Anneke Claus (1979) studeerde Romaanse Talen en Culturen in Groningen. Ze geeft les aan de Volksuniversiteit en is actief als vertaler en festivalorganisator. Ze droeg voor op festivals als Noorderzon, Dichters in de Prinsentuin, Gedignag en Doe Maar Dicht Maar, en publiceerde o.a. in Krakatau, in Rottend Staal online en verschillende bloemlezingen. Nog meer informatie over haar vindt u op deze website. Haar debuutbundel BONZAI! verschijnt in november 2005 bij Uitgeverij Passage.
(1) Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
GEDOOG
niets aan het toeval
in de polder - hij heeft
het zo gewild
alles aan kant
de stoep geveegd
de boord gesteven
tot ruime geest
met ruime meerderheid
besloten en tot slot
de boel met zand gedempt
opdat in hoogtij
laagland blijft
opdat de schapen
op het droge
opdat wij steeds
in ons geloven
liever niets
aan het toeval
hij kwam, hij gaf
straks neemt hij
het weer af.
(2) Waarom poëzie?
Allereerst om de muziek. Poëzie slaat het beschrijvende stadium waar je in proza nauwelijks onderuit kunt over, je gaat meteen met het brute materiaal aan de slag: klanken, ritme. Daar heb ik van huis uit een fling voor meegekregen: bij ons thuis werd altijd met taal gegoocheld. We deden woordspelletjes en zongen dwaze liedjes, mijn ouders lazen veelvuldig voor. Bij de literatuurles op de middelbare school waren het als vanzelfsprekend Paul van Ostaijen, Kurt Schwitters en André Breton, die me meteen grepen. Dichters die de taal soepel hanteerden- goochelaars, muzikanten. Veel later pas, toen ik al jaren in Groningen woonde, kwam ik in aanraking met poëzie als voordrachtkunst. Een hele openbaring. Met uitzondering van een flamboyante leraar Frans op de middelbare school had ik nog nooit mensen zo levendig horen voordragen. Ik speelde toen veel toneel en schreef met enige regelmaat gedichten. De puzzelstukjes vielen op hun plaats. Ik dacht: dat wil ik ook!
En dan is er die voorliefde voor het formaat, de bladspiegel. Ik hou van leegte, of beter: compactheid. In beelden, in muziek, in woorden. De dingen uitgekleed, ingedikt, teruggebracht tot hun essentie. Zet een cypres in je achtertuin, tussen de andere planten en het rondslingerende speelgoed van je kinderen, en hij valt in het niet. Maar diezelfde cypres in een Toscaans landschap, op de kam van een heuvel, waar hij zwart afsteekt tegen een strakblauwe lucht - dat is een heel ander verhaal. Zo’n ding in de leegte krijgt tegelijk iets nuchters en iets raadselachtigs. Datzelfde zie je in poëzie gebeuren. Je kiest je woorden zorgvuldig, je geeft ze de ruimte – wit, veel wit - en ze gaan open voor een duizelingwekkend scala aan associaties en interpretaties. Af en toe lach je je dood, als je ziet wat mensen er allemaal uit weten te halen- dingen waar je zelf nog nooit bij stil had gestaan. Poëzie is denk ik overigens niet het enige genre waarin die spaarzaamheid met woorden wèrkt. Er zijn prozaschrijvers, veel toneelschrijvers ook, die ik bewonder om hun compacte, intense stijl. Bovendien vind ik dat je voorkeuren moet hebben om er van af te kunnen wijken. Sommige poëzie is prachtig in al zijn bombast en melodrama.
(3) Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Een lastige vraag. Ik ben erg kritisch. Zelfs van de dichters die ik bewonder, vind ik meestal lang niet alles goed. Dat het geen poëzie over poëzie moet zijn, zover kom ik al. En met zuiver introspectieve poëzie heb ik ook niets. Wat ik het meeste mis bij Nederlandse dichters van nu, zijn de wortels in de realiteit- de concrete onderwerpen. Ik kom al snel uit bij namen van één, of een paar generaties terug: Kopland, Leeflang, de Coninck, Schouten, Starik, Wigman. En niet te vergeten, de zangers van het levenslied. Brassens, Brel, Tom Waits, André Manuel en de mannen van De Kift- stuk voor stuk grote tekstschrijvers èn performers, waar ik op de één of andere manier steeds weer naar terugkeer. Tot slot word je natuurlijk gevormd door je omgeving. Ik ben in Groningen begonnen met schrijven en voordragen; op het gebied van podiumpresentatie heb ik veel geleerd van mensen als de Dichters uit Epibreren en Daniel Dee. Sinds enige tijd houd ik ook de Gronings- en Friestalige poëzie beter in de gaten. Er gebeuren mooie dingen in het Noorden. Jongens als Jan Glas en Elmar Kuiper, daar gaan we nog veel van horen. De poëzie uit deze windstreken heeft bovendien vaak een directheid en een soberheid waar ik me goed in kan vinden- die leegte weer, waarover ik het al had.
Mijn oer-inspirator blijft echter de Franse toneelschrijver Michel Vinaver (1927)- zowel in eigen land als daarbuiten nog altijd fabelachtig onbekend. Ik kwam in aanraking met zijn stukken toen ik in Grenoble studeerde, en viel meteen voor de absolute moderniteit van zijn taalgebruik. Het klinkt als spreektaal, heel natuurlijk- maar het is door en door bewerkt, en perfect ritmisch. Geordende chaos; melodieuze kakafonie. En, misschien nog wel belangrijker, het is doorspekt met slogans en jargons van nu, het draagt de wereld van vandaag met al zijn politieke en economische systemen in zich, maar zonder dat het ooit ongrijpbaar wordt voor latere generaties. Zijn eerste stuk, uit 1968, over de Korea-oorlog, staat nog steeds als een huis. Die muzikaliteit, dat ritme, die mengeling van actualiteit en tijdloosheid- als ik dat ooit nog bereik, word ik gelukkig.
(4) Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
TV 2000, het titelgedicht van Tjitse Hofmans eerste bundel. Wat mij betreft een klassieker!
TV 2000
Elektroniek
ik loop op elektriek
à la teletransformatie
glasvezelvervoer en
satellietcommunicatie
In mijn verdeeldheid
zaai ik onrust
op akkers plant ik wellust
schep orde op het land
in strakke banen
over velden vloeien tranen
sluipen sloten vol met water
van zilte kwaliteit
ik naai de wereld
met mijn kabels
smelt aaneen en divergeer
ioniseer en transporteer
alles naar mijn waarheid
privatiseer de saaiheid
en alles is in orde
naar het schijnt.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties