Er mocht worden gefeest in Gent: niet alleen is het Poëziecentrum enkele jaren geleden van een krappe herenwoning in de Hoornstraat verhuisd naar het Toreken op de Vrijdagmarkt, het tweemaandelijkse magazine Poëziekrant bestaat dertig jaar, en het centrum een kwarteeuw. Ik heb ontzag voor die onderneming. Het is goed voor de promotie en de verspreiding van poëzie dat een dergelijk commercieel oninteressant maar voor de poëzie belangwekkend initiatief, vaak tegen de stroom van beleidsmakers in, kan blijven overleven. Niet alleen beheert het Poëziecentrum het rijkste specifieke poëziearchief in ons taalgebied, daarenboven organiseerde en organiseert het manifestaties die de verspreiding van poëzie ten goede komen.
Vandaag bestaan de ‘Middagen van de poëzie’ nog, en op de jaarlijkse Gedichtendag pakt het centrum genereus uit met zijn publiekswerking. Alleen was al eerder duidelijk geworden dat het zich op die evenementen niet moest toeleggen: andere organisaties doen dat professioneler, véél beter. Afbouw dus. Geen ‘Versmacht in de Nacht’ meer of andere marathonzittingen in ongemakkelijke stoelen of bij voorbaat verloren gevechten tegen de geeuw. Niet meer in de breedte werken, was de boodschap, beter beantwoorden aan de opzet van het oorspronkelijke centrum: een databank zijn voor de instituties in het literaire veld (literatuuronderwijs, -onderzoek, literaire kritiek etc.).
Maar zoals Erwin Mortier, Gents stadsdichter, in een dubbelinterview met Vlaams cultuurminister Bert Anciaux stelde, in een parafrase van de De Morgen-journalisten: 'Ja, maar dat krampachtig streven naar verbreding riekt naar [...] "gezelligheidsfascisme"' (4-5 februari 2006). Sinds enige tijd hebben we in het beleid van Poëziecentrum de uitwassen van die nivellering kunnen aanschouwen. Het beeld is niet meer fraai. Het poëziemagazine is een al even anachronistische als heterogene verzameling indrukken en ellenlange interviews geworden, en wettigt mijns inziens zijn bestaan alleen nog door de agenda’s en de informatieve rubrieken. Geen reflectie over poëzie en werkelijkheid, over de maatschappelijke inbedding van literatuur, of over de verhouding van poëzie en politiek bijvoorbeeld. En ook het uitgavenbeleid van de instelling is er een zonder gezicht.
Het centrum is een cultuurverspreidend huis, waarin 'mensen [zetelen] die hun eigenbelang aan het overschatten zijn,' zo stelde Mortier in datzelfde vraaggesprek in het algemeen. Die vaststelling geldt ook voor het Vlaamse poëziehuis: het is een centrum in velerlei betekenissen, en in elke zin achterhaald. Het huis wordt gedirigeerd door één persoon, weliswaar en na uitdrukkelijk verzoek van het Fonds voor de Letteren, omgeven door een raad van bestuur en een opstelraad, maar de beslissingen worden al 25 respectievelijk 30 jaar door de particuliere stem van die dirigent ingegeven. Zelfs de aanstelling van Mortier als Gents stadsdichter, overigens geen vergelijk met de wijze waarop de stadsdichter van Antwerpen kan opereren, is een eenzijdige (weliswaar wat de dichter zelf betreft toe te juichen) beslissing van de Gentse poëziesfinx geweest. Geen pottenkijkers, geen beoordelingscommissie, geen overleg: wat we zelf doen, doen we beslist beter.
Het huis wil ook duidelijk een centrum zijn: in werkingsdocumenten, werkverslagen, aanvraagformulieren die door het subsidieverstrekkende Vlaams Fonds voor de Letteren worden geëvalueerd, eveneens op de eigen webstek (www.poëziecentrum.be), wordt het Poëziecentrum de navel van het poëzielandschap in Vlaanderen én Nederland genoemd. Geen ironie, geen metafoor, neen: zo krampachtig als het letterlijk klinkt. Dat eigenbelang wordt niet alleen al jaren overschat, ik heb stellig de indruk dat in die slagzin het eigen belang nog wordt onderschat. Ik wijs daar zo meteen op in mijn beschouwing over het uitgeefbeleid.
Dat de nivellering al langer aan de gang is, lees je in elke aflevering van de Poëziekrant: alles komt aan bod, eigen dichters vaak ook eerst, en het onbeduidende of inmiddels al achterhaalde nog méér dan de vernieuwende tendensen, de opmerkelijke gebeurtenissen in het literaire landschap. Nee, geen verfrissende kijk op poëzie en haar kritiek, maar een klassiek schouwspel van onderhuids aanwezige romantische, klassieke opvattingen en olympische standpunten. Die tendens merk ik ook al vele jaren op in het uitgavenbeleid. Dat de keuze voor de uitgave van bundels door dezelfde dirigent wordt bepaald, spreekt voor zich. En die keuze wijst onmiskenbaar op natte vingerwerk, op een krampachtige poging de per definitie amateuristische uitgeverij Poëziecentrum een speler in het veld te laten zijn. Per definitie, omdat het VFL-focuspunt, vóór een paar jaar toch jaarlijks voorzien van een subsidiebudget van 250.000 euro, niet wordt betoelaagd voor de uitgeversinitiatieven, maar voor zijn eigenlijke didactische opdracht: het verstrekken van informatie, het ter inzage geven van (soms obscure, zeldzame) poëzieuitgaven en periodieken, het bijhouden van een imposant knipselarchief voor de belangstellende onderzoeker, leraar, poëzielezer, bloemlezer.
Kortom, dat gemeenschapsgeld wordt niet alleen op een oneigenlijke wijze aangewend voor taken die het centrum zichzelf toebedeelt, die het als een speerpunt beschouwt in zijn werking, maar die er geen zijn. Daarenboven wordt het op een bedenkelijke manier geïnvesteerd in manu- en typoscripten die elders zijn afgewezen, of die bij de commerciële uitgevershuizen geen schijn van kans zouden maken. Je kan je met recht en reden afvragen waar de urgentie schuilt van enkele recente uitgaven van poëziebundels: de kwaliteit is wel zeer wisselend, de bundels ook vaak inwisselbaar.
Niet alleen heb ik vragen bij die kwaliteit van het aanbod (enkele uitzonderingen niet te na gesproken), of de wijze waarop de bundels worden verzorgd en aangeprezen, maar ook bij het uitgavenbeleid zelf. En aangezien dat met gemeenschapsgeld wordt in stand gehouden, heb ik daar als belastingbetalende burger kritische vragen bij. Is dat beleid er überhaupt? En zo ja, kan iemand mij uitleggen welk profiel het heeft, hoe de uitgeverij zich in het hedendaags poëzielandschap tracht te profileren, of het eigenlijk wel ergens voor staat. Want dan zouden we kunnen achterhalen hoe noodzakelijk dat fonds van het Poëziecentrum is, hoe aanvullend of corrigerend het is naast de beleidsopties van andere, professioneel geleide uitgeverijen die poëzie in hun fonds hebben.
Heeft de dirigent een visie, een wijze van uitvoeren die ervoor zorgt dat hij een eigen stem vertolkt, dat de stemmen die hij onder zijn hoede heeft samenklinken? Ik moet een (bevredigend) antwoord schuldig blijven. Zijn het dan louter mercantiele overwegingen die de uitgavenpolitiek bepalen, is de dirigent een handelsreiziger in poëzie. Uit eigenbelang/eigen belang. Ja, alle uitgeverijen zijn natuurlijk markteconomisch opererende instituten, geleid door marketingstrategische agenda’s, maar ik heb een andere implicatie in mijn vraag gelegd. Moeten we dat mercantiele in het geval van Poëziecentrum uitdrukken in de vorm van zoiets als steekpenningen, belangenvermenging? Ik hoef hier geen namen te noemen.
Veel ander voordeel lijkt er mij trouwens niet in de uitgave van die vaak volstrekt overbodige poëzie schuil te gaan. Van dichters van wie werk is verschenen in het fonds van deze uitgeverij heb ik bevestigd gekregen dat de bundels die worden geredigeerd stuntelig worden gedrukt en uitgegeven. Als zetfouten een graadmeter mogen zijn voor dat gebrek aan respect voor het dichtwerk dat blijkbaar node moet worden gepromoot, dan heb ik zo mijn twijfels bij de urgentie van een en ander. Een uitgever geeft toch uit waar hij een onbaatzuchtige liefde voor koestert, zeker als het schier onverkoopbare gedichten betreft? En dat doe je dan toch op een liefdevolle wijze? Neen dus, niet in dit geval.
In ieder geval is in 1983 de uitgeverij opgericht om 'zoveel mogelijk nieuw talent te promoten'; daarom is destijds ook de vooroorlogse reeks 'De bladen van de poëzie' nieuw leven ingeblazen. Alleen, er bleek niet zoveel urgents aanwezig te zijn in die geadopteerde reeks opdat de overheid en het publiek veel fiducie hadden in het voortbestaan ervan. De reeks werd opgedoekt; immers, de meer urgente bundels verschenen in Nederland, bij de nog schaars overblijvende erkende Vlaamse uitgevers en wat dàn nog niet werd uitgegeven bij Poëziecentrum. Het was misschien ooit anders, maar het afgelopen decennium is het schrijnend wat allemaal verschijnt. En niet echt van nieuw talent dat node dient te worden gepromoot.
We weten al langer dat het uitgeverslandschap in Vlaanderen verschraald is, en dat het uitgeven van poëzie een missie is worden: nog enkele uitgevers, zoals Lannoo en P wagen er zich aan, maar ook die grotere uitgevers moeten afbouwen of een deelname in de productiekosten vragen. Lannoo zal zich voortaan trouwens richten op de poëziereeksen en van afzonderlijke poëzieuitgaven geen ultiem focuspunt meer maken. En terecht, want ook in dat fonds verscheen werk dat lang niet genoeg had gerijpt, dat te vroeg of te laat is uitgegeven. Die productiesteun kan alleen nog komen van de Vlaamse provincies, en steeds vaker van de dichters zelf (want zo ijdel is men vaak ook wel dat een en ander zelf wordt bekostigd).
Poëziecentrum houdt krampachtig vol, en kiest voor de breedte, dat 'gezelligheidsfascisme' (Mortier): populair, voor iedereen, niet bevragend maar de brede publieke smaak bevestigend, zelfs tegemoetkomend: stuk voor stuk onopvallende bundels, zonder eigen stem, slecht of niet geredigeerd, geen promotie (behalve in het onvolprezen huisorgaan en op de eigen webstek als navel van de eigen handelspraktijken), en elders geen jota waardig gegund. Misschien nog een internetsite, maar kranten, weekbladen, literaire tijdschriften geven beslist de voorkeur aan wat er echt kan toe doen, van klassiek tot innovatief.
Dat een reeks als 'Dichters van nu', in zijn vreemde samenstelling, kan blijven bestaan, is misschien wel voor sommige dichters een goede zaak. Maar dat er afzonderlijke bundels worden uitgegeven, is mij een compleet raadsel. Dan toch eigen belang, een krampachtige reflex, of pure navelstaarderij? Poëziecentrum wordt vooral een zelfspiegelend centrum, in een landschap dat al lang geen centrum meer verdraagt, niet nodig heeft, en zeker niet de uitgaven van bedenkelijke kwaliteit die vandaag vele gemeenschapscenten kosten omdat de dirigent zich in alle bescheidenheid onvoldoende wil toeleggen op zijn eigenlijke taak, de core business: zich ondergeschikt maken en de belangstellenden wegwijs maken. Niet per se zelf een speler willen zijn in een sterk veranderend landschap van poëzieproductie. Het instituut lijdt aan overschatting. Back to basics.
In Awater (jaargang 3, nummer 3, najaar 2004) stond een interview met Willy Tibergien ('de dirigent'), hem afgenomen door Thomas Blondeau. Daaruit deze passages:
'De hardste kritiek kwam van iemand die tien jaar medewerker was, criticus Yves T'sjoen. In 2002 publiceerde hij een scherp stuk over de Vlaamse poëziekritiek in het blad Revolver. De Poëziekrant noemt hij "populistisch" en "vanuit een reactionaire poëziebeschouwing geproduceerd". T'sjoen doceert aan de Gentse universiteit en werd door het dagblad De Morgen een van de tien belangrijkste mensen in het Vlaamse literaire landschap genoemd - mede vanwege zijn aanwezigheid in adviescommissies en jury's. "Tibergien en ik zijn weer on speaking terms. Mijn kritriek op de krant blijft echter wel gelden. Heer Tibergien beslist uiteindelijk alles. Dat het blad geen programatische inslag heeft, is waarschijnlijk de reden dat het nog steeds bestaat . Maar tegelijkertijd wordt alles maar goed gevonden."
Aanleiding voor de breuk was dat Tibergien T'sjoen aanvankelijk vroeg om hem op te volgen als hoofdredacteur, maar vervolgens schrok van zijn academische opvattingen. "Zijn beleid zou ertoe geleid hebben dat de krant nu niet meer zou bestaan. We hebben al een Yang in Vlaanderen en een Revisor in Nederland." Tibergien bleef hoofdredacteur. "De Poëziekrant is het laatste wat ik zal afstaan. Ik heb er ontzettend veel tijd, energie en geld in geïnvesteerd. Ik ben niet bereid om de krant door te geven aan iemand die er binnen de kortste keren voor zorgt dat er nog 100 abonnees over zijn. Dat ik soms een dichter publiceer die bij de connaisseurs niet hoog staat aangeschreven, neem ik voor lief. Ook connaisseurs vergissen zich.''
Addendum 1
Aangezien vooral Nederlandse poëzielezers het opiniestuk hebben gelezen, en hierop wensen te reageren, moet ik misschien toch voor buitenstaanders een en ander verduidelijken. Tegelijk is het een mogelijkheid de kritiek hier en daar scherper te verwoorden, en bijvoorbeeld zoals gevraagd in een reactie de naam van de protagonist ook expliciet te noemen. Iedereen, zelfs in Nederland, weet natuurlijk wel over wie het hier gaat.
Alleen al die vaststelling is een indicatie van een mistoestand: oprichter/directeur en centrum/periodiek zijn met elkaar vergroeid, 25 en 30 jaar lang, en dat lijkt me voor de dynamische werking en profilering van een goed betoelaagd instituut geen goede zaak. Overlegstructuur staat blijkbaar niet in het woordenboek, monopolie en dus halsstarrigheid zijn dan weer wel bijzonder duidelijk aangestreept.
Opiniestuk en addendum zijn pogingen een discussie te starten over het belang van het Gentse Poëziecentrum, dat voor mij buiten kijf staat. Alleen kan het beter, anders, als er een bereidwilligheid wordt getoond met verschillende partners in het veld samen te werken, en niet eigenwijs vast te houden aan de eigen uitgangspunten, de permanente verongelijktheid, van respectievelijk 30 en 25 jaar geleden.
Overigens, die doelstellingen zijn nog steeds het resultaat van een ander tijds- en literair klimaat. Tijd voor een actualisering van die uitgangspunten en finaliteit. Dat ik mij hier uitspreek heeft met respect te maken, voor de historiek van het zelfverklaarde centrum, dat het überhaupt wist te overleven. Maar andere ontwikkelingen vergen een nieuwe positiebepaling van het Poëziecentrum, en daar wil het blijkbaar niet voor gaan. Het oprichten van een digitaal archief en een eigen webstek is een magere tegemoetkoming aan deze oproep. Maar zijn wel noodzakelijke, didactische instrumenten die aan de eigenlijke doelstelling beantwoorden.
Het respect betreft ook het idealisme van de oprichter. Maar idealisme als verblinding, en als vergoelijking van een mistoestand, is geen vrijbrief voor het weren of neutraliseren van elke kritische noot. Het tegenargument is vaak dat Tibergien van de vzw Poëziecentrum zijn levenswerk heeft gemaakt, zoals ook blijkt uit de interviewfragmenten die in Awater zijn verschenen. Akkoord, maar die belangrijke realisatie verdient een goede, professionele voortzetting, en geen zelflegitimatie door telkens weer naar de wapenfeiten uit het verleden te verwijzen.
Idealisme is geen vrijgeleide van een laissez faire, laissez aller; voor een louter eigenmachtige besteding van overheidsgelden waar de poëzie en het poëzielandschap niet direct beter van worden. Ongeacht of het nu over anekdotische of metatalige poëzie zou gaan; het gaat me kortom niet over het poëziegenre dat al dan niet aan bod zou komen. Maar de wijze waarop een reeks uitgaven wordt bezorgd, waarin teveel tweede- en derderangswerk zit. Omdat er te weinig ondersteuning is, geen kwalitatieve normen worden gehanteerd. Of in elk geval dan toch sterk verouderde.
De hoop die ik uitspreek is dat er een brede, goed geargumenteerde discussie wordt gevoerd over de plaats van het Poëziecentrum in het hedendaagse literaire veld. Moet het, zoals het vandaag krampachtig probeert, een speler op het veld zijn; of moet het zich concentreren op de informatie- en documentatieopdracht, omdat het daarvoor is uitgebouwd en daar de nodige werkingsmiddelen voor ontvangt. Niet als uitgeverij, omdat het daar nu eenmaal voor ongeschikt is, zoals het merendeel van de eigen poëzie-uitgaven aangeeft, niet de know how heeft, niet de omkadering, niet de tijd of de juiste mensen.
Daarom eerst een kleine historiek. Ergens aan het begin van het nieuwe millennium publiceerde het Gentse Poëziecentrum een zoveelste smeekbede waarin de financiële noodsituatie met veel misbaar werd aangekaart. Tibergien heeft er zijn reputatie aan overgehouden. Die oproep aan het adres van het subsidiërende Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) ging toen gepaard met een dringende vraag aan het adres van burgemeester, gouverneur en minister.
Het Fonds leverde de voorbije jaren vele inspanningen door Poëziecentrum onder meer tot een Vlaams focuspunt uit te roepen, een gesubsidieerde vereniging die op basis van een meerjarige beheersovereenkomst een eigen, goede betoelaagde werking kan uitbouwen, zonder telkens verantwoording te moeten afleggen. Het gevolg was een aanzienlijke stijging van de subsidie in vergelijking met de voorgaande jaren, toen telkens per jaar kon of moest worden gepland en gewerkt.
Ook de stad Gent en de provincie Oost-Vlaanderen droegen hun steen bij: het Gentse Toreken werd de nieuwe locatie van het centrum. De media berichtten eensluidend positief over de gunstige wind in het Poëziecentrum. ‘Maar dat is galerij, façade, krans’, zoals de Gentse dichter Richard Minne schreef. De afgelopen jaren heb ik al een paar keer een signaal gegeven, maar een kritische stem wordt niet echt geapprecieerd. Niet door het merendeel van de poëzielezers omdat dat toch zo’n prachtig idealisme is dat aan de basis ligt van het centrum (het titanengevecht in onze gemediatiseerde samenleving voor een genre als poëzie!), en niet door Tibergien zelf die wel wist waar het met zijn centrum heen moe(s)t.
Tegenover die 286.700 subsidie-euro’s (gemeenschapsgeld, alleen al door het VFL toegekend in één jaar) en de uitgebreide ruimte moeten mijns inziens natuurlijk voldoende professionalisme en beheerskunde staan. En daar is het ook sinds die beheersovereenkomst weer fout gegaan. De wijze waarop de directie (en dus het beleid) van het centrum worden behartigd, heeft me de voorbije jaren voldoende argumenten gegeven weinig fiducie te hebben in de toekomstige werking van het Poëziecentrum.
Omdat het teveel wil, en daar niet is voor uitgerust. Omdat het allang niet meer de nodige bescheidenheid aan de dag kan leggen, en zich dus niet meer op de eigenlijke opdracht (de core business) alleen toelegt. Het bericht dat directeur Willy Tibergien eind 2003 een stap opzij zou zetten (Guido Lauwaert, in Tijd Cultuur, juli 2003), leek me een eerste stap in de goede richting. Dan pas kan worden gedacht aan management, aan het delegeren van verantwoordelijkheden, aan het voeren van een gedegen beleid met het oog op de informatie- en documentatieopdracht.
Tijd om een toekomstvisie voor Poëziecentrum te ontwikkelen, want let wel: het poëziehuis is een huis om te koesteren. Maar dat bleek een bericht dat weer eens op los zand was gebouwd, want drie jaar later is alles gewoon, heel gewoon, bij het oude gebleven. Zij het dat Poëziecentrum zich nu met allerlei organisaties en evenementen inlaat, teneinde zichtbaar te zijn en dus erkenning te krijgen als volwaardige speler in het veld.
Het is mijn overtuiging dat, nogal paradoxaal, de bijna legendarisch stuurse en consequent dilettantische houding van de bezieler van het poëziehuis in Gent de toekomst van het waardevolle Poëziecentrum de afgelopen jaren alleen maar in gevaar heeft gebracht. Ik wil, nogmaals, niet afdingen op de verdiensten van Tibergien, maar die liggen al langer in het verleden en daar kan Poëziecentrum vandaag en morgen weinig mee verder. De tol van de halsstarrigheid, zeg maar. En die heeft intussen veel brouille veroorzaakt. Er was enkele jaren geleden niet alleen de kortstondige brand die de rijke collectie bedreigde, die ternauwernood kon worden gered. De échte brand die het Poëziecentrum nog steeds bedreigt, is er een die vanbinnen smeult.
Het centrum gaat sinds jaren prat op een rijk geschakeerd takenpakket dat als complementair en dus monolithisch (te nemen of te laten) wordt gepresenteerd: uitgeverij, het tijdschrift Poëziekrant, manifestaties, de poëziewinkel en de bibliotheek, het archief- en documentatiecentrum. Het VFL heeft vroeger al aangegeven dat de verschillende compartimenten van de werking afzonderlijk dienen geëvalueerd te worden, dat er in het beleid duidelijke prioriteiten moeten worden geformuleerd en dat manifestaties en de uitgeverij best aan anderen, meer competente organisatoren kunnen worden overgelaten. Synergie zou overigens voor alle gesubsidieerde verenigingen een beleidsoptie moeten zijn.
Vanuit de overtuiging dat het Poëziecentrum als uniek archief- en documentatiecentrum voor het Nederlandstalig poëtisch erfgoed beter moet worden geprofileerd, geef ik enkele overwegingen. Immers, de uitbouw van alle geledingen in de werking van het Poëziecentrum wordt door een weinig oordeelkundig en transparant beleid belemmerd. Een voorbeeld van de disfuncties. Het schrijnende onvermogen om te delegeren en met kritische meningen om te gaan blijkt uit het uitgavenbeleid van de afgelopen jaren (zie mijn opiniestuk). Wat in dat beleid dan toch als waardevol wordt beschouwd, zoals de bloemlezingen en de onvolprezen maar nogal vreemdsoortig samengestelde reeks ‘Dichters van nu’, wordt onvoldoende in overleg, beleidsmatig structureel en met de nodige deskundigheid (zoals een redactionele begeleidingscommissie) uitgebouwd.
VFL-focuspunt Poëziecentrum moet zich echt dringend bezinnen over zijn takenpakket, en eigen accenten leggen. Blijkbaar zal alléén op het moment dat Tibergien een pas opzij zet, over die kwestie ernstig worden nagedacht. Nu is het in Poëziecentrum een beetje zoals met elke vereniging waar de directeur de vereniging is: zolang persoonlijke en professionele belangen en ambities verweven zijn, kan van een degelijk, vernieuwend beleid niet echt werk worden gemaakt. Het Poëziecentrum barst uit zijn voegen en is niet langer de sympathieke, op idealisme zwevende en van kritiek gevrijwaarde eenmansonderneming van de jaren tachtig. Bezieling volstaat niet langer om een en ander te beredderen, en dat lijkt de oprichter niet in te zien. Dilettantisme moet plaats ruimen voor een professionele houding, en daarvoor kan je best samenwerken rond projecten. Of niet?
Diagnose. Velen zijn het met me eens, dichters en vertalers, critici en recensenten, tijdschriftmakers en uitgevers, redacteuren en organisatoren van manifestaties, vele oud-gedienden van de vereniging en academici: het Poëziecentrum wordt niet professioneel geleid, ondanks de vele overheidsgelden. De vermelde halsstarrigheid, een gebrek aan managementskwaliteiten en aan delegatievernuft brengen het zelfuitgeroepen ‘centrum’ (maar wat een anachronisme, een relict uit de jaren tachtig) voor en van de poëzie in ons taalgebied tot vandaag (on)rechtstreeks schade toe. En dat kan ik als poëzielezer, als poëziepromotor, als poëziecriticus, als docent moderne poëzie niet verder met lede ogen aanzien. Zeker niet vanuit mijn Gentse kantoor.
De nurkse houding en het gebrek aan communicatieve vaardigheid compromitteren de werking en de groeiperspectieven van het Poëziecentrum. Het personeelsverloop van het afgelopen decennium spreekt boekdelen. Ze staan de noodzakelijke professionalisering in de weg. Door lichtzinnig en bij tijd en stond bijna chanterend te dreigen met een sluiting of een verhuis naar Nederland, waar niemand op Tibergien maar wel velen op de collectie van het Poëziecentrum zitten te wachten, zijn intussen vele bruggen opgeblazen. Het centrum is te lang en te nadrukkelijk vergroeid met zijn oprichter en bezieler, die uit gebrek aan de nodige inhoudelijke expertise en aan delegerend vermogen zijn centrum stilaan naar de verdoemenis helpt. Een mens moet zijn beperkingen inzien, of anderen moeten er dan maar op wijzen.
Remedie. Het Poëziecentrum zou ermee gebaat zijn dat voortaan een degelijk management wordt gevoerd, dat kortom aan taakverdeling wordt gedaan. Het oordeelkundig bestieren van een op informatieverstrekking en documentatie gericht centrum voor poëzie vergt een artistiek, redactioneel, organisatorisch en financieel beleid dat niet langer door één persoon kan worden beredderd in een veeleisende en steeds geschakeerder literair-institutionele context, in een wereld van gedetailleerde beleidsplannen en transparante boekhoudkundige cijfers. De noodzakelijke afslanking van het takenpakket moet het Poëziecentrum, met meer financiële middelen, in staat stellen de prioritaire, wat mij betreft: enige, functies beter uit te bouwen. Het centrum zou er daarenboven mee gebaat zijn dat in een opbouwende sfeer begin wordt gemaakt met de professionalisering van dit waardevolle centrum.
Die uniciteit van het Poëziecentrum wordt zoals gezegd te vaak vereenzelvigd met het respect voor het levenswerk van de oprichter. Voor hem kan eventueel een terzijde, een eervolle rol als artistiek leider zijn weggelegd (als blijk van erkenning voor de jarenlange inzet, voor de bijzondere verdienste – ik heb er geen moeite mee dat te herhalen).
Het is de decretale opdracht én verantwoordelijkheid van het Vlaams Fonds voor de Letteren en van de overheden om het ‘centrum’ blijvend te ondersteunen, niet de bezielende kracht of de zelfverklaarde poëziemissionaris die voor mijn part met de nodige égards, beladen met oorkonden en medailles, op een piëdestal mag worden geplaatst. En dus ook niet de mediocriteit die er wordt door belichaamd. Bezielers die écht met hun zaak, en niet met hun imago of persoon begaan zijn, moeten ook weten wanneer de tijd is gekomen.
Addendum 2
De discussiepunten die ik formuleerde in mijn opiniestuk, met addendum, worden stilaan aan het zicht onttrokken. Dat is jammer. Misschien is het forum niet strategisch gekozen, opdat mijn visie meer gewicht te krijgen, verder zou reiken. Toch stel ik prijs op dit forum, als er ook effectief zou worden gediscussieerd, en niet vanuit het eigen belang, of dat beschadigde belang, wordt geredeneerd.
Daarom vind ik het belangrijk terug te keren naar de uitgangspunten. Het is geenszins mijn betrachting personen te kwetsen, alleen kan dat in het geval van een vergroeiing van instelling en oprichter, periodiek en hoofdredacteur niet anders. Veeleer wil ik me concentreren op een positionering van Poëziecentrum in het literaire veld. Het centrum wordt door het VFL betoelaagd voor zijn publiekswerking, dat wil zeggen dat het als informatie-, documentatie- en studiecentrum een structurele subsidie ontvangt van het Fonds voor de Letteren. Niet als uitgeverij, wel als focuspunt dat diensten aan het publiek aanbiedt.
In mijn opiniestuk maakte ik gewag van een jaarlijkse toelage van een kwart miljoen euro. In de Nieuwsbrief van het VFL (december 2005) staat een hoger bedrag vermeld: volgens de eerste meerjarige overeenkomst (2002-2005) ontving Poëziecentrum het eerste vermelde bedrag; in de nieuwe beheersovereenkomst (2006-2009) is dat voor dit jaar alvast 301.035 euro. Dat bedrag wordt jaarlijks toegekend, op voorwaarde van de VFL-dotatie en een gunstige evaluatie van de adviescommissie, bekrachtigd door het Beslissingscollege van het Vlaamse Fonds.
In diezelfde Nieuwsbrief wordt melding gemaakt van het Poëziecentrum als 'de draaischijf voor alles wat met poëzie te maken heeft'. Dat is die eerder gelaakte centrumgedachte, de navelstaarderij waarvan al eerder sprake, die nu zelfs een officiële status krijgt want vrijwel letterlijk overgenomen door het VFL. Ik mag hopen dat er in het poëzielandschap méér draaischijven zijn, en nog veel meer radertjes, want anders is het wel droevig gesteld met de poëzie in ons taalgebied.
Zeker als Poëziecentrum de katalysator is van de wendingen in het landschap. Dergelijke beeldvorming zegt veel over eigen inschattingen, een uitvergroot, onrealistisch zelfbeeld dat eerder in een marketingjargon thuishoort, en zeker niet in officiële documenten van een Fonds voor de Letteren.
Poëziecentrum wordt als documentatiecentrum gesteund, niet als uitgeverij (behalve dan als uitgever van de Poëziekrant en de inhoudelijk wel zeer geschakeerde reeks ‘Dichters van nu’). Daarom is het merkwaardig dat Poëziecentrum zich verder toelegt op de uitgave van Nederlandstalig en vertaald dichtwerk, en daar blijkbaar externe financiering voor vindt. Al is dat laatste op zijn minst ondoorzichtig.
Op het gevoerde uitgeefbeleid is van alles af te dingen, zeker als je merkt dat door de bank genomen middelmatig tot zwak werk wordt uitgegeven (mét uitzonderingen, maar toch). Gelet op de visie, of het gebrek daaraan, die wordt uitgedragen, of aan de basis ligt van de professionele werking, is het te betreuren dat die keuze voor het status quo, de mediocriteit zo sterk, zeg maar fors wordt gesubsidieerd. Gesubsidieerde middelmatigheid, daar verrijk je het poëzielandschap niet mee. Door een meerjarige structurele subsidie toe te kennen sta je toe dat zo’n instelling niet evolueert, maar blijft doen wat het al deed.
Voor de Nederlandse (en Vlaamse) lezer: het Poëziecentrum is een van de drie focuspunten die door het VFL worden betoelaagd, en het ontvangt in verhouding het hoogste bedrag per jaar. Naast Poëziecentrum zijn dat het Nationaal Centrum voor Jeugdliteratuur (Villa Kakelbont) en Het Beschrijf. Sinds dit jaar is Behoud de Begeerte een gesubsidieerd kunstencentrum van de Vlaamse Gemeenschap (het valt onder het Kunstendecreet, in elk geval voor twee jaar).
Voor een subsidie van die omvang (300.000 euro) mag je verwachten dat een focuspunt meer doet dan het status quo bestendigen. Poëziekrant is niet een van de meest prikkelende discussiefora over poëzie; het is een magazine op dik, glanzend papier dat niets toevoegt aan het poëziedebat, dat ook geen prioriteit maakt van een andere kijk op poëzie, of oog heeft voor nieuwe tendensen in het literaire veld. Ook hier de bestendiging.
Die kwalificatie geldt evenzeer voor het uitgeefbeleid, waarvan al eerder sprake. Aangezien zoveel gemeenschapsgeld wordt geïnvesteerd in een dergelijk behoudsgezind, conformerend focuspunt, is het mijns inziens van belang dat een discussie wordt gevoerd over de kwaliteit die met dat dotatiegeld wordt geboden. Dat een directeur van een focuspunt zich niet verwaardigt in het verweer te komen, als zijn centrum wordt bekritiseerd, getuigt dit van hooghartigheid.
Cultuurpolitiek gesproken is het literaire debat gebaat met een continue bevraging, maar voor een debat moet je natuurlijk minimaal met twee gesprekspartners zijn en over voldoende argumentatie beschikken. Dat publieke debat is in het verleden ook al uit de weg gegaan, toen Jean-Pierre Rondas de honneurs waarnam en als apologeet voor het Gentse centrum optrad in de krant en op de radio.
Het bleef bij een partijtje modder gooien, en daar pas ik altijd voor. Over het maatschappelijk functioneren van een literair instituut zou ik de representant(en) van dat instituut ook aan het woord willen horen. In ieder geval is er alle aanleiding om dat debat publiek te voeren, met argumenten, vanuit een duidelijke stellingname. Het kan toch niet zijn dat een focuspunt, dat zich min of meer gegarandeerd weet vier jaar lang een forse subsidie op te strijken, niet aan het literaire debat deelneemt, zich in stilzwijgendheid hult en vanuit een Gents toreken toekijkt. Toekijkend de kritiek pareren, het is ook een houding. Maar dan niet de mijne. Ik kom graag uit mijn toren.
Addendum 3
Stilaan lijkt er iets in beweging te komen. Als deze en ongetwijfeld volgende reacties de finaliteit - maar in geen geval het finale stadium - zijn van enkele kritische commentaren op rol en positionering van Poëziecentrum en Poëziekrant, dan is in elk geval een en ander geproblematiseerd dat al jarenlang als onwrikbaar en algemeen geaccepteerd/getolereerd werd beschouwd.
Teneinde de discussie verder te verdiepen en elkeen die de poëzie genegen is bij het publieke debat te betrekken, wil ik hier nog twee punten aanreiken. Beide aandachtspunten zijn verwant, en kunnen een en ander verder in beweging zetten door alvast bepaalde vooronderstellingen zoniet te bevragen dan toch zichtbaar te maken. Deze en vorige beschouwingen zullen natuurlijk ook ter overweging worden voorgelegd aan de leden van de bevoegde VFL-adviescommissie die zich, binnen de nieuwe beheersovereenkomst, de volgende jaren over de werking van de Vlaamse focuspunten buigt.
1. Statutair is het Poëziecentrum een informatie-, documentatie- en studiecentrum, dat zich van meet af aan richtte op het - in de statuten - tautologisch geformuleerde "uitgeven van publicaties" en "organiseren van wedstrijden, demonstraties en tentoonstellingen en van opleidingscursussen en door het bevorderen van overleg en coördinatie tussen organisaties van dezelfde of van verscheidene kunstdisciplines" (art.3). Poëziekrant, dat al sinds 1976 verschijnt, kreeg een belangrijk aandeel in die didactische, leesbevorderende en informatieve opdracht.
Er is al eerder op gewezen dat een literair periodiek, dus ook een glossy magazine over poëzie, niets anders kan dan een bepaalde visie op hedendaagse poëzie formuleren. Hoezeer dat ook altijd weer wordt ontkend, onder het mom van geen positie innemen of breed en onpartijdig zijn, geen "academisch" blad of geen nieuwe Yang willen worden. Laat het mij anders stellen: door in expliciete bewoordingen geen positie in te nemen, door niet deel te willen nemen aan het poëziedebat, door zich niet bewust te willen zijn van de eigen vooronderstellingen in de informatiegaring over hedendaagse poëzie, stelt het blad zich ofwel naïef op ofwel mateloos arrogant.
Immers, ook de keuze voor een olympisch standpunt, boven het gekrakeel en het programmatische strijdtoneel verheven, getuigt natuurlijk wel degelijk van een duidelijke positiebepaling. En dan is de zogeheten partijloze, objectieve informatieverstrekking ver te zoeken. Blijven beweren dat met het periodiek alleen (neutrale) informatie wordt geboden, is dan de getuigenis van zwaar gesubsidieerde identiteitsloosheid, een gebrek aan visie die helemaal buiten verhouding veel te fors wordt betoelaagd.
Een andere interpretatie is dat die gedistantieerde houding ten opzichte van literaire tendensen niet zozeer dom maar wel degelijk bewust en intentioneel is: door geen partij te kiezen de eigen bestaanszekerheid proberen te garanderen, afzijdigheid als een levensverzekering in het culturele veld. Dan gaat het over een niet-inmenging de parti pris. In dat geval speelt een verborgen agenda: zichzelf handhaven, of misschien wel een eigen conservatieve, persoonlijke poëtica doordrukken, in elk geval marktbevestigend ageren. Dat zoveel behoudsgezindheid zo eenzijdig moet worden betoelaagd, is op zijn minst discutabel.
Want je kan redeneren waar de identiteit dan schuilgaat, als uitgeverij Poëziecentrum net hetzelfde doet als de meeste andere commerciële uitgevershuizen. Dat is te vergelijken met de publieke omroep VRT, die precies dezelfde strategieën als de commerciële omroep gaat volgen, en met belastingsgeld niet alleen de concurrentie aangaat maar ook in de 'diepte' en de 'breedte' de platte commerciële toer opgaat.
Als een en ander door betoelaging mogelijk is, dan graag iets anders, non-conformistisch, met aandacht voor verschillende, uiteenlopende poëtica's en niet alleen voor de eigen voorkeuren die door co-financiering (of VFL-externe financiering) tot stand komen. Zeker vanuit een Fonds voor de Letteren dat het letterenbeleid in Vlaanderen subsidieert, focuspunten omschrijft als bruggen naar het literaire landschap en eist dat ze het letterenbeleid mee gestalte geven door hun professionele werking. Poëziecentrum en Poëziekrant zijn geen instituten die afzijdig of volstrekt kleurloos zijn, wat er ook moge worden beweerd.
De vooronderstellingen die ook aan de basis liggen van het centrum en de krant, zijn verouderd, louter pragmatisch, op zelflegitimatie en conservering in het landschap gericht. Alsmaar meer gericht op het handhaven van een machtsmonopolie in de Vlaamse literatuur, met als enige gezagsargumenten de macht van het geld en de zegen van het VFL, niét de eigenzinnigheid, de marktcorrigerende functie. Wie Poëziekrant leest, en geen andere periodieken, de krant als enige bron over het reilen en zeilen van de hedendaagse poëzie in ons taalgebied, moet er wel van uit gaan dat er geen debat wordt gevoerd, dat alles rustig zijn gangetje gaat, en dat de classicistische, op schoonheid en eeuwigheid gerichte estheten nog steeds de toon bepalen in de contemporaine literatuur.
Vanuit die optiek gezien is het een instituut dat vanuit achterhaalde standpunten wordt overeind gehouden, en dat beleidsmatig kan worden vereenzelvigd met reactionaire standpunten. Van zo'n betoelaagd focuspunt mag je verwachten dat het de discussie op zijn minst zichtbaar maakt, en - hoe kan het ook anders - een bepaalde visie naar voren schuift. Door dat laatste niet te doen, doet het dat eigenlijk natuurlijk wel. Reden dus om de visie als anachronistisch te bestempelen.
Naïef of arrogant: in een snel veranderend poëzieklimaat verdedigt Poëziecentrum/Poëziekrant negentiende-eeuwse standpunten die makkelijk als klassiek, romantisch of neoclassicistisch kunnen worden omschreven. Poëzie wordt nog compleet los gezien van een maatschappelijke context; de maatschappelijke functie van poëzie wordt trouwens volstrekt miskend. Met als gevolg dat het genre vanuit de directeursstoel gezien een louter bestaansbevestigend gegeven is geworden. En vanuit het oogpunt van Poëziekrant is het een esthetisch verantwoord burgerlijk genre, tot nut en vermaak, een tijdsbesteding voor enkele fijne luyden. Met als gevolg dat poëzie niet zozeer wordt gepromoot, of dat erover wordt geïnformeerd, maar dat het in zijn niche van maatschappelijk irrelevant en functieloos wordt teruggedrongen. Ligna recta terug de negentiende eeuw in.
2. Die bezadigdheid van de (of eigenlijk: elke) centrumgedachte, die het poëziehuis blijkbaar dezer dagen niet zomaar zonder verdere implicaties in zijn naam voert, weerspiegelt zich zoals al eerder betoogd in het uitgavenbeleid. Het Fonds voor de Letteren steunt het Poëziecentrum niet als literaire uitgeverij, maar desondanks gaat het centrum gewoon verder met het financieren van poëzieuitgaven. Uit elke uitgave blijkt dat het daar niet voor uitgerust is. Strikt genomen ontvangt het daar dus ook geen enkele euro voor.
Over de wijze waarop het Poëziecentrum in de steeds meer vrijkomende ruimte zich een eigen plaats toekent, wil ik later nog uitweiden. Daar is in 1990 ook al op gewezen door Georges Wildemeersch: interessante dichters uit Vlaanderen worden al langer in Nederland uitgegeven, en de Vlaamse uitgevers die zich nog wagen aan poëzie zijn op een geteisterd slagershand te tellen. Dat Poëziecentrum toch per se die taak wil waarnemen, wijst op méér dan een warme belangstelling voor of een edelmoedig vrijetijdsgebaar met het oog op het verrijken van het poëzielandschap. Neen, vanuit die voortdurende zelflegitimerende houding wil het zoals gezegd een onmisbare speler op dat veld zijn, hoe braak het er dezer dagen ook bij ligt.
Tegelijk past het uitgeefbeleid perfect in de informatieretoriek die de directeur tot vervelens toe herneemt: wat zonder het Poëziecentrum niet zou worden uitgegeven, krijgt nu tenminste een kans. Ja, misschien wel (hoewel ik daar van een receptie-oogpunt weinig tot niets van merk), maar toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat het een bepaalde poëticale visie is, nergens geëxpliciteerd maar in elk compartiment van de publieke werking overal evenzeer zichtbaar, die een aantal keuzes uit het vele ongepubliceerde materiaal wettigt. De visie die door het VFL wordt gesteund, de al eerder genoemde voorzichtige middelmaat dus.
Zo gaat het steeds met eenpersoonsondernemingen: ze worden tegen heug en meug in stand gehouden, ze zijn oorden van inertie, volstrekte stilstand van denken. Ze doen me denken aan wat Cyrille Offermans schrijft in Ver van huis. Denken in beweging (2003):
"Aan het publiek heeft hij geen boodschap. En standpunten... standpunten zijn oninteressant. Denken heeft in elk geval niets te maken met het innemen van standpunten, eerder met het verlaten ervan. Denken betekent: in beweging komen, van standpunt wisselen, steeds opnieuw. Wie een standpunt inneemt wordt in een oorlogszuchtige rol gedwongen. Op dàt punt is hij gaan staan, nu zal hij het voor geen geld meer verlaten. De orde van het vertoog als effect van een imperialistische politiek: hoe minder er gedacht wordt, des te fanatieker moeten die standpunten verdedigd worden. [...]".
Ironisch is dat het vele geld, verworven na een jarenlange strijd, nu net die impliciete (maar immer steriel gebleven) standpuntbepaling heeft bestendigd, bevestigd. Er wordt in Vlaanderen een instituut voor de poëzie gesubsidieerd dat de poëzie niet vooruit helpt, niet ter discussie stelt, maar onverrichter zake het verleden weer in katapulteert. Het kan niet de intentie van een letterenbeleid zijn zo betuttelend op te treden voor een genre dat beslist overheidssteun kan gebruiken. Poëziecentrum is een belangrijk instituut, een verworvenheid, maar doe er in godsnaam iets relevants mee, en evolueer mee met de tijd.
Uitgeven van poëzie in Vlaanderen: het is méér dan het in zijn idealistische omkadering lijkt. Dat poëzie blijkbaar ook een utilitair middel is om de eigen onmisbare rol maatschappelijk bevestigd te zien en een particuliere, behoudsgezinde poëtica in brede zin gestalte te geven, moet mijns inziens dringend worden bevraagd. Door elkeen die zich betrokken weet, dat wil zeggen: die de poëzie zichzelf, in alle geschakeerdheid, wil laten zijn. Opdat het maatschappelijk debat over een maatschappelijk functioneel, onmisbaar en noodzakelijk genre in Vlaanderen eindelijk mag beginnen. En niet langer monddood wordt gemaakt door een gesubsidieerd centrum dat zichzelf wijsmaakt dat het de "draaischijf" is "van alles" wat met poëzie in Vlaanderen en Nederland te maken heeft.
Het Poëziecentrum moet zich niet zozeer beginnen bezinnen over het bestaan, wel over de eigen uitgangspunten, zijn taak herdefiniëren en een instituut van de eenentwintigste eeuw worden. Die bezinning begint bij het expliciteren van een standpunt (en dus het inzicht dat informeren ook een weinig flexibel, 'ondoordacht' standpunt impliceert), en houdt per definitie een verschuiving in weg van de reductie van poëzie tot een ornamentele esthetiek en het allerindividueelst product van een romantisch schoonheidsstreven. Na 25 respectievelijk 30 jaar mag daar intellectueel over gereflecteerd worden.
Zeker nu Poëziecentrum en Poëziekrant geïnstitutionaliseerd zijn, maar ook geërodeerd in hun stugheid, in hun normbevestigende werking. Hopelijk is er bereidwilligheid tot een grondig gesprek, een debat au fond dat voor Poëziecentrum wel eens op een pijnlijke zelfanalyse kan uitdraaien. Het moet dan maar, vooral omdat het met gemeenschapsgeld overeind gehouden instituut een zaak van ons allen is. Poëziekrant moet niet zozeer - al dan niet gemaskeerd - boven de hoofden van haar lezers willen uitsteken, door zich systematisch op de vlakte te houden, en Poëziecentrum moet niet alles willen doen. Zich toespitsen op de eigen taakomschrijving, zoals in art.3 van de statuten staat geformuleerd: het zou al bijzonder veel zijn. En af en toe de eigen conformistische structuur en de narcistische wijze van voortdurende zelflegtimatie en bijgevolg van de eigen overschatting bevragen. Ongetwijfeld wordt het debat nu en de volgende weken en maanden op diverse plaatsen gevoerd, ook in Nederland; we zijn het aan de mogelijke betekenissen en functies van de poëzie verplicht.
Hopelijk groeit dat besef stilaan ook in de coulissen, aan de adviestafels en in het beslissingscollege van het VFL. Ik heb het daar destijds ook altijd betoogd, en het centrum lange tijd het voordeel van de twijfel gegund. Poëzie is te relevant om het te bepamperen en uiteindelijk voor het eigen voortbestaan onzichtbaar te maken. Paradoxalerwijze door bundels en een duur betaalde, salonfähige Poëziekrant uit te geven. Niet het aantal recensies of besproken bundels is van tel, wel de reflectie, de discussie, een andere wijze van lezen.
© Yves T'Sjoen, 2006
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties