Nachoem Mesoelam Wijnberg werd geboren in 1961 in Amsterdam, waar hij ook opgroeide. Hij studeerde rechten en economie aan de Universiteit van Amsterdam en promoveerde in deze laatste discipline in 1990 aan de Rotterdam School of Management. In juli 2001 werd hij benoemd tot hoogleraar Industriële economie en organisatie aan de Faculteit Bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen. In september 2005 maakte hij de overstap naar de Universiteit van Amsterdam om daar als hoogleraar Cultural entrepreneurship and management aan de slag te gaan. In 1989 verscheen de debuutbundel van Wijnberg De simulatie van de schepping, een boek waarin veel historische figuren uit de klassieke oudheid en mythologie langskomen; elementen die net als religie een belangrijke rol spelen in dit oeuvre. Twee jaar na de debuutbundel bracht hij De voorstelling in de nachtclub uit. Voorts volgen De expeditie naar Cathay (1991), Langzaam en zacht (1993), Is het dan goed (1994), het met de Herman Gorter-Prijs bekroonde Geschenken (1996), Alvast (1998), Vogels (2001), Uit 7 (bloemlezing uit eigen werk, 2003) en Eerst dit, dan dat (2004). Naast poëzie heeft Wijnberg ook een aantal romans gepubliceerd, zoals Landsschapsseks uit 1997. In oktober van dit jaar zal bij uitgeverij Contact Wijnbergs nieuwe bundel verschijnen, getiteld Liedjes.
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Met het gedicht hieronder, dat afgedrukt zal worden in de in oktober te verschijnen bundel Liedjes.
Ik weet het
Je wilt hier weg.
Want hier maken ze alle konijnen dood.
Maar je bent toch geen konijn.
Probeer ze dat maar eens uit te leggen.
Vanwege de konijnen gaat het niet.
Nee, vanwege jou.
Waarom vanwege mij.
Waarom vanwege de konijnen.
Als een woest konijn op je af rent.
Doen alsof je dood bent.
Ik weet dat, jij weet dat.
Maar weet het konijn het ook.
Dan houdt de zon op met schijnen.
Na hoeveel tijd.
Na vier dagen.
Dank je, ik dacht even dat je zei dat het na drie dagen was.
Was het dat of werd het donker.
Wat dacht je dat ik wilde.
Telkens hetzelfde verhaal.
Ik zou je niet willen ruilen voor een ander.
2. Waarom poëzie?
Ik heb af en toe een sterke lichamelijke behoefte aan gedichten, maar voor wie het plechtstatig uitgesproken wil: omdat poezie werkt met de taal die mensen gebruiken en daarom het meest geëigende middel lijkt om meer te weten te komen over hoe zij zijn en hoe de wereld is die zij kunnen begrijpen.
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Het komt wel voor dat ik een gedicht (her)schrijf vanwege een gedicht dat ik eerder gelezen heb. De meest belangrijke dichters voor mij zijn die aan wie ik het meest terug te schrijven heb en diegenen van wie ik geleerd heb 'dat het ook zó kan' – die twee categorieen overlappen overigens nogal.
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Zo helder als het vanmorgen
ochtend is; mag zo elk moment zijn
dat ik niet opnieuw stierf. Laat
de god aan wie ik mij heb ontfutseld,
zich toestaan mij te doen spelen nog
enkele minder gemakkelijke muzieken
van Antonio de Cabezón, el único
organista, ciego de nacimiento.
(Hans Faverey, Verzamelde gedichten, De Bezige Bij, 1993, p.630)
Interview: Arnoud van Adrichem
Foto met toestemming van de uitgeverij bijgeplaatst
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties