Perdu organiseerde op 17 maart een programma onder de titel 'Bloemlezingen'. Daarin hielden drie auteurs – Tsead Bruinja, Henk van der Waal en Hans Groenewegen – een causerie over het voorwoord dat zij zouden willen schrijven bij een imaginaire bloemlezing. Hieronder, cursief, de aankondigingstekst van Perdu, gevolgd door de causerie van Hans Groenewegen. Met de andere twee inleidingen zal deze tekst in Pampus, het literaire huisblad van Perdu, verschijnen.
Aankondigingstekst
Wie de vele bloemlezingen die in Nederland verschijnen overziet, kan het niet ontgaan dat de meeste van deze bloemlezingen hun keuzes maken aan de hand van andere criteria dan poëëticale. Zo zijn er canonische bloemlezingen, die pretenderen niet op stijl of programma te selecteren maar alleen op een meestal niet nader omschreven begrip van 'kwaliteit', generatiebloemlezingen die vooral selecteren op leeftijd, bloemlezingen die een overzicht geven van de poëëzieproductie van een bepaald jaar, en een eindeloze stroom themabloemlezingen die selecteren op buitenpoëëtische thema's als liefde, dieren, en ga zo maar door. In veel bloemlezingen treffen we voorwoorden aan waarin wordt uitgelegd dat er niet op poëëticale gronden is gekozen om de pluriformiteit van de Nederlandse poëëzieproductie geen onrecht aan te doen. Er wordt dan wel gekozen, maar niet aan de hand van openlijk verantwoordde criteria. In de tijd van Paul Rodenko ging dat anders. Zijn beroemde bloemlezingen Nieuwe Griffe!ls, Schone Leien en Met Twee Maten boden een scherpe keus met een heldere strategische bedoeling, en waren vergezeld van uitgebreide essays waarin de keus van de bloemlezer werd verantwoord, en die een standpunt innamen, een visie boden op wat poëëzie kon zijn. Zijn dergelijke bloemlezingen nog mogelijk in een poëëtisch veld dat meestal vooral als extreem pluriform wordt gezien? Perdu neemt de proef op de som en vroeg Tsead Bruinja, Hans Groenewegen en Henk van der Waal om een voorwoord te schrijven bij een imaginaire bloemlezing.
Causerie Hans Groenewegen
De aankondiging voor vanavond is in velerlei opzichten misleidend. Ze stelt ''de vele bloemlezingen'' die in Nederland verschijnen, tegenover de twee beroemde van Paul Rodenko. De ''vele bloemlezingen'' zouden voor hun selectie andere dan poëticale criteria hanteren, zij zouden niet selecteren op ''stijl of programma'' maar op een ''meestal niet nader omschreven begrip van 'kwaliteit' '' Kwaliteit wordt daarbij nogal omineus tussen aanhalingstekens gezet. Paul Rodenko daartegenover biedt ''een scherpe keus met een heldere strategische bedoeling''; en in zijn essays verantwoordt hij die keuze en neemt hij een standpunt in met een visie op wat poëzie ''kan zijn''.
Voor ik u mijn eigen imaginaire bloemlezing presenteer - nu misleid ik u, ik zal u zoveel bloemlezingen presenteren als de tijd mij toelaat en een daarvan is niet eens onzichtbaar, hij bestaat en u kunt er zelf u verbeelding in loslaten - voor ik u mijn onzichtbare bloemlezingen presenteer, zal ik even bij de misleidingen stilstaan.
De eerste misleiding zit hem in de gedachte dat wie geen verantwoording aflegt - wil of kan afleggen - geen poëtica zou hebben.
De tweede misleiding zit hem in de gedachte dat wie het woord poëtica niet gebruikt
- of het misschien zelfs afwijst - geen poëtica heeft.
De derde misleiding beperkt het begrip poëtica tot ''stijl en programma''. Volgens mij is de poëtica het geheel van expliciete en impliciete opvattingen over aard, functie en functioneren van poëzie. Laat iemand die alleen het kwaliteitscriterium hanteert maar eens uitleggen waarom bepaalde gedichten goed zijn, zonder dat hij het zo noemt legt zij haar poëtica voor u op tafel - al is het maar met een ''eh, nou gewoon'', de poëtica paupertatis.
Een vierde misleiding ligt in de scherpe postulering van de tegenstelling van de ''hedendaagse bloemlezingen'' tegenover de bloemlezingen van Paul Rodenko. Goed, hìj verantwoordt zijn keuzes.
Maar hij hanteert evengoed het kwaliteitscriterium. Dit schrijft hij in zijn inleiding van Met twee maten: ''Deze eerste afdeling wil dus een beeld geven van het beste, dat er de laatste halve eeuw in Nederland en Vlaanderen aan poëzie is geschreven. De bloemlezing begint met Verwey en eindigt met Lodeizen.''
Kwaliteit is de ene maat van deze bloemlezing. De andere maat, die uitgangspunt was voor het tweede deel, is de verdeling tussen wat hij ''warm'' en wat hij ''koud'' noemt. Warm is is de poëtische taal en techniek die in een periode bepalend is. Hoe verder weg, hoe kouder. Warm voor hem zijn de jaren vijftig, zijn is de taal, techniek en wereldopvatting van de experimentelen. Hij wil met dat tweede deel vooral laten zien dat die experimentelen niet uit de lucht kwamen vallen. In het licht van de experimentele poëtica komt ook de poëziegeschiedenis er anders uit te zien. Toch weerspiegelt voor Rodenko het geheel van die geschiedenis, in al zijn varianten en facetten, de mythe van wat hij noemt de daadwording van het Woord. Dat is zijn definitie poëzie: de mythe van de daadwording van het Woord met een hoofdletter 'W'.
Misschien is het niet misleidend om Rodenko's verantwoordingen strategisch te noemen, maar het zou misverstandelijk zijn als het woord 'strategisch' de suggestie zou wekken dat ze polemisch zijn. Rodenko kiest voor de pedagogische weg. Hij wil laten zien wat er in poëzie op het spel staat, voor welke problemen dichters staan en hoe de oplossingen eruit zien die de verschillende dichters in de verschillende perioden uitproberen.
In die zin is hij misschien polemisch dat hij er vanuit gaat dat elke serieuze dichter
in welke periode dan ook experimenteert. Maar hij zou zeker niet de stelling voor zijn rekening nemen dat experiment en kwaliteit in een één op één verhouding met elkaar staan.
Rodenko is eigenlijk alleen polemisch voor die mensen die vinden dat expliciet nadenken over de aard, functie, functioneren en kwaliteiten van de verschillende verschijningsvormen van de poëtische mytheoverbodig is. Maar die mensen ervaren (elk pleidooi voor) zowel leren als afleren, als een niet te tolereren aanval op hun selbst verschuldete Unmündigkeit zoals dat in de Verlichting werd genoemd.
Ik wil u nu een aantal onzichtbare bloemlezingen voorstellen. Ik heb ze ontworpen
om mijn impliciete poëtica te verhelderen.
Eerst een vooronderstelling waar ik bij het ontwerpen van de verschillende bloemlezing op stuitte: Poëzie is voor mij een eigenstandige kunstvorm en een eigenstandige kenvorm. Dat ontslaat haar van de plicht om dat te doen wat andere kunstvormen doen. Zij verliest haar potenties als ze de overbekende manieren om de werkelijheid waar te nemen louter reproduceert. Dat neemt niet weg dat ik de grenzen van de kunstvormen en de relatie tussen poëzie en andere werkelijkheidspercepties in de volgende reeks onzichtbare bloemlezingen wil onderzoeken.
Ik hanteer voor mijn bloemlezingen twee regels:
De eerste regel luidt: gedichten worden zonder de namen van de dichters opgenomen. Ik dank deze gedachte aan een dichter/essayist wiens naam ik hier niet zal noemen. In een enkel geval maak ik een uitzondering op die regel.
Laat ik van die enkele gevallen er meteen maar één noemen. De werktitel van een van die bloemlezingen is KIELZOG. Hij bestaat uit twee afdelingen. De ene afdeling opent met een formatie van gedichten van Zbigniew Herbert. De andere afdeling opent met een formatie van gedichten van John Ashberry. De namen van de Nederlandse en Vlaamse dichters van de gedichten die ik daar achteraan laat varen, blijven onvermeld. Het gaat het erom zicht op de záák te krijgen.
De tweede regel die ik hanteer luidt: ik lees pas bloem als een dichter drie bundels heeft gepubliceerd. Met dat principe bied ik beginnende dichters de ruimte en de tijd om op zoek te gaan naar hun eigen probleemstelling. Terugblikkend vanuit de derde bundel kun je die probleemstelling in het debuut herkennen. Deze regel is een pleidooi voor vertraging en reflectie, een pleidooi om tussen het schrijven door ook eens wat te lezen en herlezen, al was het maar jezelf.
Maar ook op deze regel wil ik een uitzondering maken. Uiteindelijk gun ik iedereen zijn plaats in een onzichtbare bloemlezing, ook de beginnende of nauwelijks begonnen dichter. De werktitel van deze bloemlezing is SPIEGELPALEIS. Al deze dichters nodig ik uit gedichten te schrijven in de spiegel van het werk van dertig Nederlandse en Vlaamse voorgangsters en voorgangers. De namen van die voorgangers en voorgangsters maak ik niet bekend, ook niet aan de uit te nodigen dichters. Ik geef hen de anonieme teksten en krijg anonieme teksten terug.
