Erwin Vogelezang is in 1971 in Den Haag geboren. Daar woont hij nog steeds. Hij houdt van moderne Amerikaanse literatuur, muziek, Tsjechisch bier en Indiaas eten, maar minder van de dood. Zijn gedichten verschenen onder andere in De Klos, op En Er Is, De Gekooide Roos, Het beste uit tien jaar Meander en Krakatau. Erwin is sinds 2004 redactielid van De Gekooide Roos. Danny Degenaar, auteur van Eternelle lust geen bollen, schreef over hem: ‘Geniaal, voor een Hagenaar’. Iets waar de redactie van de Contrabas zich bij aansluit. Want die Hagenaars zijn, op Fred Papenhove en Gilles Boeuf na, vreemde jongens. Zijn debuut Bladluis is medio mei verschenen in de Windroosreeks.
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Vooropgesteld dat ik mezelf zou willen voorstellen; met de Götterdämmerung cyclus. Omdat waarschijnlijk niemand bovenmatig geïnteresseerd is in 11 A4-tjes quasi-autobiografisch geneuzel en omdat de serie op dit moment grondig wordt bewerkt, hou ik het maar op het titelgedicht uit mijn debuutbundel.
bladluis
drie dagen niet aan dood gedacht niet
aan bloed niet ieder blaadje om en om
gekeerd tegen het licht en niets gevonden
geen bobbel in de lies geen wildgroei in
of achter oor geen jeuk aan aars geen ring
om vosje walvis grote beer op rug
niks gemerkt met slikken ook geen brok
in pis geen boze wolk door longen geen
pijn voel ik geen pijn vanochtend
overmoedig op één been je kamer-
linde roerloos voor het raam zien staan
omgevallen toen en ook gaan huilen
2. Waarom poëzie?
A. Omdat het schrijven van één goed gedicht wellicht ooit binnen mijn mogelijkheden zal liggen.
B. Omdat ik te lui ben om aan een roman te beginnen.
C. Omdat je van het schrijven van poëzie buitensporig rijk en gelukkig wordt.
D. Omdat ik, diep van binnen, een verdrietig mannetje ben en een aai over mijn bol wil hebben.
Maar de belangrijkste reden is dat poëzie, net als muziek, soms zo dichtbij kan komen aan iets dat ik, bij gebrek aan een goed alternatief dan maar - met grote tegenzin - als 'de trieste absurditeit van het bestaan' bestempel. Poëzie weet soms hersencellen te beroeren waarvan ik het bestaan vergeten was. Zelf schrijf ik steeds meer over klein zeer; over de verborgen emoties van de 'burgerman'. Het is boeiend om ogenschijnlijk oninteressante verhalen als poëzie te brengen.
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Ik lees, behoudens op Internet en als redacteur van De Gekooide Roos, relatief weinig Nederlandstalige poëzie. Stiekem lees ik vooral veel Amerikaanse romans. Van DeLillo, Vonnegut, Safran Foer, Palahniuk, Easton Ellis, Coupland, Flannery O'Connor en DBC Pierre bijvoorbeeld. Hoewel ik veel gedichten en dichters goed vind, kan ik geen directe inspiratiebronnen aanwijzen. In sommigen van mijn gedichten zitten wel verwijzingen, maar doorgaans zijn dat verwijzingen naar muziek, romans of films. Toegegeven: ook Enzensberger heeft een kamerlinde een gedicht binnengesmokkeld. En toegegeven: Philip Larkin's 'Home is So Sad' is van een treffende eenvoud die ik ook wel zou willen bereiken. Maar inspiratiebronnen? Niet echt.
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Ik zou het prettig vinden indien de 'bovenwereld' zich serieuzer ging buigen over gedichten die uitsluitend op Internet zijn verschenen. Het gros ontstijgt het niveau van een gemiddelde schlager niet, maar er is in de loop der jaren toch heel wat 'gepubliceerd' dat niet voor de 'papieren tijgers' onderdoet. Ik ben dan ook blij dat BnM het aandurft om een bloemlezing samen te stellen waarbij 'internetdichters' aan bod komen. Dat de aandacht voor deze groep eindelijk toeneemt, blijkt ook uit het feit dat de nodige 'internetdichters' (Danny Degenaar, Frédéric Leroy en ik bijvoorbeeld) bij reguliere uitgeverijen onder de aandacht zijn gekomen. Maar er is nog veel meer talent dat misschien bundelwaardig is. Van Roop tot Jet Crielaard. En van Justin Case tot Morphin van Geeuwen en Olaf Risee.
Gedicht: ik twijfelde tussen 'Een kleine vertelling' van Gerrit van Schuppen, dat echter wel heel lang is voor opname in een mini interview (een vroege versie staat op mijn site) en een gedicht van Roop. Dat is het dus geworden.
jasmijn
ze wijst de oorlog af
en het vergaan geeft haar te denken
omdat het aan de wortels rot
zij wil zijn waar wortels
aan de lucht staan en de stam
de basis is
geroosterde piranhas
op een vuur
van eenmiljoenste voetbalveld
en taal die niets
verlangt dan vis
ze gooit haar jas
in zeven richtingen
voordat zij op haar rug
de hemel vindt
negentien en altijd stoned
ook als ze dat niet is
NB. Portret Erwin: Eva Ooms
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
een gedicht van een onbekende man
toevallig in een zoektocht naar stof die mijn grijze massa zou moeten voeren stuitte ik op het gedicht met mijn naam, woorden met mijn naam erbovenaan , een opsomming van woorden en ik er vetjes bovenop. Ongelofelijk, alsof de schrijver mij ooit kennen zou, alsof ik hem over een jaar zou tegenkomen, ik negentien en hij een jaartje jonger dan een jaartje later hij zou mij zien en begrijpen wanneer we elkaar gedag zeggen en elkaar nooit meer weerzien zal hij schrijven wie ik was om te vereeuwigen hoe onwaarschijnlijk uniek,dromerig, mijn snakkende gevoel naar vrijheid, het overal en nergens willen zijn , niemand en iedereen willen kennen. Alles zou hij vereeuwigen,de wereld in sturen, mensen laten inspireren om zou te laten weten hoe verdrietig het meisje, ik, wel was
Geplaatst door: Jasmijn | 3-11-06 om 18:19