In deze discussie worden volgens mij twee dingen door elkaar gehaald. De idee over wat vorm zou zijn wordt verward met de betekenis die aan een vorm kan worden toegedicht. Vorm is niet meer en niet minder dan een dusdanige begrenzing van termen, dat ze altijd beantwoorden aan het idee dat er aan ten grondslag blijkt te liggen. Dit principe is inherent aan elke vorm zondermeer, want anders zou überhaupt niet van een vorm kunnen worden gesproken. Dit zogeheten vormprincipe is niet alleen voorbehouden aan poëzie of aan een bepaalde soort poëzie, maar ook aan zang en dans bijvoorbeeld, of aan beeldende kunst of klassieke muziek, en moet in staat worden geacht zichzelf te bevragen en de regelen der kunst op hun rekkelijkheid te beproeven. Zoniet dan zou iedere vernieuwing bijgevolg ondenkbaar zijn. Maar dit terzijde.
Dat dit op zichzelf betrokken karakter, of zoals Ilja het noemt, deze zelfreferentialeit iets met het hermetisme van doen zou hebben, is, zoals reeds vastgesteld, een misvatting, want dan zou alle kunst hermetisch zijn. En dat is zij niet. Zeker, zij is in meer of mindere mate gesloten. Maar de geslotenheid waarover hier wordt gediscussieerd gaat over iets anders. Namelijk over onbegrijpelijkheid. Zoals gezegd is alle vorm per definitie gesloten, dat heet begrensd, maar niet per definitie onbegrijpelijk. Opgevat als louter vorm is bijvoorbeeld zelfs een vergiet gesloten. Voorbij de grenzen van een vergiet, immers, is geen vergiet denkbaar. Als ding wordt het begrensd door de termen die beantwoorden aan de idee die er aan ten grondslag ligt. Bij een gedicht is het niet anders. De geslotenheid van de vorm leidt niet per definitie tot onbegrijpelijkheid. Het enige onbegrijpelijke is hoogstens de afspraak die bepaald wat een vergiet is, en wat niet. Ja, het ware onbegrijpelijke is zogezegd ‘de willekeurigheid van het teken’ en de inhoud die we geven aan dit of dat en aan zus of zo.
Dichters die de willekeurigheid van het teken beproeven, tornen aan dergelijke afspraken en willen, dat weten we, de taal ontregelen, zij zeggen niet vergiet maar gevriet, maar dat kan niet voorkomen dat zij desondanks inhoud geven aan dit of dat, of zus of zo. Kortom: aan datgene wat denkbaar is, al is het maar aan een onmachtig gevoel, voorbij de grenzen waarvan het ook hen ondanks hun taalexperiment niet gegeven is te schouwen. Kort en goed: niet het alfabet is ontoegankelijk, maar de betekenis die ermee gegenereerd kan worden wel. Ontoegankelijkheid in de poezie is geen eigenschap van taal, maar die van dichters en hun ideeën. Nu lijkt het zo te zijn dat wie grammaticaal correcte zinnen schrijft semantische onzin mag verkopen, op grond van het feit dat in de poëzie alleen de vorm en niet de inhoud zou tellen. Wat mij betreft is dit het failliet van de Nederlandse poëzie, temeer omdat, ook al rekenen we onszelf tot de mondiale top, een achterhoede gevecht voeren. Hoe autonomer een gedicht, hoe minder er iets over dat gedicht te zeggen valt. Anders zou het immers niet autonoom kunnen zijn.
Robert Graves schreef er al over in The Common Asphodel. De kritische grens wordt dan bereikt als de zeggingskracht optimaal is en de lezer met stomheid geslagen, er werkelijk geen zinnig woord over kan zeggen en er het zwijgen toe moet doen. Verbaasd of stupéfait, wat maakt het uit. Voorbij dat punt slaat het om in zijn tegendeel en wordt het nietszeggend. Onzin, kladderadatsch. Te horen aan al dat gekakel van de heren Pfeijffer, Gerbrandy en hun kompanen is dat punt nog niet bereikt, of reeds gepasseerd, dat kan natuurlijk ook. De ironie wil dat zij hun gelijk bewezen zien als ze er het zwijgen toe zouden doen, maar iets zegt mij dat het hierop tevergeefs wachten is. Te graag horen ze zichzelf praten. Ter adstructie van datgene waar het volgens mij in deze discussie werkelijk om te doen is, zou ik tot slot met het volgende beroemde voorbeeld willen volstaan.
De Taag is mooier dan de rivier die stroomt door mijn dorp,
Maar de Taag is niet mooier dan de rivier die stroomt door mijn dorp
Want de Taag is niet de rivier die stroomt door mijn dorp
Ik had ook het eerder geciteerde gedicht van Faverey kunnen gebruiken, maar dit leek me gelet op de lange geschiedenis van deze discussie een betere keuze.
In bovenstaande strofe moet woorden gelet op het woordje maar, want deze contradictie – in het domein van de logica en de wiskunde altijd onwaar – is hier ( zie regel drie) slechts een schijnbare tegenstelling, dat wil zeggen een paradox.
Een paradox verenigt wat onverenigbaar is: de Taag en de rivier die stroomt door mijn dorp. Maar bijvoorbeeld ook zelfgemaakte boterkoek en boterkoek van de bakker, of de Rijn en het slootje achter het huis van mijn jeugd. Er zijn voorbeelden te over om te adstrueren dat in het domein van de poëzie andere regels gelden dan in dat van logica en wiskunde en dat een schijnargument, zoals in de laatste regel van geciteerde strofe, in de poëzie een argument kan zijn om een poëtische waarheid te verkondigen, een waarheid overigens die alleen op grond van haar vorm waar is, ongeacht de zogenaamde waarheidswaarden van een uitspraak, dat wil zeggen ongeacht wat in werkelijkheid het geval is. Ziehier het autonome karakter van de poëzie, waarover zo vaak gesproken wordt. Poëzie zegt per definitie niets over de wereld en heeft hoogstens de functie om ons in de loop van een redenering de implicaties te laten zien van wat we al weten, namelijk dat de Taag en de rivier die stroomt door mijn dorp onvergelijkbaar zijn. Dat wil echter nog niet zeggen dat zulks op duistere wijze tot stand dient te komen.
Mag ik hopen het een en ander over deze kwestie aan het licht te hebben gebracht, zo niet, dan is dat jammer. Dan laat ik alle eer aan de verduisteraars om hun geheimen opnieuw aan de onpeilbare diepten van de wereld toe te vertrouwen. Ik blijf deze discussie en andere op deze fijne site hoe dan ook volgen en voor nu groet ik jullie allen met collegiale groet.
© René Huigen, 2006
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Good site
Geplaatst door: Olivia | 23-8-07 om 9:43
rosie@triad29.com
rosieponder@verizon.net
Not only do they try to rip you off, they send your email out and you get a ton of junk mail.
Geplaatst door: Fleklylep | 3-3-08 om 4:12