Om ze over de streep te helpen, citeer ik in mijn uitnodigingsbrief uit een paragraaf van Rodenko's Met twee maten, en wel de paragraaf 'De toekomst ligt in het verleden'. Daarin betoogt Rodenko dat de poëzie van de voorgangers van de experimentelen ''hier en daar, en in meerdere of mindere mate, trekken <vertoont> die de experimentelen bekend voorkomen, problemen die zij als hun eigen problemen herkennen – en die de oudere reeds op een bepaalde wijze poëtisch hadden opgelost. En meer nog: het gaat er niet alleen om dat het in het algemeen 'nuttig' geacht mag worden kennis te nemen van vroegere resultaten, maar men kan het zelfs zo stellen, dat de confrontatie van eigen oplossingen met oudere, anderssoortige oplossingen in feite tot de enige werkelijk experimentele, proefondervindelijke, beantwoording van de vraag 'wat nu?' leidt (..) buiten de confrontatie met het verleden zijn er op deze vraag alleen abstracte, dogmatische antwoorden te geven.''
Als deze onzichtbare bloemlezing een succes wordt dan nodig ik hen vervolgens uit voor deel twee van SPIEGELPALEIS: gedichten in de spiegel van dertig buitenlandse dichters.
Gaan we door met de concrete antwoorden op de problemen waar dichters voor staan, in de vorm van de onzichtbare bloemlezingen.
De werktitel van de derde bloemlezing luidt BLOEMBED.
Zoals ik al zei, is poëzie voor mij een eigenstandige kunstvorm. Gedichten staan niet op zichzelf, zij staan in relatie tot andere gedichten. In deze bloemlezing wil ik bundels als geheel onder de aandacht brengen.
Er zit een polemisch kantje aan die opzet. Er worden naar mijn waarneming te veel gelegenheidsgedichten gemaakt – ik heb boter op hoofd, in mijn vorige bloemlezing gaf ik zelf ook aanleiding tot duizenden gelegenheidsgedichten, die de dichters in kwestie wellicht zelf bijeenvegen in een bundel om maar snel drie bundels te hebben, zodat ze voor andere bloemlezingen in aanmerking komen.
De mogelijkheden die de ruimte en het tijdsverloop van een bundel bieden, worden vaak veronachtzaamd. BLOEMBED zal een krachtig pleidooi zijn voor de dichtbundel als poëtisch project in plaats van een vergaarbak van de min of meer toevallig geschreven gedichten uit de periode waarin een dichter op de dichtbundelwachtlijst van zijn uitgever staat.
Deze gedachte verklaar ik ook van toepassing op het fenomeen van de bloemlezing zelf.
Of het nu gaat om een zichtbare of onzichtbare bloemlezing, voor de bloemlezer zou het een uitdaging moeten zijn er meer van te maken dan een willekeurig bij elkaar geharkte verzameling. Neem bijvoorbeeld een thema, zeg oorlog – op voorhand heb ik niets thematische bloemlezingen – je kiest een bepaalde periode, bijvoorbeeld vanaf 1989 tot nu, omdat in 1989 een einde kwam aan de Koude Oorlog en het aloude fenomeen van de oorlog zich in onze perceptie herschikte; je inventariseert wat in Nederland en Vlaanderen aan sporen van oorlog in de poëzie is terug te vinden. Van daaruit kijk je terug naar het thema. Je brengt geledingen in je thema aan en componeert met al die verschillende dichterlijke stemmen een veelvoud van boeken in één bundel. Met dat ene specifieke thema ontwikkel je dan niet alleen een fijnmazige perceptie van vele aspecten van de oorlog, je laat zien tegenover een heel beperkte opvatting van ''ertoe doen'' zien dat poëzie ertoe doet voor wie zich aan haar gelegen laat liggen, en voor binnen de totaal opvatting van ''ertoe doen'' wordt zichbaar dat heel veel gedichten in hun nieuwe context een andere zeggingskracht krijgen. Misschien gaan sommige gedichten wel voor het eerst tot bepaalde lezers spreken. In contrast of aanvulling belichten heel verschillende poëtica's elkaars functioneren.
VREDE IS ETEN MET MUZIEK, dit keer geef ik u geen werktitel. Deze bloemlezing bestaat al. Hier in de zaal is zij onzichtbaar, maar hij is te vinden en verkrijgbaar in de boekhandel, ook die van Perdu.
Om de grenzen van de poëzie te onderzoeken en te overschrijden, maak ik een apart reeksje GRENSOVERSCHRIJDINGEN. In één van de delen van die reeks komen de prozagedichten aan de orde. Ik maak een wat ruimere selectie dan Jan-Willem van der Weij in zijn 'Poëzie in proza'. In een onzichtbare bloemlezing heb je nu eenmaal wat meer ruimte. Dus kan ik enkele romans en essays opnemen die zo dicht zijn van taal zijn dat ze niet louter twee dimensionaal gelezen kunnen worden. En ik neem gedichten in vrije verzen op, die zo los zijn dat ze mijn taalgevoel totaal koud laten.
Een ander deel van dit reeksje heeft de werktitel TWIJFELAARS. Daarin neem ik werk op van mensen die zowel poëzie schrijven als proza.
BEELD is een bloemlezing van dichters die ook schilder zijn. Het gaat me daarbij niet om het genre van het beeldgedicht, dat is een modieus genre waaraan ik mijzelf ook regelmatig bezondig. Ik wil erachter komen voor welke problematiek iemand het tekenpotlood kiest of de kwast of de klei, en voor welke het schrijfpotlood.
Multimediaal wordt het project GELUID. Nu kies ik voor dubbeltalenten die zowel componeren als dichten. De lezer kan de composities beluisteren in samenhang met de gedichten. Is die beroemde vermeende jaloezie van dichters op componisten terecht? Waar vergroten de muzikaal compositorische kwaliteiten van de dichter zijn of haar probleemstellende en oplossende vermogen in de poëzie?
Een speciale afdeling in deze bloemlezing is gereserveerd voor dichters
die een instrument bespelen. De klavecimbelspeler, zou die hetzelfde schrijven als de saxofonist?
Die laatste afdeling kan ik hergebruiken in de uitgave BLOEMLUISTERING. In dat altijd onzichtbaar blijvende boek wil ik een staalkaart laten horen van de manieren waarop dichters hun eigen poëzie voordragen, ik vrees dat het een wat eentonige uitgave wordt.
Ik stelde dat poëzie een eigen kenvorm is en dat zij haar potenties verliest als ze de overbekende manieren om de werkelijheid waar te nemen louter reproduceert. Of dat klopt en hoe dat werkt zou ik willen onderzoeken in een andere multimediale bloemlezing, ZAP & PSYCHO. Videoclips, stads- en autowegbeelden, praatshowfragmenten, soaps kunnen daarin gemonteerd worden met recente poëzie.
Ik moet afronden en daarom bloemlezingen laten rusten als TWAALF AMBACHTEN, waarin poëzie naar het andere beroep van dichters geordend wordt; GEBEKT, waar in de onderafdelingen poëzie bijeen wordt gebracht van mensen met dezelfde vooropleiding, stratenmakers bij stratenmakers, zeelui bij zeelui, filosofen bij filosofen, neerlandici bij neerlandici, voetballers bij voetballers (namen zouden we niet noemen, maar misschien is het wel verhelderend om de plaatsen waar de opleiding genoten is te vermelden – zoals in de onzichtbare bloemlezing WOON-OF-VERBLIJFPLAATS gedichten geordend kunnen worden naar de plaats waar de dichter verbleef of woonde toen hij ze schreef, omdat het om de zaak gaat, is het wel van belang dat traceerbaar is in hoeverre de poëzie die mevrouw X in Drachten schreef, veranderd is na zijn verhuizing naar Venlo – of de PASSAGEWERK, waarin gedichten worden gecombineerd met theoretische teksten, politieke teksten, filmbeelden, journaalbeelden, documenten, bouwtekeningen, videoclips, geluidsfragmenten; ook kan ik niet ingaan op experimenterende bloemlezingen als DIGI-TAAL, of PODIUM ALS PEN, DE DRIE POLEN (niet etnisch bedoeld, maar de drie hedendaagse dichters waarnaar bijna alle anderen zich richten), HORROR VACUI (de drie dichters waarvan het goed zou zijn voor hun eigen probleemstellende en oplossende vermogen als collega's zich eens naar hen zouden richten). Als deze en vele andere onzichtbare bloemlezing waarvan mijn voor u niet zichtbare bureua en boekenkasten uitpuilen, kan ik hier niet meer uitwerken.
Maar eentje, een onzichtbare bloemlezing wil ik tot slot nog noemen. Dat is de bloemlezing zonder naam. Daarin zal ik gedichten bloemlezen van de talloze bloemlezende dichters. We weten dat lezers bijna alleen maar bloemlezingen kopen. Dus wie niet gebloemleesd wordt, bestaat niet.
Met deze bloemlezing zou ik mijzelf, Tsead Bruinja, Henk van der Waal en al die andere collega's die fatsoenshalve zichzelf, omdat ze bloemlezers zijn, nooit bloemlezen, van de vergetelheid kunnen redden, ware het niet dat ik me eerder vanavond aan de stricte anonimiteit van de gekozen gedichten heb gecommitteerd. Dus deze laatste wordt een naamloze bloemlezing van verweesde dichten, die de zaak van poëzie als zelfstandige kunst- en kenvorm volledig is toegedaan.
© Hans Groenewegen, 2006
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Reacties