Nieuw: Voorstander zijn, Alain Delmotte | De metamorfosen van de dichter, Roggeman | Meer

16-1-09

Column Maarten Moll over DiDeVa 2009

Gerrit Komrij stopte omdat hij er geen zin meer in had. Driek van Wissen wist het in 2005 te worden na een actieve campagne, die hem de meeste stemmen opleverde.

In Nederland word je Dichter des Vaderlands door zo veel mogelijk stemmen binnen te halen. Het maakt niet uit wie op je heeft gestemd. Bestelde je bij de slager, die alleen sportuitslagen las, een onsje meer en vroeg je hem op Driek van Wissen te stemmen, dan had Driek er een stem bij.

Dat is natuurlijk zo’n malle gang van zaken dat het ambt van Dichter des Vaderlands, ingesteld in 2000 en georganiseerd door NRC Handelsblad, Koninklijke Bibliotheek, NPS, Poëzieclub en Poetry International, tot op heden ook helemaal niets voorstelt. De twee eerste representanten blonken vooral uit door flauwe gedichtjes op de actualiteit.

In Engeland word de nationale dichter, de Poet Laureate, al sinds de zestiende eeuw door de regering benoemd, en ook in de VS valt niets te stemmen. Daar wordt de nationale dichter aangewezen, door de Librarian of the United States Congress, en heet hij Consultant in Poetry to the Library of Congress. Het is in die landen niet voor te stellen dat een dichter met zo’n titel ermee ophoudt omdat hij er geen zin meer in heeft.
Waarom in Nederland de nationale dichter niet benoemd wordt door bijvoorbeeld de Vereniging van Letterkundigen of de Stichting PC Hooftprijs voor Letterkunde, is een raadsel.

Voor de opvolging van Driek van Wissen – is al gemeten wat zijn bekendheid onder het volk is? – kan worden gekozen uit vijf geselecteerde dichters. Andere dichters hebben pech gehad. 28 januari zal de nieuwe Dichter des Vaderlands tijdens ‘een livetelevisieprogramma’ worden bekendgemaakt. Natuurlijk in een televisieprogramma, want wat hébben we er anders aan?

Het is allemaal zo schaamteloos en smakeloos dat het beter is dat de PC Hooftprijswinnaar voor poëzie de taak van nationale dichter op zich neemt. Een aangewezen dichter die ook al wat gepresteerd heeft. Te beginnen met Hans Verhagen, die 28 mei de PC Hooftprijs krijgt.

© Maarten Moll, 15 januari 2009; uit: Het Parool

23-12-08

Mirck over Tongebreek & Niemendal

Breukers ging de weg van Maarten ’t Hart, Jan Wolkers, Jan Siebelink, de weg die ik ook bewandeld heb: reflectie op een achtergrond waarin het geloof een belangrijke rol speelde. Je gelooft zelf niet en toch is de religieuze wereld deel van je geworden: een haat-liefdevehouding. Iedereen doet dat op zijn eigen manier, Breukers door in te gaan op de kwestie dat de ons beloofde Verlosser niet kwam. Hij laat Jezus zelf aan het woord, leeft zich in in iemand die het juk van moordende verwachtingen torste.

In het eerste deel ‘O – Antifonen en epigrmam’ beschrijft hij in zesregelige gedichten die verwachtingen: ‘Verjaag de nacht van onze nood’ citeert hij Jeremia. In het tweede deel, ‘Niemendal’, schetst hij in negenregelige verzen de teleurstelling van Jezus in zijn vrienden en de mensheid, bijvoobeeld in het gedicht ‘Dood’:

Het voorhang scheurt. De tempel wankelt.
Dat heb ik op mijn geweten. Er
was vandaag zwaar weer. Tempeesten die
het landschap teisterden. Ik ben niet
moe. Ik ben ook niet bedroefd. Zonder
iemand aan te roepen; het is tijd.
En dan? Mijn lijk omzwachteld. Mijn praat
ten einde; zotteklap. Volgelingen
die zichzelf verdoen. Ik ben weg.

De verlosser kapt ermee, vindt de mensheid de moeite niet waard. De wereld als een tranendal van losers. In een onderafdeling ‘Naleven’ laat hij de verering en navolging zien als een onbedoeld gekissebis: ‘Het zijn de joden niet – het waren joden’ (klinkt verdacht overeenkomstig met ons marokkanendebat) en gedweep: ‘Ze hebben mij gemoord. Maar dat het bloed // zou vloeien tot in verre verte, daar heb / ik bij mijn uitspraak toen nooit aan gedacht.’

Hier is de steutel te zien van de bundel: Christus is de brenger van het woord, maar hoe het uitgelegd wordt, heeft hij niet in de hand. Net als een dichter is hij afhankelijk van interpretatie. En door in de huid te kruipen van Christus geeft Breukers het dichterschap een extra lading, en door Christus menselijk te maken heeft hij het evangelie ook een extra (ont-)lading. dat culmineert dan in het derde (jawel- de Christelijke symboliek wordt natuurlijk meegenomen) deel, dat ‘Tongebreek’ heet.

Dat bestaat uit varianten op het sonnet, als ik zo vrij mag zijn: gemankeerde sonnetten, bestaat. Hier draait hij het evangelie om: de apostelen kregen volgens de Bijbel het vermogen om in alle talen te spreken, bij Breukers is het juist tegengesteld: ‘Wij konden ons verstaan. Wij stemden met ons in. / Toen brak van één de tong. Hem sloeg de taal uiteen. (...) wat geen spraak beschrijft / hangt (...) steekt als een angel in de keel.’

Al met al behelst de visie die Breukers hier voor ons ontvouwt twee kanten: de Christelijke interpretatie van wat er met Jezus is gebeurd ging met de feiten aan de haal, de wereld is door hem te nihilistisch bevonden, en de taal heeft ons daar goed bij helpen verdwalen. Die idiotie vat hij samen in de slot-onderafdeling Mania Relogiosa: door letters geordende, achtregelige verzen, waarin de mens (ergo: de dichter, ergo: Breukers) grip krijgt op de ontspoorde zaak:

Het was een dag! Ik had mijn God gevonden. in een lege la
van het dressoir. Daar had Hij spijt van het heelal, betuigde
rouw om menig fout en hield op even dagen audiëntie.
Hij had een bui. Het was een kleine Guitengod. Ik hield hem
dicht tegen Mij aan, maar voor de zekerheid. Hij was zo wild
en onbezonnen, en die wapens in Zijn hand, ik vreesde dat
Hij ze gebruiken zou op Ons. Mijn God was bijna niet
in slaap te krijgen later, duizend liederen ten spijt.

Het is knap hoe Breukers zijn visie op dit alles weet neer te zetten, een visie op dichterschap in een wereld die door de Verlosser verlaten is. Wat je erop af kunt dingen is dat hij redeneert vanuit een visie die hij zelf ontkracht: hij laat een Jezus aan het woord die allang vertrokken is, zijn belangstelling verloor. Goed, hij speelt zodoende advocaat van de duivel, soit. Ondertussen ontleent de bundel zijn kwaliteit mede aan de geloofwaardigheid van degene die aan het woord is, het spel tussen Christus en Breukers. Maar de verhouding tussen hen gaat mank: ik lees te weinig over Breukers zelf, wat hij dan wél gelooft. Ontkrachten is één ding, iets zelf met betekenis durven laden een ander. Marsman stelde een vergelijkbaar probleem aan de orde, maar had een visie op de toekomst. Dus, Breukers, kom op met je volgende bundel.

© Hanz Mirck, lange versie van een recensie in: Krakatau 52 (december 2008)

16-7-08

Breukers Bromt over Henri-Floris Jespers

Het moet een merkwaardige aanblik hebben geboden, nu 29 jaar geleden: "Op 15 mei 1979, achter de rode vlag en op de tonen van een verstilde Internationale, vergezelde ik door de straten van Aalst Louis-Paul Boon naar zijn laatste rustplaats." Twee dode schrijvers, Henri-Floris Jespers en Boon. Maar H-F J, die leeft toch nog? Jazeker. Hij gaat niet samen met Boon naar hun beider rustplaats, zoals hij in zijn krukkenstijl schrijft, neen, hij begeleidt – met velen – de kist, bevattende Boons lijk, naar het kerkhof, waar kist en lijk begraven zullen worden. Niet H-F J, die gaat dus niet begraven worden – want hij leefde en leeft nog.

Waarom  H-F J dat deed, dat vergezellen / begeleiden? Hierom: "Een blijk van hulde aan een man wiens literair werk mij niet zo ligt, wiens leef- en denkwereld mij nogal vreemd zijn, doch wiens présence in de Nederlandse letteren onbetwistbaar groots is." Juist ja.  't Was een zak van een vent, en schrijven kon hij ook niet, maar het was wel een bekende zak van een vent, bij wiens begrafenis het fijn aanwezig zijn is. H-F J is er zo een, die eerst iemand gaat begraven en dan in zijn dagboek opschrijft wat er allemaal aan de beroemde ontslapene mankeerde.

Verder nu. In de 'dagboekaantekeningen' van H-F J, zoals hij die nu, vele jaren later, op zijn weblog publiceert: "Het gewone volk van Aalst betuigde een massale hulde aan de schrijver die meer dan wie ook – en met welk talent! – zijn aandacht had geschonken aan de verschoppelingen der aarde, aan het proletariaat dat hij met zoveel negentiende eeuwse humanitaire gedrevenheid en met de bijtende kracht van zijn ironie en het vuur van zijn overtuiging, verbeten en schalks heeft verdedigd en uitgebeeld."

Man, man, man. Die arme Boon dan toch. Het gewone volk... en met welk talent... die humanitaire gedrevenheid... want Boon, dat was een schrijver voor de gewone man... voor het volk zeg maar... een volksschrijver... een eenvoudige man met een pet... geen H-F J... Met welk een bijtende kracht, met welke snoeiharde ironie zou Boon dit soort gemekker niet in het vuur van zijn verontwaardiging hebben verast, om de resten daarna – na er eerst nog over te hebben gepist – in het vuilnisvat te hebben geworpen. Verbeten en schalks natuurlijk. Zo was hij, Louis.

