5b. De toekomst
In dit vervolg op het vorige halflogje, een beperkt verslag van een nummer van de Poëziekrant over poëzie en onderwijs, en een wegwijzer naar het nieuwste nummer dat verschijnt in een nieuwe vormgeving.
De Poëziekrant is van vormgeving veranderd, ze is verstrakt en verknapt, verdomd als het niet waar is. Over de inhoud zo meteen, maar eerst de vormgeving. Het omslag ziet er strakker en eigentijds uit. Mat: gedaan dus met de glans die een enkele intellectueel op een glimmend dwaalspoor bracht. Zowel de naam op het omslag als de titels binnenin zien er knapper uit dan in de vorige nummers. Doordat ook de binnenbladzijden niet meer glimmen, en het licht niet reflecteren, lezen de teksten makkelijker.
Negenzeventig bladzijden uitsluitend aan de dichtkunst gewijd, van Noord en Zuid, van mannelijke en vrouwelijke dichters. Er zijn gedichten van Peter Theunynck, Maria Barnas, Chris Honingh, Hendrik Carette, Al Galidi, Onno Kosters, Pieter Jan Gijsberts, Stevie Smith (vertaald door Katelijne De Vuyst) en nieuwkomer Sofie Verdoodt. Er zijn twee interviews (met Maria Barnas, en Albertina Soepboer), maar veel meer beschouwingen. Er is een uitgebreide recensie over Het ei in mezelf van Philip Hoorne en een over de nieuwe bundel van Esther Jansma Alles is nieuw. Ook de enige bundel van de nog voor haar debuut overleden Els Leemans wordt uitvoerig belicht. In de serie De lezer komt een gedicht van Antjie Krog aan bod. In dit nummer ook korte recensies over Jan G. Elburg, Liesbeth Lagemaat en Stefan Van Den Bossche’s biografie van Jan Van Nijlen.
Verder is er een beschouwing over polypoëzie: ‘Met de benaming polypoëzie wordt letterlijk poëzie met veel mogelijkheden bedoeld. Poëzie die gebruik maakt van alle mogelijke talige uitingen (dus niet alleen woorden), die eventueel op een zinvolle manier (multi)media en performancekunst benut, die ook de tradities van niet-westerse wereldculturen onderkent en die niet noodzakelijk gebonden is aan het fenomeen boek.’ Van 17-22 april loopt er in Gent een festival omtrent polypoëzie (http://www.krikri.be). Ook nog in dit nummer, een stuk over de Engelse vrouwelijke dichter Stevie Smith. En zoals gebruikelijk is er de informatieve rubriek van Eva Cox. Nieuw is een column van Geert van Istendael, ditmaal over Hölderlin. Het nieuwe nummer is voor nu en straks, en naar ik uit goede bron vernomen heb, staan er nog fijne verrassingen te wachten bij de Poëziekrant. Mocht u ondertussen graag de essays van bijvoorbeeld Yves T’Sjoen lezen; u kunt voor korting op aankoop op zijn en andere boeken ook in dit nummer terecht.
In het vorige nummer kwam het poëzieonderwijs aan bod. De combinatie poëzie en onderwijs is allesbehalve evident. School betekent kinderen, en hoewel kinderen in de volksmond wel eens van poëtische gaven voorzien worden, zijn ze geen dichters, en meestal ook geen poëzielezers. Een dichter schrijft meestal niet om kinderen of groter, halfwas grut te verrassen, te ontroeren, te choqueren of op een andere manier voor de poëzie te winnen. Dichten is om de scherpe randen van de taal af te tasten, aan de frontlinie van de werkelijkheid. Kinderen komen daar niet aan te pas. Scherp gesteld: dichten heeft met het onderwijs niets te maken.
Uiteraard echter waren we ooit ook zelf halfwas wattendonzige kalveren, en een aantal van ons zijn op hun beurt met hun leven in de wattendons gevallen. En op een enkele après-nous-la-neige neiging (wanneer, o wanneer wordt het nu lente?) niet te na gesproken, beseffen we ook wel dat het halfwas donzige grut van nu onze toekomst is. Het nummer van Poëziekrant over poëzie en onderwijs valt in deze mildere visie niet in slechte aarde, want zonder onderwijs geen nieuwe dichters of lezers van poëzie. Dat er over dit onderwerp nogal wat bijeen te schrijven is, bewijst dit nummer (6, 2005) waarin verschillende stemmen uiteenlopende visies vertolken. Ik rapporteer eerst over de invloed van een lesgevende dichter, dan over de neerslag van een lezing in het Poëziecentrum over geletterheid, digitalisering en poëzieonderwijs, om te eindigen waarmee ik begonnen ben: hoe een dichter het onderwijs en poëzie niet makkelijk aan elkaar koppelt. Voor de lezenswaardige verslagen van leerkrachten die met poëzie kreatief en kunstoverschrijdend aan de gang gaan, verwijs ik u graag naar het nummer zelf.
Tom Lanoye (met chronologische fotogalerij van diverse hippe brillen) vertelt over de invloed van een dichter als leraar Nederlands. Hij kreeg net als Paul Snoek, Dirk van Bastelaere, Erik Spinoy en Chris de Stoop les van dichter-priester Anton van Wilderode. Dat er zoveel schrijvenden uit die lessen gegroeid zijn, is volgens Lanoye geen toeval. Lanoye omschrijft Van Wilderode als iemand die vooral literaire kwaliteit vooropstelde en leerlingen zin gaf om te lezen. Het leerplan werd daarbij aan de kant geschoven: ‘Dankzij hem heb ik vrij jong Claus, Lodeizen, Van Ostaijen, Dostojevski, Unamuno en Knut Hamsun ontdekt. Fucking goeie boeken, die hij niet verpeuterde en verkleuterde, maar voorlas als een meester die van intellectuele gelijkheid uitging.’ Dat laatste lijkt me van groot belang. Enthousiasme is één zaak, maar met poëzie kun je meer doen dan alleen maar enthousiasmeren en gevoelens aanspreken. Over de bespreking van poëzie in de klas meent Lanoye: ‘Je moet technisch durven gaan, alleen hebben weinig leraren die bagage.’ Lanoye is het hierbij niet eens met Ed Leeflang die meent dat lesuren aan toegankelijke dichters besteed moeten worden, met wie leerlingen voeling hebben: ‘Absoluut niet mee eens. Je moet mensen net tot bij de grenzen brengen, waar ze niets meer begrijpen, (…).' Hij vindt wel dat alle middelen geoorloofd zijn om jongeren zover te krijgen dat in een dergelijke ontdekkingstocht zin krijgen, en schuwt daarbij de populaire cultuur als appetiser niet: ‘Grenzen zijn er om te verleggen, maar je moet natuurlijk eerst, captatio benevolentiae, de welwillendheid grijpen, het aandachtige oor vastpakken.’
De tweespalt tussen jongeren die zich voornamelijk voor de populaire cultuur interesseren en de noodzaak in het onderwijs geletterdheid in de diepere culturele en hier vooral literaire zin van het woord mee te geven komt uitgebreid aan bod in het essay van Ronald Soetaert en André Mottart van de vakgroep onderwijskunde van de Universiteit Gent. Het essay geeft geen antwoorden, maar biedt een positieve invalshoek op de vragen die erin besproken worden. De tegenstelling tussen boekencultuur en digitale cultuur wordt door hen verzacht. Om te beginnen wordt er al op gewezen dat het de boekdrukkunst was die boeken een aparte status gaven en woorden, beelden en muziek uit elkaar haalden.
Een eerste vraag die positief benaderd wordt, is die van de selectie in het literatuuronderwijs. De auteurs geven een beeld van hoe het er vroeger aan toe ging: chronologisch opgezette literatuurbeschrijvingen waarin vooral de culturele identiteit van het eigen volk benadrukt werd. Doordat veel nu in een ruimer, Europees perspectief bekeken wordt, kan er een vruchtbare confrontatie tussen de eigen literatuur en die van andere (uiteindelijk ook niet-Westerse) landen tot stand komen. Ton Lemaire wordt daarbij geciteerd, en het citaat is een herhaling waard: ‘Wat verdedigd zou moeten worden is de cultuur van de twijfel en van de kritische geest, en daarmee dus de klassieke idee van de autonomie en de authenticiteit van het denken. (…) Die instelling betekent de weigering om te capituleren voor de dictatuur van de opinie van de meerderheid, voor het irrationalisme en de infantilisering van het denken, voor de verstrooiing en het oppervlakkige hedonisme, kortom voor de alledaagse banaliteiten van onze samenleving. Deze kritische cultuur of cultuur van de kritiek impliceert de rusteloosheid van een niet-afgeronde identiteit.’
Die cultuur van de twijfel impliceert wel dat alles kritisch bekeken kan worden, ook de visie die stelt dat jongeren geen boekencultuur meer hebben en dus aan geletterheid verliezen. De auteurs vinden daarbij dat het leesplezier in het onderwijs te vaak op de achtergrond bleef, en dat leesplezier niet hoeft te ontaarden in een keuze die uitsluitend op de subjectieve voorkeuren van de leerlingen gericht is. Leerlingen van nu zijn op een andere manier geletterd dan leerlingen dat vroeger waren, en een neerkijken op deze beeldgeletterheid, deze zogenoemde multipele geletterdheden (multiliteracies) is niet de weg vooruit. De digitalisering van de cultuur is een feit, en terwijl sommigen hiervan niet willen weten, is er al lang een nieuwe vorm van kunst onstaan, hetzij digitale kunst, hetzij kunst die digitaal gegaan is. Over de afkerigheid hiertegenover: ‘Het is verbazend (maar begrijpelijk) dat sommige critici die de avant-garde steeds omarmen, deze keer de nieuwe avant-garde afwijzen.’ De auteurs halen daarbij knap Robert Musil aan die de beperkingen van het boek aan de kaak stelt: ‘(D)e fout van dit boek is, dat het een boek is. Dat het een kaft heeft, een rug, paginering. Men zou een paar bladzijden eruit tussen glasplaten moeten uitspreiden en ze van tijd tot tijd wisselen. Dan zou men zien wat het is.’ Dat de nieuwe beeldcultuur van bijvoorbeeld computerspellen educatieve en culturele waarde heeft, werd in 2003 (1) al betoogd. Ondertussen ving ik zelf wetenschappelijke rapporten op over de intelligentiebevorderende aspecten van deze spellen. De auteurs van dit essay pleiten voor een samengaan van de verschillende vormen van geletterdheid, niet voor polarisering.
Vervolgens wordt er ingegaan op het fenomeen van het weblog. Het wordt als een nieuw literair genre geponeerd, verwant met het dagboek. De gevolgen ervan, democratisering door ruime publicatiemogelijkheden en mogelijke trivialisering als uitloper daarvan, worden alweer positief benaderd. Op een weblog kan er met taal in de ruimste betekenis van het woord (woord, beeld, klank) worden geëxperimenteerd. De auteurs zijn wars van cultuurpessimisme en vinden dat leesbevordering en literatuuronderwijs zeker op boven beschreven nieuwe trends kunnen inspelen.
Over poëzie en onderwijs eindig ik met de bezwaren van dichter en criticus Kris Pint tegen poëzie op school. Hij vindt de taal van poëzie niets te maken hebben met de taal van en in het onderwijs en meent dat goedbedoelde pogingen van leerkrachten om alles uit te leggen vaak het belangrijkste over het hoofd zien, het onvatbare van poëzie: ‘Terwijl net die delicate gave van het onbegrip misschien wel het belangrijkste is wat poëzie lezers te bieden heeft, het besef dat goddank niet alles te vatten valt.’ Zijn tweede bezwaar tegen poëzie op school geldt de verleiding om alleen poëzie te kiezen die aansluit bij de leefwereld van de scholier. Hij pleit ronduit voor een herwaardering van Latijn en Grieks op school, omdat krachtige teksten krachtig blijven, ook voor de nieuwe generaties. Een derde punt dat Pint negatief aanhaalt ivm poëzie op school, ligt buiten de wil van de leerkracht om: poëzie heeft vaak een uitgestelde werking.
Toch besluit ook Pint dat poëzie onmisbaar is op school: ‘Want hoezeer ik ook wil geloven dat de ontdekking van de poëzie mijn eigen ontdekking was, door geen schoolprogramma ingegeven, ik bezat geen aangeboren kompas dat me automatisch naar de poëzieafdeling van de openbare bibliotheek zou leiden.’ Gedetailleerd advies voor leerkrachten over het internet en poëzie, en impressies van hoe leerkrachten van alle leeftijden poëzie op dit moment aanpakken in het Vlaamse onderwijs, vindt u in het nummer zelf. Hun aanpak is allesbehalve saai of oppervlakkig. Ik wil niet meer terug op de schoolbanken, maar ik heb er vertrouwen in dat ons onderwijs dichterlijk talent niet zal verwaarlozen.
(1) Gee, J.P. What video games have to teach us about learning and literacy, New York, Palgrave/Macmillan, 2003 (uit de bibliografie van het bronartikel in de Poëziekrant).
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Interessant dilemma: moet je een 'knieval' maken voor leerlingen of juist niet – in beide gevallen, leert mijn ervaring als gastdichter, bereik je hoogstens een paar procent van de leerlingen wezenlijk en beschouwt de rest je als een curiosum die een welkome afwisseling verzorgt in het ons nog zo bekende grijze middelbare scholenbestaan.
Hoe dan ook daadwerkelijk enthousiasme is het enige waarmee je wat bereikt.
Geplaatst door: Ruben van Gogh | 25-3-06 om 10:54