Poëzie in, rond, door, met, voor ‘over’en op kosten van het bedrijf.
Poëzie moet verkopen. Dat is nogal wiedes ook, want al die bundels dienen geproduceerd, verdeeld en onder de aandacht van de lezer gebracht. In dat opzicht verschilt een poëziebundel niet van een ander product, met dat verschil dat de afzetmarkt voor poëzie zeer klein is. Dat maakt het er voor uitgeverijen niet eenvoudiger op; met een nieuw smaakje yoghourt ben je als ondernemer al snel een stuk makkelijker af. Een bedrijf als Flanone (1) kan in supermarkten schapruimte kopen, waarop de yoghourtjes met sabayon- , capuccino- en Amarettosmaak de winkelende dames en heren duur op ooghoogte met een door een voedselfotograaf genomen foto op de verpakking vochtig-smeuïg lokkend tot proeven proberen te verleiden. Poëzie belandt in het beste geval droogjes en dunnetjes bij de boekhandel. Heb je de bundel van een collega niet gekocht toen het enige exemplaar in je dichtstbijzijnde boekhandel lag, dan moet die besteld want poëzie bederft als gepasteuriseerde melk. Er is meestal slechts één exemplaar beschikbaar. Poëzie verkoopt niet goed, dus voor een boekhandelaar is het nu eenmaal een riskant product. De wereld van de grote uitgevers (men leze Marc Kregtings Ze zijn niet van Jeremia) is verder zoals alle andere werelden zullen we maar zeggen een wereld apart, en geld speelt een grote rol, uiteraard. Geld is intrinsiek geen vies ding. Maar het heeft wel overal een bepaald effect, en meestal hetzelfde soort effect. Over subsidiegelden voor de dichtkunst hadden we het in een vorig stukje al. Ik laat de overheid hier nu voor wat ze is, en kom nog even terug op het bedrijfsleven.
Enter dus, het bedrijfsleven van buiten het boekencircuit. Het bedrijfsleven hoort er nu eenmaal bij, daar zijn we al jaren en jaren aan gewend. De tijd in de jaren ’70 dat er opgekeken werd omdat een rij zitjes in een concertzaal voor sponsors voorbehouden waren is al lang voorbij. Het bedrijfsleven houdt onze economie staande en zonder economie is er geen welstand. Het bedrijfsleven brengt leven in de brouwerij, het bedrijfsleven leeft, het is goed voor iedereen. Heeft u een gezin? Dat is ook een bedrijf. U bedrijft de liefde? Welaan dan. Ook het bedrijfsleven evolueert overigens mee met zijn tijd. Het is op de hoogte van het feit dat wij op de hoogte zijn van productieprocessen op minder fortuinlijke plekken op onze aardkloot; bedrijven gaan nu ethischer werken. Dat ik in mijn eigen levensperiode heb kunnen vaststellen dat de regio Vlaanderen beduidend rijker geworden is, en dat ik nu weer in de kranten lees dat de kloof met de arme landen nog nooit zo groot was, kijk, daar kunnen u en ik in dit stukje ook niets aan verhelpen, het is niet onze schuld, ook niet die van de bedrijven. Wiens schuld het dan precies is, een en ander is niet duidelijk; politici zijn vaak kop van jut, maar politici in een democratie vertegenwoordigen de meningen van hun kiezers. Wij zijn de kiezers. Hoe dan ook, de schuld is te groot geworden om door een mens, een organisatie, een land op zich genomen te worden, het is een collectieve schuld geworden, een soort geseculariseerde vorm van erfzonde. We worden er als Westerse consument terecht via verschillende kanalen voortdurend aan herinnerd: er is de tv, er zijn de kranten, tijdschriften, organisaties die om onze steun vragen, enz.
Pijnlijk wel hoe er soms een bijzondere juxtapositie te rapen valt. Neem nu het weekblad Knack. Daar zit een aparte ‘Weekend Knack’ bij. De aflevering van deze week is een heus boek van 236 pagina’s, ‘Mode, dit is Belgisch’ Het is de gebruikelijke aaneenschakeling van foto’s van modellenpopjes in dure kleren. Tussendoor op de vrouw gerichte reportages over genderkwesties want de duurgeklede dames hebben kindertjes en er zijn nog altijd klachten over de inbreng van mannen in het huishouden. Verderop iets over welke huidcrème bij welke leeftijd past. Ik moet nu blijkbaar dringend Gold Future van Helena Hoerastein (1) kopen (130 euro) anders is de toekomst van mijn snoet niet verzekerd. Metaalkleurige oogmake-up past niet bij mijn leeftijd lees ik, kijk toch eens wat een nuttige raad allemaal. En dan, op p. 157, een voorpublicatie uit een boek (2) van twee journalisten over aids in Afrika en Europa. Ik lees, en kijk naar het gezicht van Mbaika, een 34-jarige prostituee, die vanaf haar 12de in de prostitutie gedwongen werd en berekent; ’10 mannen per dag, 365 dagen per jaar, 22 jaar lang. Dat maakt 80.300 mannen die mijn lichaam al hebben misbruikt.’ Haar verhaal is in dat continent zeer gewoontjes, lees ik. Het lot van haar drie dochters laat zich raden. De reportage wordt onderbroken door een bon voor ‘een zalig bad dankzij Shisheido’, een advertentie voor kleren van Claudia Sträter, en afgesloten door een aankondiging van ‘SUPER! 1ste triënnale voor beeldende kunst, mode en design’, ‘een dynamisch kunstproject in de grote kunst-en cultuurhuizen van Hasselt’ ‘Super! Staat in de eerste plaats voor kwaliteit én enthousiasme. Niet te missen, dus!’ met financiële steun van de Vlaamse overheid en de Europese Unie.
