
Cornelis van der Wal werd in 1956 te Leeuwarden geboren en woont nu reeds geruime tijd in de stad Groningen. Hij debuteerde in 1991 met de bundel In nêst jonge magneten (Een nest jonge magneten) waarmee hij in 1993 de Fedde Schurerpriis voor debuten veroverde. Daarna volgde nog een drietal bundels. In 1997 was hij deelnemer aan Poetry International. Begin 2006 verscheen in de reeks de Contrabas Tweetalig een bloemlezing van zijn poëzie onder de titel Zonderlinge kruising tussen aap en priester. Naast de Friese originelen staan Nederlandse vertalingen van Jabik Veenbaas. Van der Wal is momenteel webredacteur van het tweewekelijkse Friestalige literaire tijdschrift Farsk en houdt tevens trouw zijn weblog bij. Op dit log vermeldt hij onder andere, naast ongezouten kritiek op van alles en nog wat, dagelijks zijn laatst genoten warme maaltijd, waarbij opvallend vaak voor bami wordt gekozen.
Hij schrijft vrijwel uitsluitend in het Fries, naar eigen zeggen vooral omdat hij denkt in deze taal. Tevens ervaart Van der Wal de combinatie Fries en poëzie als welhaast ideaal, vanwege de grote klankrijkdom en de ruige randjes van het idioom. Het ‘Hollands’ is voor hem toch meer een taal voor verwekelijkte decadenten, arrogante bewoners van de grote stad, kortom: voor onbetrouwbaar volk.
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Het gedicht ‘In moaie rigel/een mooie regel’ uit Zonderlinge kruising tussen aap en priester. Dit is een vers in een genre dat ik eigenlijk verfoei: het dichten over het dichten. Ik zal het nooit weer doen, ik beloof het. Het gedicht blijkt tijdens declamaties aan te slaan bij het grote publiek en wie ben ik om het publiek te verachten? Dus.
In moaie rigel
De wolkens glêzewaskje God syn stjerrekiker,
dat fûn it mantsje wol in moaie rigel.
Ja, it mantsje woe graach dichter wurde,
hy rûn al op ’e strjitte mei in skrift
en seach mei artistike eagen yn it rûn.
It ûleboerd is aaisyk en bline goaden
Wâdzje troch bloed fan in stjerrende sinne.
Triennen wiene tichteby doe’t er dizze wurden
fergees trochkrige fan de hegere machten…
Dichters dy sûpe in soad en binne oan ’e drugs,
dat it mantsje gie nei kofjesjop en kroech.
Net ferjitte dat er iensum bliuwe moast!
Een mooie regel
De wolken glazenwassen Gods sterrenkijker,
dat vond het mannetje wel een mooie regel.
Ja, het mannetje wilde graag dichter worden,
hij liep al over straat met een schrift
en keer met artistieke ogen in het rond.
Het uilenbord kan z’n ei niet kwijt en blinde goden
stampen door bloed van een stervende zon.
Tranen waren dichtbij toen hij deze woorden
gratis doorkreeg van de hogere machten…
Dichters die drinken veel en zijn aan de drugs,
dus het mannetje ging naar coffeeshop en kroeg.
Niet vergeten dat hij eenzaam wezen moest!
(vertaling Jabik Veenbaas)
2 Waarom poëzie?
Het mag wellicht tegenwoordig niet meer gezegd worden, maar ik zie het schrijven en lezen van (goede) poëzie als middel om in contact te treden met de vierde dimensie. Oftewel iets dat buiten de tijd staat. Zo zit dat. Dit geldt uiteraard ook voor andere kunstvormen.
De democratisering van de poëzie, vanaf zo’n beetje de jaren ‘70 van de vorige eeuw, heeft het aanzien van de dichtkunst ernstige schade berokkend. Iedereen kon dichten! Het maakt me nu nog misselijk. Het gros van de jongere dichters heeft werkelijk vrijwel niets gelezen en meent telkens weer het wiel te hebben uitgevonden.
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Ik houd het graag breed, lees veel bloemlezingen. Een stroming die me nog steeds zeer bijzonder na staat is het Duitstalige expressionisme met dichters als Trakl en Lasker-Schüler en verder ben ik gefascineerd door vreemde meneren als Rimbaud en Baudelaire.
Maar beïnvloeden zij mijn werk nu nog? Ongetwijfeld, op de achtergrond. Het streven is echter naar een eigen toon, jongeman. Aandachtige lezertjes menen een dergelijke toon in mijn dichtkunst te kunnen bespeuren.
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Deze vraag had ik verwacht en kon er derhalve wat langer over nadenken. Het eerste gedicht dat mij werkelijk met stomheid sloeg stond in een schoolboek. Mijn jeugdig brein geraakte in ernstige verwarring. Ik keek echter wel uit om deze leeservaring met mijn klasgenoten te delen. Poëzie was immers voor watjes, suertsjes in het Fries. Dus, misschien niet het beste gedicht, en wellicht zeer ouderwetsch, maar hiermee begon het:
Jan Engelman
Vera Janacopoulos
Cantilene
Ambrosia, wat vloeit mij aan?
uw schedelveld is koeler maan
en alle appels blozen
de klankgazelle die ik vond
hoe zoete zoele kindermond
van zeeschuim en van rozen
o muze in het morgenlicht
o minnares en slank gedicht
er is een god verscholen
violen vlagen op het mos
elysium, de vlinders los
en duizendjarig dolen
Eigenlijk zijn alleen de eerste twee strofen geslaagd, maar het is in ieder geval beter dan die vieze gedichten van Piet Gerbrandy.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties