Marc Kregting is dichter, essayist, prozaschrijver en redacteur. Hij debuteerde in 1994 met De gezel, een dichtbundel. Daarna volgden de verhalen- en gedichtenbundel Kopstem/Stopnaald (1997), Da capo. Trilogieën (1999), Hakkel je, hakkel je. Brieven (2000), De leliering. Gemengde berichten (2003), Zie je dat rood. Gedragslijnen (2004) en Dood vogeltje. Vluchtstroken (2006). In 2004 verscheen zijn interessante essay Zij zijn niet van Jeremia. Non-ficties. Eind van dit jaar verschijnt een bundeling van zijn poëziekronieken.
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Come On, Come Over
Wederrechtelijke toeëigening der veestapel
spreekt zich zelden goed. Wat echter houd
je anders na, zonder traktement (gonje van
de opoe). Vandaag heb je zin in een dartel
klein geitje. Het toeval wilde dat er daar
één kwam. Wel was het vol wagensmeer, want
het had moeders gebaard. Pak er een forse
schep bij – zwarte koek moet je afsteken.
Erna was je de handen, maar niet rumoerig.
(uit: Hakkel je, hakkel je)
2. Waarom poëzie?
Waarom niet, wilde ik al zeggen. Maar dat is retoriek van het type ‘aan een bakker vraag je toch ook niet waarom hij brood bakt’. Die bakker voorziet er alvast mee in zijn levensonderhoud en voor anderen heeft zijn activiteit nut. En in verband met dat laatste punt moet ik bekennen dat ik momenteel, bij een tweede revisie van kroniekachtige stukken over poëzie vanaf 1998 voor een boek, soms het idee heb sectie te verrichten op mezelf. Wat een geloof en vertrouwen koesterde ik in gedichten! Er moet sprake zijn geweest van wishful thinking.
Dit spijt me van mijn huidige zelf, temeer daar de eerste motivatie van ieder schrijven lijkt te liggen in een onvrede met de wereld. Zonder dat wordt er volgens mij weinig tot niets aan het papier toevertrouwd. Waarom anders immers de inspanningen gedaan? De neerslag van die onvrede, feitelijk een voorstel tot verandering, wenst een schrijver ook buiten zijn eigen persoon gerealiseerd te zien. Niet zozeer in zoveeljarenplannen, als wel in een dialoog met een lezer. Dat lijkt me een tweede aspect aan de stiel: het verlangen. Een schrijver hoopt dat zijn boodschap, van wat voor een aard, grootte of belang ook, een lezer bereikt, zodat er misschien een vervolg komt.
Literatuur, en dus ook poëzie, lijkt echter te worden vermalen in een meningenmachine, die alles bovendien kwantificeert. Van prijzen tot en met bijlagenpagina’s, voortdurend rijst de indruk dat er waarde onderscheiden wordt van onwaarde. Dat is begrijpelijk, gelet op de stortvloed aan boeken, en op zich vind ik het ook een noodzakelijke daad om niet helemaal in een volstrekte oneffenheid te belanden, maar waarom gebeurt dat zo zelden in interactie met de tekst, en zo veelvuldig door een directe bevestiging in guitige impressies, aangifte van diep lijden en nieuws waarin de vis van morgen wordt verpakt?
Is de meningenmachine ondanks het mombakkes van het pluralisme en het debat niet een decoratie van statements, met een schijnbaar nagestreefde onwrikbaarheid? Maar ook wie zich ophoudt onder dat deel van de literaire populatie dat weigert daarin mee te draaien of wie geen kans krijgt er wat mee uitstaande te hebben, ontkomt niet aan de cultuurindustrie. Dat is een bedaagde term, uit een tijd dat ‘kwaliteit’ nog te heette te komen bovendrijven, op de miswijn van de goede smaak geloof ik, maar ik weet niet of het ‘vroeger beter’ was. Misschien knerste het wat minder expliciet gewelddadig binnen de raderen van de machtsverschilmakerij, maar ook daar ben ik niet zeker van. Überhaupt blijkt ‘de geschiedenis’ zo wonderlijk elastisch dat er ‘bewijzen’ pro en contra uit getrokken kunnen worden.
Voor mij acteert poëzie nu in elk geval in een rare wereld, zo nadrukkelijk lifestylish. Geef mij die bakker dan dus maar, voor de lekkere trek. Een decennium geleden is het genre al geplaatst in de ‘marge van de marge’, maar wellicht dekt dat begrip zelf, én het eraan gerelateerde ‘centrum’, de huidige toestand niet meer. Daarvoor dienen er immers betrouwbare criteria te bestaan en die lijken met de beste wil niet op te stellen omdat niemand zicht heeft op wat er in totaal verschijnt. Nou is literatuur uiteraard niet het enige medium met een gigantisch aanbod. Zie bijvoorbeeld de ettelijke televisiekanalen, om nog te zwijgen van het Internet.
Tegelijk lijkt mij dan dat televisie zich beter leent om getuigenissen en verhalen over te brengen, en dat de tijd die aan Internet wordt besteed immens is. Taal, waar poëzie het van moet hebben, wordt dus in nogal oneindige mate gedupliceerd. Die inflatie vind ik fascinerend. Op het moment dat echter in gedichten op taal gereflecteerd wordt met hetzelfde materiaal, bezwijkt de kunstvorm naar mijn gevoel onder zijn eigen, door de concurrentie wel heel erg ijdel geworden gewicht. Maar dan nog: waar hebben het over? De factor gemeenschapsgeld valt bij poëzie lastig te onderschatten.
Aan die wereld zou ik willen ontsnappen, maar dat gaat dus niet. Ik kan mij er niet bij neerleggen dat poëzie nog onbeduidender is geworden dan ze al leek, en zou terugwillen naar de tijd dat ik me daar blind voor toonde, al was het omdat ik de eigenschap blindheid niet ben kwijtgeraakt door quasi boven mezelf of anderen te kunnen staan. Anderzijds blik ik, hoe bevooroordeeld ook, liever niet weg van wat er in de omgeving gebeurt. Het ontbreekt mij sowieso aan nostalgie: iedere pleuris in bijkans genetisch bepaalde distincties is mij best en van mij hoeft niet weer te worden opgetrokken naar Constantinopel.
Daarom ben ik mij zo’n beetje aan het heroriënteren. Graag zou ik poëzie weg willen krijgen uit het door piketpaaltjes met de waarschuwing ‘fictie’ omheinde esthetische domein, waarin momenteel alles lijkt te moeten verzadigen. Hoe dat echter moet gebeuren, weet ik niet. Ik heb louter ontdekt niet het snuggere vogeltje te kunnen zijn dat domweg over de cultuurindustrie heen vliegt. Het zal zaak worden om te proberen via een andere route langs het esthetische domein te raken. Opdat brokstukken van mijzelf met de lezer ergens terechtkomen waar de willekeur, die simulatie van het pluralisme, niet meer hoeft en dissensus alsnog zijn beslag krijgt. We kunnen ’m dan bijvoorbeeld van jetje geven over dit discussiepunt: wat levert het op? En heikeler: wat is het goede? En zelfs: wat is de waarheid? Alleen zitten qua genre we dan vermoedelijk niet langer bij poëzie, maar bij het essay.
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Als het gaat om invloed, ben ik een riool. Volgens mij staat mijn werk dermate open voor de buitenwereld, dat ik me eigenlijk geen schrijver mag noemen, maar eerder eindredacteur of consultant. Daarbij lijkt poëzie een verwaarloosbare rol te spelen in vergelijking tot het zalige geleuter tot in de eeuwigheid der eeuwigheden.
Voor zover er doorleefde sporen in mijn werk zitten, dan komen die voort uit een drive, heb ik geleerd van structuur, wellicht klank en ritmes geïnternaliseerd in wat ik dan maar mijn kleine grammatica noem. En dan komt, nogal bepalend, muziek in zicht. Ik heb proefondervindelijk vastgesteld dat die kunstvorm een ravage kan veroorzaken die niet voor de poes is. Zeker, ik heb gedichten gelezen die nogal wat in mij bewerkstelligden, maar dat blijft kinderspel als ik denk wat bijvoorbeeld ‘All Of You’ in de uitvoering van Miles Davis te Antibes aangericht heeft.
Dat liedje is overbekend, en toch heeft het me in die versie een ervaring opgeleverd die ik nooit zal vergeten en min of meer kan oproepen bij herbeluistering, nieuwe sensaties tot gevolg hebbende. Bovendien stak ik uit de aankondiging van de elpee op, dat leeftijd in het Frans wordt uitgedrukt met het werkwoord avoir, getuige deze mededeling over Tony Williams: ‘Il a dix-sept ans’. Jammer trouwens dat de aankondiging niet op de cd-editie staat.
Het zeg maar ontvouwende effect van muziek is waarschijnlijk zo prettig omdat bij een eerste kennismaking de altijd wat intimiderende Moeder der Kunstkwesties wordt uitgesteld. Volgens mij is immers niet de initiële gedachte die bij een liedje opwelt: wat betekent het? Het is reeds toegankelijk voordat het even verkwikkende als afgrondelijke brein begint op te spelen. Wanneer het liedje een melodie bezit, dan heeft de luisteraar bovendien iets om met zich mee te dragen. Bijna als een broodje. De melodie, maar misschien ook het ontbreken daarvan, wekt niet echt hiërarchisch te noemen associaties en, afhankelijk van de ruimte en de tijd van de kennismaking, een context. Is er zelfs een tekst, dan wordt ons cognitieve vermogen geprikkeld. Dan raken we bij, om nog eens een bedaagde term te gebruiken, de relevantie die iets van de oorspronkelijke poging tot boodschap weergeeft. Waarop de luisteraar kan roepen: ‘Ja maar, wacht even!’
Enfin, voordat schrijversjaloezie me geheel in bezit neemt nog wat namen: Joan Armatrading, Asko-Ensemble, The Beatles, Jacques Brel, Herman Brood, J.J. Cale, Pablo Casals, Johnny Cash, Ray Charles, John Coltrane, Elvis Costello, Claude Debussy, Eric Dolphy, George Duke, Ian Dury, Duke Ellington, Bill Evans, Martin Fondse Oktemble, Aretha Franklin, The Frog, Steve Gadd, Marvin Gaye, Al Green, Donny Hathaway, The Jimi Hendrix Experience, Aafje Heynis, Abdullah Ibrahim, Jacobse & Van Es, Rickie Lee Jones, Robert en Syl Johnson, Chaka Kahn, King Krimson, Living Colour, Gustav Mahler, Curtis Mayfield, Olivier Messiaen, The Meters, Charles Mingus, Joni Mitchell, Thelonious Monk, Morphine, Van Morrison, Milton Nascimento, Charlie en Graham Parker, Jaco Pastorius, Randy Newman, Astor Piazolla, Elvis Presley, Prince, Flora Purim, Otis Redding, Minnie Riperton, Erik Satie, Domenico Scarlatti, Arnold Schönberg, Paul Simon, Slickaphonics, Wim Sonneveld, Sly Stone, Igor Stravinsky, Toru Takemitsu, James Taylor, Matthijs Vermeulen, Tom Waits, Kurt Weill, Chris Whitley, Bobby Womack, Stevie Wonder, XTC, Frank Zappa.
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Los van een afdeling, een bundel of zelfs een oeuvre, zegt een gedicht op zich mij niet zo veel. Ik wil er best eentje uitkiezen, maar laat ik het dan bij wijze van experiment eens helemaal in een andere biotoop plaatsen.
Onlangs vertelde Francis Fukuyama op de televisie, geïnterviewd over een nieuwe studie, dat hij zijn idee van Amerika’s onberispelijke soevereiniteit had moeten herroepen. Ik sloeg er zijn Het Einde van de Geschiedenis en de Laatste Mens op na, waarmee hij in 1992 definitief naam had gemaakt door te stellen dat ideologieën passé waren en dat een liberale democratie van de vrije markt een economische en persoonlijke vrijheid het best waarborgde. En al gaf hij in zijn boek aan dat scenario een open einde, hij zei er ook dat de posthistorie het bankroet inhield van kunst die maatschappelijk nuttig wenst te zijn.
Bij het hoofdstuk ‘Geen barbaar voor de poort’ bleef ik hangen. Fukuyama schetst daar een lange traditie van mensen en filosofische ideeën die zich kantten tegen technologische vooruitgang omdat ‘de beschaving’ daar niet mee gediend is. Hij verwerpt hun visie, zelfs nu oorlogen juist mét technologie tot grootschalige vernietiging hebben geleid. Bewust geonttechnologiseerde samenlevingen, zoals hij zich die tracht voor te stellen, hebben geen kans: ‘De goede staten, die hun lesje hadden geleerd en de onderliggende technologieën probeerden te beheersen, zouden nog steeds moeten leven in een wereld met slechte staten die de ramp als een mogelijkheid zagen om hun eigen ambities te verwezenlijken. En, zoals Machiavelli bij de aanvang van het moderne tijdperk al zei, de goede staten moeten zich richten naar de slechte als ze willen overleven en als staat willen blijven bestaan. Ze zullen een bepaald technologisch niveau moeten handhaven, al was het maar om zichzelf te verdedigen, en ze zullen de technologische innovatie in de militaire sfeer moeten stimuleren als hun vijanden dat ook doen’.
Om een lang verhaal kort te maken, dit zou ik willen confronteren met een gedicht, niet om het te vermorzelen maar om het op te laden en te zien wat het dan aan mogelijkheden biedt:
Aanvankelijk afhankelijk van de stand van zijn vleugels
beurtelings een donkere en een lichte stip
brengt deze vogel mij naderbij zijn naam in herinnering;
lachstern, het strand reikt tot waar de zee begint.
(uit: Gerrit Bakker, Ommekeer. Amsterdam 1975)
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
bsjz sithqb qgnwu psthcmdnu vlfdkenpt crgmhoink wtgum
Geplaatst door: jkzx zctrbj | 17-2-09 om 18:30