Maar we moeten terug naar de poëzie, onze gedachten raken zo hopeloos afgeleid. Wat nu aangaande de poëzie vanuit dit log de laatste dagen blijft resoneren is een polarisatie tussen aan de ene kant literatuur als big business (4), commercialisering dus; ik denk dan onvermijdelijk ook aan het idee van poëzie als entertainment (5), canonisering gestuwd door de consument (6) dat dus allemaal aan de ene kant, en aan de andere kant een klein groepje van dichters die inderdaad bundels en van alles anders lezen (o.a. elkaars recensies), en hopelijk nog een aantal poëzieliefhebbers die zelf geen dichters zijn. De balans lijkt me de foute kant op te gaan. Zijn we voorbereid op nog meer invloed van het bedrijfsleven? Of is het misschien net dat wat we willen? Wilt u in een volgend nummer van de Weekend Knack aangekondigd op een podium in de 1ste triënnale van uw stad, de mode, het design en de poëzie, gesponserd door het bedrijfsleven, de overheid, en de Europese unie? Is de poëzie op die manier dan zelfs maatschappelijk relevant? Staat maatschappelijke relevantie gelijk met samenwerking met het bedrijfsleven? Dient de poëzie eigenlijk wel maatschappelijk relevant te zijn? En als de poëzie niet maatschappelijk relevant dient te zijn, waarom zit ze dan in dergelijke overduidelijke circuits? Vindt de dichterswereld die evolutie wenselijk? Er wordt in de dichterswereld wel eens geklaagd over de commercialisering van de uitgeverswereld, maar de overheid en het bedrijfsleven hebben ondertussen voor de kunsten al veel grootsere plannen.
Ik verwijs in dit verband graag naar het essay van Bas Belleman. Zijn essay ging niet alleen over de vorm-inhoud kwestie, maar ook over de vraag naar de relevantie van de poëzie; hij bedoelde heus niet de maatschappelijke zichtbaarheid van de poëzie en de verkoopscijfers van de bundels. De poëzie is zichtbaar genoeg geworden, en het bedrijfsleven ziet, hoort ons straks (nu al?) ook al luid en duidelijk. Waar is de wereldvreemde of maatschappijkritische blik van de dichter gebleven? Wordt de dichter in onze tijd zo in de watten gelegd dat zijn kritiek zich beperkt tot de recensenten van zijn bundels en de commercialisering van de uitgeverswereld?
Even pessimistisch stellen: nog even en dan worden onze bundels relatiegeschenken, en worden we gevraagd om na een dag teambuilding voor managers (suvivaltochten in de Ardennen en dat soort onzin) of na een dag functioneringsgesprekken, interne audit, cursussen in perfect gepowerpointe presentaties, enz, ter ontspanning van de kaderleden voor te dragen. Poëzie als entertainment, en een paar mengvormpjes op de rand van het toelaatbare, geen infotainment, maar poëtainment onder de brede vleugels van het bedrijfsleven. Alles zal uiteraard beter verkopen, en het bedrijfsleven zal ongetwijfeld aangenamer worden. Het was al ethischer, binnenkort ook nog poëtischer.
© Herlinda Vekemans, Leuven, 13 september 2005
(1) Alle gelijkenissen met namen, producten of publiciteit van bestaande fabrikanten berusten op puur toeval.
(2) Annemie Struyf en Lieve Blancquaert, Mijn status is positief. Een dagboek in zwart-wit. Globe, 2005.
(3) Knack Weekendmagazine, nr 36, 7-13/09/05, p. 167. De bladzijde
toont 4 mensen die met duim en wijsvinger op elkaar de prima kwaliteit
van dit evenement onderstrepen. Er staat bij: Super! Kunst / Super!
Mode / Super! Hasselt / Super! Design.
Het gaat om een 1ste evenement van samenwerking tussen Hasselt, de beeldende kunst, mode en design:
(4) Zie het stuk van Joris Lenstra met onder andere de melding over de betere positie van de Engelstalige literatuur door het grotere bereik ervan.
(5) Zoals we onlangs in een recensie konden lezen.
(6) Zie dit poëzienieuws.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties