Net gelezen: Postfris van Kees van Domselaar. Nou, ik vond er niets aan. Een aantal keer herlezen, en het hielp weinig. Hij heeft enig taalgevoel, schrijft helder-achtig, soms bijna mooi, en ik heb bijna nergens kromme tenen voelen ontstaan; maar wat hij nou wil zeggen blijft me telkens duister. En eerlijk gezegd kan het me ook weinig schelen wat hij wil zeggen. Dat is het zwakste van deze bundel, vind ik: hij weet me letterlijk nergens te boeien, ik haak al snel af omdat ik het gevoel heb dat hij een taal spreekt die ik niet begrijp, alsof je een gesprek volgt dat wordt gevoerd in een taal die je niet kan verstaan – en niet wilt verstaan. Neem nu het gedicht 'Als het gebeurt':
Als het gebeurt, dat de kouwe kraai neerstrijkt
die de dag breekt en de hoop een slappe hand is
en het luistert niet meer nauw
als het gebeurt, dat in de stilte van het uur
wij onszelf moeten verlaten en heel het lichaam
kiert en tocht
als het gebeurt, dat de rots de golf breekt
en wij nog zouden willen praten
maar dat het nu daarvoor te laat is.
Een op het eerste gezicht vaardig ding. Met zinnen die vertrouwd op je afkomen, die zó zeer op poëzie lijken, dat de goedwillende leek ze er nog voor zou aanzien ook. Nadere beschouwing toont de lelijkere kanten. Zoals 'en de hoop een slappe hand is', 'dat in de stilte van het uur wij onszelf moeten verlaten' en 'dat het nu daarvoor te laat is' – waarin Van Domselaar met de woordvolgorde experimenteert. Voorts struikel ik even over de vreemde manier waarop hij deels wel en deels geen interpunctie gebruikt. Heeft die in dit gedicht een functie? Beantwoord deze vraag en geef een motivatie bij het antwoord.
Wat Van Domselaar hier doet, het evoceren van de naderende dood (‘de kouwe kraai’ – waarom niet gewoon ‘de koude kraai’?), waaraan wij allemaal niet zullen weten te ontsnappen, zou op zichzelf een mooi gedicht kunnen opleveren. Maar als de auteur weigert om een zin te schrijven waar men zich verrast over kan betonen, houdt het al snel op. Dan wordt het lezen van Postfris een lange tocht, door een dor landschap, waarin geen enkele reddende herberg te bekennen is. Wordt het lezen van Postfris, wil ik maar zeggen, een flinke bezoeking, vergelijkbaar met een wandelvakantie – daar moet je ook van houden.
Heus. Van Domselaar kan een beetje dichten. Blijkens de biografische aantekening in de bundel is hij jaren poëziecriticus geweest. De kans dat hij wel eens poëzie heeft gelezen is dus niet denkbeeldig. ‘Als het gebeurt’ bewijst dat ook een beetje: het gedicht, Kopland meets Kouwenaar, maar dan in het pseudo-gothic, ziet eruit zoals een gedicht er vaak uitziet. Het ademt de sfeer die vele gedichten ademen. Maar het is, vind ik, verder vooral een dode bedoening, alsof de geest die erin geblazen had kunnen worden, er niet ingeblazen is. Lees bijvoorbeeld (ik sla de bundel op een willekeurige bladzijde open) ‘Opgeruimd’:
Soms liggen de jaren voor je voeten
opgeruimd de tijd, papieren, gestapeld
voor het slapen, huishoudens, kamers
foto’s die nog moeten.
Het zijn de dingen van een leven
van twee handen die bewaarden
in een zucht naar samenhang.
Maar het is goed, het is losgelaten.
Hoe wonderbaarlijk dan, is de herinnering
die niet om mij maar om zichzelve
een blijvend lichaam zoekt.
Van Domselaar wiegt ons in de eerste strofe in slaap (ja ja, papieren, huishoudens, toe maar, meervoud, kamers, foto’s die nog moeten, wat moeten, ach, laat maar), waarna we in strofe twee met een zucht van verlichting in slaap sukkelen. Aha. De ‘dingen van een leven’. Ja ja, tuurlijk. Nou begrijp ik het. Het leven zelf. Daar kan veel narigheid in gebeuren, doch met een beetje berusting (we zijn nu bij strofe drie aanbeland) kom je er doorheen. Waarom die herinnering een blijvend lichaam zoekt? Joh, dat doet er niet toe, het klinkt wel lekker, volgende bladzijde, et ce te ra.
Doe ik Van Domselaar nu onrecht? Ongetwijfeld. Is dat erg? Wellicht. Te eigener verdediging voer ik dan aan: niet ik heb een onsamenhangende, vage, poëtisch-achtige bundel geschreven, dat deed de auteur. De binnenflap van de bundel meldt: ‘Als een ongestempelde zegel, zo kondigt dit debuut zich aan blijkens de titel, die het postmodernisme als gangbare bestempeling op voorhand relativeert. Deze bundel is, met andere woorden, nadrukkelijk geadresseerd aan de lezer.’ Ongestempelde zegel die zich aankondigt? Postmodernisme als gangbare bestempeling? Nee, Postfris gaat wat deze lezer betreft retour afzender. Sorry voor het woordgrapje, maar ik kon het even niet laten.
Postfris, Kees van Domselaar, Arbeiderspers, Amsterdam, 2005, ISBN 90 295 6310 9, € 15,95
© Johan Ter Horst-Altink
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Zo denk ik er over!
Uit Meander Magazine: 291
De debuutbundel van Kees van Domselaar (1954) heet Postfris, een titel die suggereert dat dit een bundel is vol onbevangen, verse gedichten. Dat zijn ze helaas niet altijd.
De bundel telt vier afdelingen: 'En daarom kwamen wij', 'De deuren van het vermoeden', 'Geheven het glas vol eeuwige vragen' en 'De hoge kamers waar wij waren'. Het zijn plechtige titels van afdelingen met gedichten vol gewone, toegankelijke en ook beeldrijke taal. Nee, erg 'fris' komt de bundel niet over.
In elke afdeling is er ruime aandacht voor de persoonlijke geschiedenis en in deze historie domineert de nostalgie, die regelmatig grenst aan defaitisme. Een voorbeeld staat op pagina 33. In 'Opgeruimd' toont de dichter zich in het geheel niet opgeruimd, wat jammer is omdat daardoor de titel geen dubbele bodem heeft: 'Soms liggen de jaren voor je voeten/ opgeruimd de tijd (...). Maar het is goed, het is losgelaten.' Het enjambement in de eerste twee regels is functioneel; de inhoud nogal voorspelbaar. Dat laatste is zeker het geval omdat in de bundel veel van dit soort gedichten staan. De dichter gebruikt daar een passend idioom bij: 'Schemeravond' (p. 34), 'Zomeravond' (p. 35), 'Jaren later' (p. 37) etc. Van al deze dan eens zwaarmoedige, dan eens meer luchtige verzuchtingen slaat de poëzie in deze bundel soms dood.
De bundel heeft echter ook aangename kanten. De dichter weet soms in een aantal krachtige woorden een duurzame emotie te verwoorden, zoals in het kwatrijn 'Op reis' (p. 24), dat eindigt met: 'Zijn hoofd is een boot naar Lissabon.' Zo'n kort gedicht bevalt me veel beter dan het lange 'Het lied van de drie heren' (p. 21-23) waarin de informatiedichtheid te beperkt is en de dichter te weinig met de taal doet om de lezer tot het einde te boeien. Heel aangenaam is ook het mooie gedicht 'Als het gebeurt' (p. 17) dat spannend, open en ook weer melancholisch eindigt op: 'als het gebeurt, dat rots toch ontbreekt/ en wij nog zouden willen praten/ maar dat het nu daarvoor te laat is.' Ja, de openheid die het vers hier boeiend maakt, ontbreekt te vaak bij Van Domselaar.
De dichter gebruikt de poëzie om een teloorgegane wereld tot leven te roepen, beslissingen terug te draaien, zich af te vragen hoe het leven anders had kunnen verlopen. In alle afdelingen komt het thema van de nostalgie terug, waardoor de indeling in afdelingen misschien overbodig is; al zie ik qua onderwerpen lichte verschillen. De dichter had er beter aangedaan scherper te selecteren zodat de thematiek van de bundel geconcentreerder en krachtiger zou zijn.
Laat onverlet dat Kees van Domselaar zo nu en dan zijn talent toont. En dat talent houdt soms de lezer een spiegel voor, waardoor je even moet nadenken hoe het allemaal in jouw leven zit. Dit was bij mij het geval toen ik 'Hoe een voorovergebogen lichaam' (p. 16) las, met de slotregels:
Niet ver, niet ver onder zijn huid
leeft een vale man
die liggen gaat wanneer hij wil
en alles in hem stil maakt.
Kees van Domselaar - Postfris
De Arbeiderspers, Amsterdam 2005, 55 blz.; € 15,95
ISBN 90 295 6310 9
Jan de Bas
Geplaatst door: Jan de Bas | 22-4-06 om 16:09
ik vind kees eigenlijk wel een mooie lul en die bundel van hem is wel aardig.
Geplaatst door: sergio hamerslag | 13-7-08 om 14:45
Kees, het was heel leuk je even te zien tijdens de reunie.
Ik reageer op je dichtbundels later. Ik herken iets van onze pogingen tot dichten en ....het begrijpen van gedichten in 3 en 4 Havo. Wat een heerlijke tijd!! Het was voor mij en mijn partner heel emotioneel in Zeist te zijn en al die collega"s te ontmoeten... van zeer warm tot zuurpruim. Snap je?
Kom een keer hier in Holten alle boeken Nederlands ophalen!
Historische uitgaven. Interesse?
Hartelijke groet
Sietske en Douwe Onrust
Geplaatst door: Sietske Onrust | 22-9-09 om 21:05