandaag,
en al bijna gisteren, en ik zag wel
wat er ontbrak: haar ogen
gaven me onvoldoendes. Vluchten dus,
net als toen, gepakt
en gezakt.
(Voor Theo Sontrop)
© Portrettekening: Kees Wennekendonk
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties