5 a. Uit het verleden
Hoe was uw schooltijd? Een gebenedijde Goetheaanse Bildungservaring? Een proefondervindelijke inleiding tot de dictatuur van de tijd? Iets gemoedelijks muisgrijzigs tussenin?
Uw logjesschrijver zat braaf en dankbaar en gestresseerd in een donkerblauwe nylon schort, met lang sluik vet geel haar en een jaren-zeventig uilenbril veelal blozend achter wat toen nog een schoolbankje met een openklappende buik vol leerboeken was, in een nonnetjesschool met allemaal meizen. Er waren nogal wat raadsels. Het leven van de andere meizen. Het leven van de niet-aanwezige niet-meizen. De geur van de gehate gymzaal. De wiskundeles: ettelijke uren abstract wereldvreemd denken, zo overviel het me en ik besloot na een tijd dat er wiskundelessen waren zodat er wiskundeleerkrachten konden worden opgeleid die dan weer wiskundelessen konden geven. Een perfecte cirkel waarin ik uiteraard niet verondersteld werd te haperen en bijgevolg woordloos blozend meedraaide. Tot ik mijn denkfout inzag en met een schok bedacht dat de wereld aan elkaar hing van de wiskunde. Een perfecte bol. En hoe de wiskunde zich als water in communicerende vaten van het ene realiteitsvat naar het andere hevelde. En alles verder uitdijde, de ruimte in, een perfect zwart gat.
En hoe zat het eigenlijk met de poëzie op school? En hangt de wereld ook van de poëzie aan elkaar? In vergelijking met wiskunde kwam poëzie me voor mijn denkschok even nutteloos over. Erna nog meer. Poëzie leek me een vorm van moeilijkdoenerij en woordelijke aanstellerij die, terugkijkend, op dit eigenste moment en op deze plek nog het best vergeleken kan worden met de aanstellerij van mensen die menen te menen dat er ook maar iemand geïnteresseerd is in hun schoolverleden, persoonlijke voorkeuren en wat er zo nog al in bloosloze woordvolle columns allerplekke gelezen kan worden. Het weze alvast volmondig gezegd: met poëzie draait de wereld vierkant.
We hadden nochtans prima leerkrachten Nederlands. Een van hen had zelfs een speciale belangstelling voor de poëzie en ik ben er nog niet uit of dit nu een poëziegunstige dan wel een poëzienadelige zaak was. Ze leerde ons Van Ostaijen kennen, o.a. uiteraard het gedicht met de maan en de man en de zee. Zij las het voor en wij dienden met ons hoofd tussen onze armen op de schoolbanken te luisteren. Uit mijn schoolstemmingen, te weten: braaf, dankbaar en gestresseerd, ontlokte het zonder meer de laatste. Ik bekeek de doffe donkerte van mijn bij daglicht blauwglanzende schortmouwen en zag in gedachten iedereen met heur hoofd op heur bank liggen. Niks man en maan en zee, maar blauwschortmeezemeisjes met geknikte kopjes op banken met de buik vol leerboeken. Vroeg me af of mijn medeleerlingen wat anders beleefden dan de doffe donkerte hunner schorten. Ik alvast niet.
Dit, u had het al begrepen, als lanterfantende en volstrekt overbodige inleiding op een zaak die evenwel voor ons en ons nageslacht van belang is: de poëzie op school, ofte het poëzie-onderwijs. In de laatste Poëziekrant van 2005, met op de cover de onvermijdelijk hypertrendy bebrilde Tom Lanoye, in zwart glanzend ruimtepak, een uitgebreid dossier hierover. En nu even geen gezeur over glossy bladen, hypertrendy brillen, en glanspakken want als het onderwijs geen maatschappelijk verantwoord onderwerp van debat is, dan weet ik het niet meer.
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Reacties