"De machtigen der aarde hadden één voor één het lijk gegroet van de man die de mensen een geweten wilde schoppen. Hubert Lampo had hem getypeerd als 'tedere anarchist' – en dat was hij ook. In de voorbije dagen nam iedereen deze typering in de mond – en schreef ze toe aan Paul de Wispelaere." Ja, dat heb je vaker, dat iemand een opmerking van Hubert Lampo toeschrijft aan Paul de Wispelaere, of andersom. Daar zijn in Vlaanderen nog regeringen over gevallen, daar is de huidige crisis helemaal niks bij.

"Maar Lode Craeybeckx’ 'Wij zullen Brussel niet loslaten' is van Ger. Schmook, en John Wils 'Parochie van miserie' van Lode Baekelmans." Zagen, zagen, wiede wiede wagen. H-F J kan niet goed loslaten.  Om Lampo zijn gelijk te verschaffen haalt hij een paar carnavalsfiguren uit de Vlaamse folklore van stal. En laat ze dansen, in zijn dagboek, op zijn weblog.

"Naast Hugo Claus – de ongekroonde opvolger – en de Tijd en Mens-ers waren heel wat katholieke vrienden achter de rode vaan komen aanmarcheren. In de stad van Daens, achter de lijkwagen van een creatieve enkeling, leek plots – voor wie behept is met het allernoodzakelijkste vleugel romantiek – en de droom van de grote ontmoeting gestalte te krijgen."

Let op de verfijnde typeringen van H-F J... Claus is de ongekroonde opvolger. De gekroonde opvolger, dat is H-F J. Die droomt van een reidans... niet van en voor arbeiders alleen... maar een reidans van Tijd en Mens-ers en katholieken... en dat alles achter de lijkwagen waarin Boon, die het gelukkig allemaal niet meer hoefde mee te maken, deze benepen droom van H-F Jot.

Toen kwam er een olifant: "Achteraf nodigde Bernard Kemp mij uit een voortreffelijke fles bourgogne te gaan ontkurken in zijn buitenverblijf.  Wij hadden toen een gesprek om nooit te vergeten." Bernard Kemp... een fles bourgogne (voortreffelijk, uiteraard, want dergelijke letterkundige kanonnen lusten alleen munitie van het fijnste jaar)... en een gesprek om nooit te vergeten. Waar we niets van mogen weten, want dan reutelt het weer verder.

Nu ja. Lees alle dagboekaantekeningen van H-F J op diens weblog >>

9-7-08

Interview met Revisor-redacteur Menno Lievers

Onlangs verscheen een themanummer van de Revisor (2008/2+3) over fictie en non-fictie. Volgens redacteur Menno Lievers zijn er "goede gronden [om] het scherpe onderscheid tussen fictie en non-fictie in ere te herstellen." Daarom ging jullie hoofdredacteur via de digitale post in conclaaf met Lievers. Over het hoe en het wat. Hieronder een verslag.

CB: Wat mij in de eerste plaats opvalt (uiteraard, want het staat op de eerste bladzijde) is de inzet van het redactioneel: "'Woorden zijn de vijanden van de schrijver', beweerde de Iraans-Franse toneelschrijfster Yasmina Reza een tijdje geleden, in een interview in NRC Handelsblad (4 april 2008). 'Een schrijver liegt voortdurend, hij knoeit, hij vervalst. Maar dat doet hij met moraal, met ethiek.'"

Is dat niet een tikkeltje zwaar op de hand? Of beter, is dit niet een cliché, dat nog eens flink erin wordt geramd met die laatste zin, over moraal en ethiek. Ik weet dat het nummer andere teksten, met een ander uitgangspunt bevat, maar waarom dit begin?

ML: In de tweede alinea wordt dit citaat meteen gerelativeerd. De bedoeling is het onderscheid tussen fictie (niet waar, dus in zekere zin liegen) en non-fictie (waar) scherp te accentueren, waarna in het vervolg van het voorwoord eerst wordt beschreven hoe dit onderscheid tegenwoordig in twijfel wordt getrokken, en vervolgens wordt gesteld dat er goede gronden zijn het scherpe onderscheid tussen fictie en non-fictie in ere te herstellen.

Overigens proef ik uit je vraagstelling dat je het voorwoord leest als een soort programmaverklaring. Die rol heeft het voorwoord bij ons niet; het is meer bedoeld als een prikkelende introductie tot het nummer, en het thema daarvan, indien het desbetreffende nummer een thema heeft.

CB: Is het misschien zo dat het onderscheid tussen fictie(leugen) en non-fictie (waarheid) niet zozeer een genrekwestie is, maar eerder een vraag die te maken heeft met de leeshouding die de huidige lezer wil aannemen?

ML: Ten aanzien van fictie mag de lezer iedere houding aannemen die hij of zij wil. Maar als een boek gecategoriseerd wordt als non-fictie, mag/moet de lezer verwachten dat het waar is wat hij of zij leest.

CB: De redactie geeft dit zelf min of meer aan in deze zin: "Wat de redactie in dit dubbelnummer wil onderzoeken is de vraag in welk stadium we inmiddels zijn beland: is er nog een onderscheid tussen fictie en non-fictie, nu steeds vaker waar gebeurde levens in romanvorm worden gegoten en kritiek op oninteressante passages worden weersproken met de woorden 'maar zo is het echt gebeurd'."

ML: Hier raken we aan een kwestie waar 'De Revisor' zich al lang mee bezig houdt: realisme versus verbeeldingskracht. Het is geen garantie voor de kwaliteit van de roman dat de daarin beschreven gebeurtenissen echt gebeurd zijn. Dit is een open deur, maar waar het in deze opmerking om draait is dat er bepaalde ontwikkelingen binnen de Nederlandse fictieliteratuur zijn die er op lijken te duiden dat het onderscheid tussen fictie en non-fictie minder duidelijk zijn. Daar verzetten we ons tegen.

CB: En daar ben ik voor. Voor dat verzet, bedoel ik. Echt gebeurd is geen excuus, zoals Reve al zei. Is het trouwens niet zo, als ik even voor advocaat van de duivel mag spelen, dat je een grofmazig onderscheid kunt maken tussen auteurs die wel eens nadenken over hun werk en auteurs die dat niet doen? De eerste categorie zal, door middel van reflectie op het eigen werk, wel eens nadenken over vorm en aard van de tekst die wordt geproduceerd, de tweede categorie, nu ja, dat is de tweede categorie.

ML: Daar heb je denk ik, helemaal gelijk in. Er is een nieuw genre literatuur ontstaan 'lichte literatuur'. De beoefenaars van dat genre zijn niet bezig met de plaatsing van hun werk tegen de achtergrond van de geschiedenis van de literatuur. Ze schrijven maar zo'n beetje.

CB: De Revisor heeft ooit ruim baan gegeven aan het – terecht – klassieke essay van P.F. Thomése, De autobiografische samenzwering. Literaire bladen kunnen meer ruimte geven aan zorgvuldigheid, of aan werken van verbeelding – jullie doen dat bijvoorbeeld door veel ruimt aan A.F. Th. Van der Heijden te geven. Er zijn ook andere houdingen denkbaar. Als ik, en ik noem maar eens een voorbeeld, Joe Speedboot lees, wat ik onlangs gedaan heb, dan vraag ik me al lezend af wat een groot aantal recensenten toch bezield heeft om dat boek zo juichend te bespreken. Tegen het eind wordt het weliswaar beter, maar zeker de eerste 150 blz. zijn rommelig, slecht of matig geschreven, etc... Ik zou wel eens een artikel van iemand willen lezen die het boek echt bespreekt, en niet alleen ‘in de markt zet’.

ML: Toen de huidige redactie in oktober 2000 aantrad, zette zij zich inderdaad af tegen bijvoorbeeld het autobiografisch realisme, alsof dat soort literatuur niet zou mogen. Inmiddels ben ik althans daar wat anders over gaan denken. Laat verschillende vormen van literatuur maar naast elkaar bestaan. In de filosofie bestaat er 'the argument from best explanation': je hebt pas echt een positie verworpen, indien je zelf met een betere verklaring voor het probleem komt. Iets dergelijks geldt misschien ook in de literatuur: je moet vooral zelf laten zien wat goede literatuur is.

Je schrijft 'ruimte geven aan zorgvuldigheid': daar zit een fundamenteel probleem. Die ruimte geven we wel, maar we zijn aangewezen op slechts een zeer kleine pool van kwalitatief hoogstaande auteurs die ook nog eens moeten zien te overleven in een steeds commerciëler wordend literair klimaat. Die moet je overhalen om voor je blad tegen een door de overheid vastgesteld laag tarief te schrijven, in plaats van bijv. voor de krant, die per woord vier à vijf keer zoveel betaalt.

Overigens hebben we, omdat we ook het gemis aan 'echte besprekingen' voelen, de rubriek 'Het maaiveld' in het leven geroepen, waarin boeken die dat volgens de redactie verdienen uitgebreid besproken worden: in dit nummer Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers door Arnold Heumakers en Lucifer van Connie Palmen door Manon Uphoff

CB: Hier wil ik even, ja hoor, met een Bourdieu-achtige opmerking komen: zou het niet zo moeten zijn dat bladen de medewerkers zoveel cultureel kapitaal verschaft, dat zij dat elders – en gemakkelijker – te gelde kunnen maken?

ML: De waarde van cultureel kapitaal is in onze maatschappij sterk verminderd. Ik zie dat ook op de universiteit, waar de waarde van opleidingen wordt afgemeten aan het aantal studenten dat de studierichting aantrekt, waar het Academiegebouw wordt uitgebaat door een cateraar en de idee dat een universitaire opleiding ook een intrinsieke waarde heeft verdwenen is. Dat geldt ook voor de literaire wereld. Ooit behoorde het tot het zelfbeeld van een literaire uitgever dat hij (we spreken over het verleden, dus geen 'of zij') poëziebundels uitbracht en een eigen letterkundig tijdschrift. Nu moet een tijdschrift zich bewijzen en is er een wachtrij voor de uitgave van dichtbundels. Verkoopcijfers lijken tegenwoordig ook deel uit te maken van 'cultureel' kapitaal. Voor zover letterkundige tijdschriften cultureel kapitaal kunnen bieden is dat zo gering dat het eigenlijk alleen aantrekkelijk is voor auteurs die (nog) helemaal geen (cultureel) kapitaal hebben: debutanten die niet rechtstreeks de weg naar de uitgeverijen weten te vinden; onbekendere auteurs die niet de ruimte krijgen op andere fora. Interessant in dit verband is overigens dat we veel ongevraagde inzendingen binnenkrijgen van vooral dichters die op internet publiceren. Blijkbaar verschaft een papieren publicatie nog steeds meer cultureel kapitaal, of wordt dat zo gepercipieerd.

CB: Neemt de redactie – en ik bedoel dit in het geheel niet cynisch, of ironisch – een moralistisch standpunt in ten opzichte van literatuur.

ML: Ja, daarin heb je gelijk. Literatuur is ons heilig - uiteraard in het volle besef van de vooronderstellingen van die uitspraak (wat is literatuur? wat is heilig?) Ik kan wel zeggen dat de redactie een tamelijk elitair standpunt inneemt over wat 'literatuur' is - hetgeen iets heel anders is dan een elitair standpunt innemen over wie literatoren zijn.

CB: Terzijde: behoren fictie en non-fictie beide tot het domein van de literatuur?

ML: Nou, 'terzijde'... Dat is de cruciale vraag voor dit nummer! Naar mijn mening behoort non-fictie slechts in uitzonderingsgevallen tot de literatuur. Maar de rechtvaardiging van die mening is uitermate lastig te geven. Zijn we in de val van een marketingstrategie gevallen of bestaat er echt literaire non-fictie?

CB: Dat vind ik een boeiende vraag. Je zou sommige boeken van Capote literaire non-fictie kunnen noemen. Toch? Of Kapuczynski, soms (De Keizer is een verslag van de nadagen van Haile Selassi, maar het is ook literatuur...) Is de vraag of een tekst literair is dan toch alleen een kwestie van stijl?

ML: Relevant hier is het boek van Vogelaar over kampliteratuur. Misschien dat we daar nog een keer een themanummer aan wijden. Verhalen over kampbelevenissen is een vorm van ultrarealisme. En toch kun je je met Vogelaar de vraag stellen 'Wat maakt dit boek tot een ontroerend egodocument en dat tot echte literatuur?' Daaruit blijkt dat stijl zeker belangrijk is, maar niet alles bepalend; ook de beheersing van de auteur over de feiten.

CB: Met Vogelaar haal je een apart geval aan. Hij is iemand die ik eerder een politicus dan een schrijver zou willen noemen. Als hij een 'ontroerend egodocument' alleen dan kan waarderen, als het 'echte literatuur' is, creëert hij volgens mij – en misschien wel expres – een welles-nietes waar alleen ellendig leesvoer van kan komen – het oeuvre van Vogelaar zelf. Vogelaar vind ik vaak een onproductieve schrijver – iemand die zich vastklampt aan de status die hij als schrijver heeft, in kleine kring, en niet aan zijn schriftuur.

ML: Dat ben ik niet met je eens. De inzet van dat boek van Vogelaar lijkt mij dat hij grip wil krijgen op realisme in de literatuur. Dat zou het thema van dat nummer zijn

CB: Tsja... Hoe dan ook: dank voor dit interview en gefeliciteerd met het fraaie nummer van jullie blad!

1-7-08

Ceci n'est pas une pipe

Fumerende verzen, bij een verscherpt landelijk rookverbod, juli 2008

Marlboro man

I

Als zijn reclamefotograaf is uitgewerkt
heeft hij een vreemde voorsmaak in zijn mond
en hij is moe. Als niemand naar hem kijkt

is hij de cowboy van het sigarettenmerk
maar zonder hoed, met een gerookte tong,
een man die langzaam harde gele vingers krijgt.

Maar ik wil niet terug. Dus wij gaan zitten roken
alsof het hele plan niet opgegeven is.

Wij zijn een kleine doelgroep. Dit is geen vergissing:
wat hij er ook aan over houdt, dat wil ik ook.

II

Wij roken en wij roken. Het geheim
is bij het inhaleren af en toe te slikken
want rook prikkelt de maag. En stimuleert de darmen

en geeft een betere verdeling van de pijn:
de voorman met de cowboyhoed en ik,
wij vallen samen voor tabaksreclame.

Ik grijns en knijp mijn linkeroog stijf dicht
alsof het traant. Ik lijk op iemand anders;

terwijl ik zeg: ik zou mijn vingers willen branden
zet hij zijn cowboyhoed weer op. Contractverplichtingen.


Scène, in een tabakswinkel

Vanavond kreeg ik plotseling de geest. Die zegt:
je zult je vader moeten wreken. Zoek de man
bij wie hij sloffen sigaretten kocht
en knijp met blote handen hem de luchtpijp dicht.

Ik kom die winkel in. Daar staat mijn moeder
die net een praatje maakt. En dus verander ik van plan.

Ik onderbreek hen met een kunstig rokershoestje:
als hij zich schuldig voelt, dan weet ik niet meer zeker

wat nu het beste is. Hij kijkt mij giftig aan
en presenteert een sigaret. Die kunnen we niet afslaan.

Op mijn beurt dwing ik hem een pijp te roken:
de zaak staat blauw. De man grijpt naar zijn borstkas

en iedereen heeft het benauwd. Dit is een feestje:
zo dicht bij het succes ben ik nog nooit geweest.


Zelfportret met opgeraapte sigaret

Hier sta ik naast het huis. Ik heb geen vuur.
Dit is de waarheid in mijn mond. De sigaret
die ik gevonden heb. Ik ben gestopt met roken

omdat het wachten mij niet lang genoeg kan duren
maar als u overal die dingen neerlegt
ben ik uw man. Die nog moet worden aangestoken.

Dus komt u straks met vuur. Of zijn de lucifers
die ik in januari vond het teken

en wilt u dat ik alle troep laat liggen
en deze sigaret bewaar om op te steken

zodra ik pijn krijg op de borst, en mijn gedichten
niet langer nodig zijn. Ik kan de rook inslikken

want dat kalmeert de maag. Dan kan ik eindelijk
de laffe waarschuwing negeren en een roker zijn.

© Menno van der Beek; het tweeluik 'Marlboro man' werd niet eerder gepubliceerd, 'Scène in een tabakswinkel' is uit Kaddisj en 'Zelfportret met opgeraapte sigaret', licht gewijzigd, werd ook niet eerder gepubliceerd.

Menno

28-6-08

Gat

Ooit groef hij in de Grote Markt een gat. Hij groef
een gat zo diep dat hij het hart van Groningen
kon zien. Het klopte, maar het klopte nors.

Met zijn schep heeft hij het hart toen niet doorboord,
maar toegestopt. Groef elders in de stad. Trof daar
nog meer harten aan. Die stak hij wel. Harder dan hij
kon verdragen bleef de hartenklop tot in de buitenwijken

hoorbaar.

Nu sluipt een dichter door de oude binnenstad.
Zijn hart zit in een tas. Zijn schep is zoek. Hij wordt
gehoord maar ook het luisteren verloopt hier nors.

(voor Bart FM Droog)


© Chrétien Breukers, 2008; uit: Hannie Rouweler (red.): Uit het Noorden waait de muze aan (Dichters over Groningen); uitgeverij Passage, 2008

15-6-08

Zijn dichters zielig?

Zijn dichters zielig? Het is een vraag die me tot voor kort, eerlijk gezegd, zelden of nooit bezig hield. Ik had wel een bepaald beeld van de zogenaamde ‘beroepsgroep’ (morsig, verward, drankzuchtig, nee-zeggend tegen het leven en in het slechtste geval rancuneus), maar aangezien ik als journalist en columnist gewend ben ‘het gesprek van de dag’ te volgen en van flankerend commentaar te voorzien, prijkten de dichters, dat begrijpt u, zelden bovenaan mijn agenda.

We weten immers allemaal dat dichters er sinds mensenheugenis ‘bij hangen’ (ze worden doorgaans niet meer dan getolereerd, bij wijze van troost in kleine tot zeer kleine kring bewonderd, maar bij gebleken uitzonderlijkheid over het algemeen afgescheept met schamele geldprijzen), ze spelen niet of nauwelijks een rol in het maatschappelijk leven en dus vragen ik en mijn collega’s nooit aan een dichter wat zijn of haar standpunt is over de dubbele nationaliteit, het boerkaverbod of het gedoogbeleid rondom softdrugs.

Logische vraag: hoe komt het dat ik me sinds kort wél ben gaan afvragen of dichters zielig zijn? De slimmeriken hebben hun vinger al opgestoken, natuurlijk, want zij voorvoelen het antwoord, namelijk dat ikzelf op het punt sta dichter te worden. Bewijs? Er gaat een bundel van mijn hand verschijnen.

Ineens ligt het dus een stuk meer voor de hand om me af te vragen: hoe leuk is het om een al dan niet zielige dichter te zijn? Zal ik meer levensgeluk tegemoet kunnen zien? Word ik straks vriendelijker bediend in winkels? Of ben ik bezig mezelf vrijwillig in de rol van paria te manoeuvreren? Waaraan je dan weer de vervolgvraag zou kunnen koppelen: hoe gezellig, eenzaam, licht of zwaar is het om in de voortrazende economie van 2008 een paria te zijn? U merkt ’t al – vrágen, vrágen. Het houdt maar niet op.

En die onophoudelijke neiging tot vragen stellen, is zeker één van de voornaamste kiemen geweest die mijn dichterschap heeft aangemoedigd. Want als je na bijna twintig jaar krant- en weekbladproza van één ding overtuigd raakt, is het dat zolang je de gebaande paden van de taal bewandeld, zolang je de ANWB-borden van de logica blijft volgen, zolang je voor je lezerspubliek steeds weer een begaanbaar weggetje in taal aanlegt, je, helaas, niet nader zult komen tot de begrippen die een mensenleven uiteindelijk bepalen, grote begrippen als, vergeef me: Angst, Euforie, Gemis, Vervolmaking, Liefde, Seks en natuurlijk broeder Dood.

Na zoveel jaar kom je bijna lijfelijk tot het inzicht dat je met de taal, de logica en de retorica aan je zijde onbewust aan een bouwwerk hebt getimmerd dat ik in een sombere bui een hondenhok noem. Een solide hondenhok, dat wel (het vindt gretig aftrek), maar ook een hondenhok dat onmiskenbaar knelt, benauwt, ook al ziet niemand in mijn omgeving dat en vragen studenten mij dagelijks naar de basisprincipes van het bouwen van zo’n hok, in de vurige hoop ooit zelf in staat te zijn zo’n hondenhok in elkaar te zetten.

Deze redenering volgend, zou mijn bundel eigenlijk de pathetische titel ‘Ontsnapping uit het hondenhok’ moeten dragen. En als we ons even voorstellen dat de bundel inderdaad zo zou heten, is de vraag ‘Zijn dichters zielig?’, hoera, misschien wel meteen beantwoord. Want hoe zielig ben je niet als je jarenlang aan een hondenhok timmert, dat je uiteindelijk niet bevalt? En hoe zielig is het niet dat je alleen door het schrijven van gedichten aan dat hondenhok kunt ontsnappen?

Alvorens ik hier en nu in huilen uit ga barsten en tot de conclusie kom dat ik de állerzieligste zielenpoot op aarde ben, troost ik mij met het gegeven dat er mensen zijn die waar ik ‘hondenhok’ zeg ‘waardevolle journalistiek’ zeggen, waar ik ‘ontsnappen’ zeg  ‘verder kijken’ zeggen en waar ik ‘waf!’ zeg ‘een prachtig gedicht’ zeggen. Want je kunt de zaken godzijdank natuurlijk altijd omdraaien (zeker in taal) en vragen: hoe verdwaald en zielloos ben je als je nog nooit je eigen hondenhok hebt getimmerd? Hoe mager is je geest als je de beperkingen van de taal en je begripsvermogen niet inziet? Hoeveel mis je niet als je nooit opgesloten hebt gezeten in je eigen hondenhok, plotseling in staat blijkt de ketting stuk te bijten en door het dolle heen de vrije ruimte in rent?

Laat ik de centrale vraag uiteindelijk maar tot mijzelf beperken: ben ik zielig? Wie weet. Maar als losgebroken dichter zeker niet!

© Hans van Willigenburg, rede uitgesproken bij de presentatie van Objectief verzuipen, in café Dikt te Rotterdam

11-5-08

Tongebreek

Wij konden ons verstaan. Wij stemden met ons in.
Toen brak van één de tong. Hem sloeg de taal uiteen.

Het was een stille dag. Wij wisten het nog niet.
Wij zouden snel verspreid. Wij zouden ruw verstrooid.

Wij zouden weg van huis en haard. Onze vaders
achterlatend naar een verre streek. Zonder naam

en met een dikke strot. Mompel klonk voortdurend
om ons heen. Gelach. Geklaag. Gebed. Geteem.

De wereld was zo groot. Wij werden her en der
gemoord. Geduld. Gehoord. Zij konden ons verstaan

en deden dat met harde hand. Of zacht. Of niet.
Wij bouwden ons een huis. Maar wat geen spraak beschrijft

hangt als de – hangt voornaam – hangt – hangt nog
als nevel – steekt als een angel in de keel.

© Chrétien Breukers, Pinksteren 2008

6-5-08

'Als er iets overblijft'

De kaas mag van de Aldi komen;
De ketchup uit de derde rij daar links.
De margarine is van Gouda's Glorie.
En wijn is straffe kost uit oud karton.

Ik zal een muf stuk kip gaan eten
Gevuld met knoflookresten en tevredenheid.
Een laken hang ik voor het venster
Omdat het geld ontbreekt voor beter spul.

Spiritus zal branden in je mond
En daarom zing je almaar valser,
Als een hond die op zijn falie heeft gehad.

Je buik met Lidl huismerkjam bestreken
Zo lok je mieren op het tafelblad.
De vorken en de messen zijn nog vuil.

De huiswijn van Dirck III  gaat in onnoembaar
Gore teugen door je doorgezopen strot.

© Chrétien Breukers, 6 mei 2008

Naar: 'Mijn beurt' van Stefan Hertmans

4-5-08

Nieuw Zuid #29

Nieuwzuid (driemaandelijkse discursieve machine voor cultuurkritiek en amusement), inmiddels in de achtste jaargang, heeft een heus mission statement, dat zo inzet: "Nieuwzuid is een driemaandelijks tijdschrift voor cultuurkritiek en amusement. Het onderwerpt, nummer na nummer, courante discoursen in de literatuur en de cultuur maar ook daarbuiten aan kritische analyses. Het vraagt zich af of wat vanzelfsprekend lijkt te zijn, dat ook echt is. (En natuurlijk is het dat niet.) Nieuwzuid legt zich daarom vooral toe op het genre van het essay, in de ruimste zin van dat woord."

Dat een redactie die zich niet schaamt voor zoveel expres houterig geformuleerde onzin, nog interessante tijdschriftnummers kan maken, ligt aan de medewerkende auteurs – zij trekken zich gelukkig helemaal niets aan van die discursieve dissonanten.

Het onlangs verschenen 29e nummer van Nieuwzuid bevat twee zeer sterke bijdragen. In de eerste plaats: nagelaten verzen van Michel  Bartosik, de begin dit jaar overleden dichter en docent, gevolgd door een in memoriam van Hans Vandevoorde. In zijn zeer persoonlijke stuk schrijft Vandevoorde:

Als criticus en docent had Michel Bartosik een fijne neus. Als een van de eersten onderkende hij het belang van Hamelink, op wie hij in 1978 aan de VUB promoveerde, en van Kees Ouwens, over wie hij les gaf, en als een van de eerste en weinige Vlamingen wijdde hij essays aan Gerrit Kouwenaar. Hij schreef liefdevol, tastend, voorzichtig over dichters die hij liefhad. Daarvan getuigen vooral de kronieken die hij de laatste jaren in de Poëziekrant schreef. Over Gezelle bijvoorbeeld: 'Wat de priester-dichter in de twee resterende meesterlijke en in mijn ogen ongeveinsd gealarmeerde strofen doet, is voor zijn doen (voor zover ik het als louter liefhebber kan overzien) behoorlijk uitzonderlijk.'
Over hemzelf echter heeft nauwelijks iemand op deze liefdevolle manier geschreven. Hij deed ook geen moeite om in de belangstelling te staan. Ik kende hem nauwelijks als mens en begon hem pas te leren kennen als collega, maar het beeld dat hij van zijn vader gaf in zijn gedichten – dat van een zachte, lieve man – was ook het beeld dat ik van hem had. Als elke dichter was hij overgevoelig voor onrecht en miskenning, waar hij die bespeurde. Hij meende dat de Universiteit als institutie zijn inzet niet genoeg waardeerde. Maar daarom gaf hij zich niet minder aan de studenten, die hij leerde lezen wat er stond. Hij analyseerde met hen onder meer 'Het lied der dwaze bijen' van Nijhoff, omdat de tocht van de bijen veel weg had van het dichten, het avontuurlijke zoeken naar het hogere. Dat reiken naar het onmogelijke, met als beloning de dreiging van het 'zwijgen' en 'het niets', is eigen aan elke authentieke dichter, en dus ook aan Michel Bartosik.
Te weinig bekend, onvoldoende gewaardeerd en te vroeg gestorven. We hebben zijn bescheidenheid te weinig attentie gegeven: als dichter, als docent, als mens. Zonder twijfel was hij onze beminnelijkste dichter, die echter door de dood te vroeg werd bemind.

Een van de nagelaten verzen van Bartosik uit Nieuwzuid heet 'Moeder probleemloos ondood':

Dat gehuurde bed lijkt je vanmorgen
vroeg te willen gaan passen, je
ligt voorbeeldig doodsstil
gekrompen, arm over de vederlichte oktober
deken open en bloot streelbaar, maar
meteen geschrokken schuw
terugdeinzend de doorluchte hand misschien
aanstotend die bij de arm hoort welke
je moeder probleemloos ondood
je offreert

© [erven] Michel Bartosik

Daarnaast bevat Nieuwzuid 7 verzen van een van mijn favoriete dichters, Hendrik Carette. Met zijn toestemming nemen wij daarvan hier het gedicht  'Een dagdroom aan zee, hoog en droog op de dijk van Castricum' over.

Verder in Nieuwzuid: bijdragen van Arnoud van Adrichem, Danny Dobbelaere, Herlinde (sic) Vekemans, Philippe Beck, Jean-Michel Espitallier en Charles Pennequin; Jan H. Mysjkin zorgt voor vertalingen uit de hedendaagse Franse poëzie + inleiding.

Nieuwzuid #29, los nummer: €7,5; abonnement: €19; abonnement buiten België: €30. Meer info via e-mail >>

Uitgeverij De Contrabas
Lucifer - Frédéric LeroyFrédéric Leroy
Lucifer

Een talent om te koesteren
Uitgeverij De Contrabas
€ 12.50
Klaai - Lammert VoosLammert Voos
Klaai

Voos schildert en maakt nog steeds muziek
Uitgeverij De Contrabas
€ 12.50

Zoeken

Twitter

Nationale Gedichten Wedstrijd

Colofon

Onder redactie van Chrétien Breukers en Ton van 't Hof. Vaste medewerkers: Fa Claes, Peter de Groot, Kees Klok, Hanz Mirck en Jan Pollet. Reacties onder eigen naam of dichters- pseudoniem zijn zeer welkom. Anonieme of niet ter zake doende reacties worden verwijderd.
Het leven van - Nachoem M. WijnbergNachoem M. Wijnberg
Het leven van

Winnaar van de
VSB Poëzieprijs 2009
Uitgeverij Contact
Veldheer en andere liefdesgedichten - Bart FM DroogBart FM Droog
Veldheer en andere liefdesgedichten

Uitgeverij De Contrabas
Nieuw
Lees enkele gedichten

Laatste reacties

Elders

Google Nieuws

Pagina's

Adverteren?

De Contrabas wordt meer dan 40.000 keer per maand bekeken. Wilt u ook tegen gunstige tarieven adverteren? Neem dan contact met ons op >> email. Bekijk onze advertentietarieven.

FeedCount

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005