Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

Hoofdmenu

Poëziekalender Feed

14 januari 2014

Dinsdag 14 januari: Jan H. Mysjkin

Dit is de nieuwe bundel van Jan H. Mysjkin. Hij is te bestellen. Swoon maakte een commentaar op een van de gedichten uit de bundel, ‘De barometer hapert’.

De barometer hapert / The barometer's stuck from Marc Neys (aka Swoon) on Vimeo.

13 januari 2014

Maandag 13 januari 2014: Karel van den Oever

Dinska Bronska

Uit een oud dorp,
- kameelbruin als de steppe -
uit Plocka,
kwam Dinska Bronska.
Haar hoofddoek was pruisisch-blauw
en haar haar vlas-geel;
ook waren haar ogen blauw
als fjord-water.
Zij rook naar knoflook en spar,
zij droeg laarzen
en ging zeer zwaar en gauw.
In het ‘Hotel Lapland’ zat zij
bij een tafel aan het straat-raam
zij schreef ’n brief.
Een haarlok viel laag op haar rode kaak
en zij stak haar tong uit,
want ze schreef moeilijk die brief
en daaronder ‘Dinska Bronska’, haar naam.
Ze stak ook de penstok in haar mond
en zocht met haar ogen langs het plafond.
Op het papier waren ’n inktvlek
en groot gestompel van letters:
zij kocht het voor tien centiem
in de kruidenierszaak
over het hotel.
Er was ’n beetje inkt aan heur kaak.

O, Dinska Bronska;
gij vertrekt naar Canada:
de verroeste stoomboot wacht langs de kaai.
Gij laast op een almanak
der ‘Red Star Line’
dat Canada grotere appels,
o, hoger en geler koren heeft dan Plocka.
Het moet in Canada veel beter zijn!

O, Dinska Bronska,
met je zeer dikke vingers:
je schrijft zo moeilijk die brief.
Je ogen zoeken vliegen op het plafond.
‘Moj Boze!’
Er zit 'n tranen-veeg,
o zo verdrietig,
van je blauwe ogen naar je mond.

O, Dinska Bronska!

KarelvandenoeverDinska Bronska was een landverhuizer. Zij ging met de Red Star Line naar Canada, zoals zoveel mensen die tussen 1873 en 1935 met de schepen van deze reder naar de nieuwe wereld voeren. Daar zit ze dan, in Hotel Lapland, een hotel dat ik op internet niet meer kan terugvinden, en ze schrijft een brief.
  De dichter beschrijft haar met een paar royale streken. Dinska is kameelbruin, met vlasgeel, Pruisisch blauw en blauw erdoorheen. Ze komt uit Polen, tenminste, als Plocka gelijk is aan Plock. Je krijgt gewoon met haar te doen, zoals ze daar zit. Ze heeft een voor Antwerpse begrippen (van toen) exotische geur bij zich, en ze loopt als een soldaat...
   Zou Karel, pardon, zou de dichter liefde voor de Poolse bruid hebben opgevat, en komt hij daarom tot deze uitroepen? Wij weten het niet, al is hij merkwaardig goed op de hoogte van haar uiterlijk en lijfgeur. Of zoek ik het te ver en heeft de dichter het alleen maar te doen met dit arme kind, zo ver weg van huis, op weg naar nog veel verder, alleen aan een tafel in dat ellendige hotel?
Het is een gedicht dat je zonder moeite honderd keer kunt lezen. Het is een smartlap en een licht-expressionistisch meesterwerk in één. De botsing van klanken geeft bij voordracht een fijn mondgevoel en het gedicht is ondanks de redelijk hoge leeftijd zeker niet belegen. Integendeel. Ik heb het ooit voorgelezen aan mijn dochter van tien jaar en die beschouwt het nu als een van haar favoriete gedichten (ja, ik doe alles om te voorkomen dat mijn kinderen van Annie M.G. Schmidt gaan houden, al houdt zij ook van Annie M.G. Schmidt).
  Ik denk dat dit gedicht het vooral zo goed doet, omdat het een beetje baldadig is, wat de scherpte van de ook aanwezige sentimentaliteit afhaalt. De dichter verliest zich niet alleen in verdriet of melancholie, hij blijft lekker zingen en zwatelen - en hij beschrijft zo mooi hoe Dinska, moeizaam, die brief in elkaar zit te sleutelen...
  Maar ook de soms zinloos lijkende details (dat ze laarzen draagt, de prijs van de brief, et cetera), schijnbaar tijdgebonden, geven het gedicht toch iets universeels. Met Dinska heeft Van den Oever een grootse heldin geschapen, iemand van wie de kinderen ongetwijfeld grootse daden hebben verricht, in dat verre Canada. Sorry, Kanada. 

Karel van den Oever, Verzameld werk, Kempische Boekhandel, Retie, 1985 (2 delen, met een inleiding van R.F. Lissens en een biografie van F. Verachtert)

12 januari 2014

12 januari 2014: Cees van der Pluijm / Peter Coret

Exodus

Er was een droom van duizend mooie jongens
Op witte paarden rijdend door de nacht
Met wapperende zachtfluwelen kleren

Ze hadden heel het leven in hun macht
De aarde draaide door hun galopperen
En waar zij reden, werd het nooit meer licht.

Hun schoonheid was alleen nog te bezweren
Door ’t magisch ritueel van een gedicht:
Er was een droom van duizend mooie jongens

Maar niemand kreeg die woorden uit zijn mond
Want wie hen zag, versteende waar hij stond

120px-Cees_van_der_Pluijm-17Dit gedicht komt uit de cyclus ‘Vanitas’, die in 1985 als bibliofiele uitgave verscheen bij Sub Signo Libelli en drie jaar later werd opgenomen in de omvangrijkere bundel met dezelfde titel, Vanitas dus (en nog weer later in Pluijms verzamelde dichtwerk, zie hieronder). Hij heeft als opdracht: ‘Voor Bert * 14 februari 1964 - "† 9 januari 1984’. Deze Bert ‘kende’ ik, dat wil zeggen: hij zat ook in het eerste jaar Nederlands. Hij pleegde zelfmoord toen we al in het tweede jaar zaten. Natuurlijk mag een ‘persoonlijke’ achtergrond niet meetellen, maar ik heb het gedicht toch nooit los van de ‘echte’ Bert kunnen zien. We hoeven nu ook weer niet Roomser dan de literaire Paus te zijn.
  Maar ook los van het ‘echt gebeurde’ vind ik ‘Exodus’ een mooi gedicht. Waarom? Omdat het mooi in mineur staat - en ritmisch inderdaad iets wegheeft van die door de nacht rijdende paarden... En om de geheimzinnige slotregels; waarom zou iedereen verstenen bij het zien van die mooie jongens? Wat galoppeert daar nou eigenlijk door de nacht - en waaróm galoppeert het daar door de nacht?

Lees meer "12 januari 2014: Cees van der Pluijm / Peter Coret" »

11 januari 2014

Zaterdag 11 januari 2014: Sanja Šimunić

een oude vos verliest terrein maar niet zijn haar

hij vertelt over zijn huis aan de dijk
daar onder de lachende maan
wil ik een rivier voor hem zijn

ze zeggen dat hij met me speelt
moeiteloos rol ik mezelf naar binnen en op
tot pluizige bolletjes wol

soms drukt hij iets van liefde uit
is dan weer beleefd
of hoekig als een dobbelsteen

zijn buik zit vol met leeuwen
zijn kapper heeft de geest gegeven
zijn voorbeeld is een duitse generaal

veldslag na veldslag spelt hij voor me uit
terwijl ik de kruimels van zijn kin lik
kon ik zijn woestijnvos zijn

zou ik hectare na hectare veroveren
hem een kaart tekenen
een land geven dat hij hoeden kan

tussen ons staat een heel leven
en zo veel andere bezwaren
hij noemt mij kind ik noem hem sluw

SanjaBovenstaand gedicht van Sanja Šimunić stond vanaf 4 januari jongstleden een paar dagen op de website van Meander, en werd toen weggehaald. Zonder opgaaf van reden. Die reden is: Sanja Šimunić is een mystificatie, van Jolies Heij. Dat is ze al drie jaar, maar gek genoeg was dat drie jaar lang bij niemand bekend, en nu ineens wel.
  Niet erg sportief, van de collega’s van Meander. Bovendien, waarom zou een dichter geen mystificatie in het leven mogen roepen? Als je de lijst met dichters bekijkt, die op Meander publiceerden, kan daar best af en toe eens een niet-bestaande dichter tussen. Dat is de peper op de de steak tartaar, of zoiets.
  Misschien nog belangrijker is de vraag: is dit een mooi gedicht? En daarop zou ik alleen maar kunnen antwoorden met: Ja. Dus: had het lekker laten staan. Het gedicht is een aanwinst voor de site. Dus doe niet zo raar en zet die tekst terug, en dat interview ook.
  Dat interview, waarin Sanja (24 en toch al jaren lerares in Zeist) onder meer vertelt over haar manier werken. ‘Op de vraag In een zin als ‘‘zijn buik zit vol met leeuwen’’ wissel je heldere taal af met een wat absurde inhoud. In hoeverre past dit bij jouw schrijfstijl?’ zegt hij ‘Ik vind dat de taal helder moet zijn, maar mijn gevoelens zijn dat vaak niet. Daarom kom ik uit bij die absurde beelden waarvan ik trouwens wel verlang dat ze zo treffend mogelijk zijn en in overeenstemming met de taal. In het begin schreef ik nog meer op gevoel, nu wil ik dat alles klopt.’
  Een kleine, maar toch wel trefzekere poëtica, die in ‘een oude vos verliest terrein maar niet zijn haar’ wordt uitgewerkt. Want treffend is het gedicht zeker. Geheimzinnig ook. Misschien niet meteen absurd, al wordt er wel met het absurde geflirt. Ik vind dat er eerder iets dreigends in zit, ongeveer zoals in de gedichten van Hendrik de Vries. Zou de dichteres dat werk gelezen hebben? Ik weet het niet en ik zou een eventueel antwoord niet meteen vertrouwen. Wie drie jaar iemand anders kan spelen, kan andermans oeuvre met gemak wel/niet hebben gelezen.
  Met name de eerste, vijfde en zevende strofe vind ik subliem. Daarin draait de machine van de taal zo soepel als de motor van een Bugatti 251, met een knipoog naar de oude snoeperd Willem Elsschot in strofe zeven. Die had trouwens veel jongere minnaressen... is hij de oude vos over wie Sanja schrijft? Hoe het ook zij: het wordt tijd om de gedichten van Heij en  Šimunić eens beter in de gaten te houden.

10 januari 2014

10 januari 2014: Simon Vestdijk

Januari

Na bonte feesttijd breekt het witte licht
Van sneeuw en ijs van onder uit de aarde;
De schijnsels zijn van omgekeerde waarde:
De lucht is grauw en loodzwaar van gewicht.

Een week die zooveel heil’ge wond’ren baarde
Voelt weken lang tot voortgang zich verplicht
In de natuur, waar fonk’lend opgericht
Kerstboomen nog wat feest’lijkheid vergaarden.

Een naspel eerder dan een prille aanvang
Is deze maand, die iets afmattends heeft:
Een weduwe die graag gevrijd wil zijn.

Geef haar haar zin en volg haar wufte aandrang
En denk niet aan die omgekeerde schijn,
Waarin de hemel op de aarde leeft.

Vroeger, nietwaar, toen je nog winters had, toen had je nog winters. Mijn opa zei altijd: ‘De winter van 1929, dát was een strenge winter.’ Daar hadden wij niet van terug, want wij waren toen nog lang niet geboren. Mijn ouders konden de barre maanden uit 1963 nog in stelling brengen, maar wat hadden wij nou helemaal meegemaakt? Nou?
  De januarimaand van Vestdijk (uit de cyclus ‘Rondgang door het jaar’) is winters, en tegelijkertijd heel, tsja, mystiek. Hemel en aarde wisselen van plek, het licht lijkt ‘van onder uit de aarde’ te komen, het licht dat met kerstmis nog herboren is, lijkt zich langzaam, maar nog niet in de lucht (die grijs is, en zwaar), te manifesteren. De wereld is gestorven en staat, wachtend op de wedergeboorte, op de kop
  Vestdijk noemt het licht dat afkomstig is van ijs en sneeuw de voortzetting van de (kerst)week die ‘zooveel heil’ge wond’ren baarde’, alweer een omkering: het licht komt uit de aarde, de lucht is als een deksel dat alles juist afsluit. In het octaaf is Vestdijk een ware goochelaar, iemand die de religieuze en mystieke moppentrommel kent en op tijd kan opengooien. Het is nog een mooi octaaf ook; misschien niet heel vloeiend, maar zeker niet slecht en in vergelijking met veel wat verscheen en verschijnt zeker niet slecht.
   In het sextet begint het pas echt te knetteren, alsof Vestdijk zich eerst acht regels in vorm moest schrijven en toen opsteeg. In die zes regels ‘vergeet’ Vestdijk zichzelf, laat hij het formele harnas vallen en gebeurt er iets... er gebeurt iets anders. De taal trilt en zindert. Vestdijks poëtische instrument is plotseling op toon en het ritme krijgt dat dwingende wat je ook bij Nijhoff wel eens aantreft. Zo ontstaat een vreemd gedicht, half maakwerk en half pure lyriek. Misschien is dat ook een omschrijving van het héle dichtwerk van de Tovenaar van Doorn.

In: Simon Vestdijk,Verzamelde gedichten (ed. Martin Hartkamp). Athenaeum-Polak & Van Gennep, Bert Bakker, De Bezige Bij, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam / Den Haag 1971, deel 2'; ook op: www.dbnl.org.

09 januari 2014

9 januari 2014: Marleen de Crée

VitavitaOp een dag in 2004 kreeg ik de bundel Vita Vita toegestuurd door de onvolprezen uitgever Leo Peeraer. Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik voor die tijd nooit van de dichteres, Marleen de Crée, had gehoord, ondanks een meer dan gemiddelde interesse in Vlaamse poëzie en ondanks het gegeven dat ze al in 1969 debuteerde.
  Wat een omissie in mijn kennis. Ik las de bundel en was diep onder de indruk. Op de weblog Poëzierapport, helaas verdwenen, schreef ik onder meer:

‘Marleen de Crée vertilt zich niet. In een aarzelende, maar toch krachtige stijl bouwt ze een sonnet-achtig gedicht dat zachtfluisterend klinkt als een klok. Ze schrijft ingetogen maar niet zo ingetogen dat haar gedichten louter uit fluisteringen bestaan; ze hanteert een stijl die aarzelt, talmt, maar het irriteert geen moment, sterker nog, het sleept zonder dat je het meteen in de gaten hebt mee. Een ander aspect van de poëzie van De Crée is dat zij zintuiglijk en lichamelijk is. Dat zit hem niet zozeer in de themathiek (zij het ook in de thematiek) maar vooral in haar taal.’

Een van de gedichten die mij meteen aanspraken (en niet alleen omdat het de bundel opent) is dit, het eerste gedicht uit de cyclus ‘Water’. Volgens mij is het een goede illustratie bij wat ik in die recensie beweerde:

Lees meer "9 januari 2014: Marleen de Crée" »

08 januari 2014

8 januari 2014: Michel Bartosik

***

Er woont een sfinx in zee,
het koude buffet van de dood.

Laborieus geklapwiek is hoorbaar
over de branding weg en weer -
te banaal onze geschiedenis, iliasje
van licht en nacht en nog eens licht.

Er moet een ster zijn, zo nocturn
dat in de spiegel wederhoorbaarheid,

er moet, zij ’t godvergeten en in volle zee,
een kerf komen in die zerk die ons met lamme
klauw al die waardeloze tekens geeft.

Bartosik_coverMichel Bartosik (1948 - 2008) is een van die dichters die in Vlaanderen een beetje, en in Nederland helemaal niet bekend is. Toch was hij een echte poet’s poet, met een vaste kern liefhebbers; en dus verscheen eind vorig jaar het verzamelde dichtwerk van de auteur, onder de titel Schroomruil, bij het Poëziecentrum in Gent (met dank aan fiks wat inschrijvers en het Vlaamse Letterenfonds). Het is een fraai & kloek boek geworden, van ongeveer 470 bladzijden, waarvan Erik Spinoy (een dichter, schijnt, en hoogleraar in de letterkunde) er bijna 130 in beslag neemt. Hij levert namelijk de uitleg bij de gedichten, in een proza dat veel wegheeft van zeer dikke, koud geworden havermoutpap zonder suiker.
  Een voorbeeld: ‘Mag Sunt lacrimae dus bijzonder toegankelijke, spreektalig aandoende gedichten bevatten, nadere lectuur laat zien dat ze stuk voor stuk met grote zorg geconstrueerd zijn, al klinken die woorden misschien te cerebraal om de genese van deze gedichten adequaat te beschrijven.’ En dat 130 bladzijden lang, op maar 281 bladzijden waarin de poëzie van de ontslapene is bijeengegaard. Als academisch vertoog niet onaardig, nou ja, niet spectaculair slecht, maar hiermee krijgt Bartosik geen groter publiek vrees ik.   Krijgt hij het met zijn gedichten wel? Ik had zijn werk al jaren op een lijst ‘te lezen’ staan en nu is het er eindelijk van gekomen. Ik weet niet of het werk me meeviel. Mijn algemene idee: Bartosik wist heel goed hoe poëzie ‘werkt’ en wist die kennis om te vormen tot een klein corpus eigen gedichten. Die zijn, zoals dit gedicht uit de cyclus ‘Sfinx in zee’ (uit de bundel Rigor mortis, die in 1980 bij Pink Editions & Productions in Antwerpen verscheen, de uitgeverij van de Pink Poets, het Antwerpse dichtersgenootschap waarvan Bartosik lid was) vooral poëzie. Gedichten zijn het al veel minder.
  Eerlijk gezegd vind ik het wel jammer, dat het verzamelde dichtwerk me een beetje tegenviel. Ik had me er aardig wat van voorgesteld. Maar nee. Het is allemaal zo bestudeerd, het is poëzie die met handen en voeten vastzit aan andermans poëzie, het werk is niet eigen (al hoor je soms echo’s van Jos de Haes of Hubert van Herreweghen en had hij ergens een potje met experimentele mosterd in de kast staan), het is bedacht, het is... ja, nou ja, ik geloof dat ik wel duidelijk ben geweest; en naast alle genoemde zaken, laat Bartosik ook hier en daar een steek vallen in het ritme, waardoor zijn verzen (met opzet?) iets hakkeligs krijgen.
  In dit gedicht zit het ’m in het gebruik van woorden als ‘laborieus’ en in het kokette ‘iliasje’, in ‘wederhoorbaarheid’ en in ‘kerf’, een opzettelijk gebruikt vlaamsachtig woord, enfin, en dan die ‘lamme klauw’ op het eind... Bartosik geeft les, in hoe een gedicht in elkaar zou moeten kunnen zitten, maar hij vergeet dat een beetje gedicht een eigen stem heeft en klinkt. Jammer, ik had me er jaren op verheugd, en van een PP verwacht je toch meer dan dit.

Michel Bartosik, Schroomruil, verzamelde gedichten, samengesteld en bezorgd door Koen Van Baelen, Peter Bormans, Anneleen De Coux en Matthijs de Ridder, met een nawoord van Erik Spinoy, PoëzieCentrum, Gent, 2013

Naar aanleiding van de publicatie van het boek Schroomruil, verzamelde gedichten verschijnt een verzameling geluidsopnames van Michel Bartosik. Op de lp Het stomme misbaar van de stem leest de dichter  24 gedichten voor. Het gaat om verzen uit de bundel Rigor mortis, maar ook om drie ongepubliceerde gedichten, verspreid verschenen werk en een gedicht uit Bartosiks laatste bundel Geschreven familie. UItgegeven door de zoon van Michel Bartosik, Thomas Bartosik. (Dank aan Gert Brouns van Limerick)

07 januari 2014

7 januari 2014: Arjen Duinker

***

wat is dit een mooi land!
natuur! vertier!
water! bloemen en planten en dieren!
wat een mooi land! zee! bergen! heuvels!
marmotten! kleine hutten waar je kaas kan eten!
musea! kerken! klederdrachten! hotels! alles is er!
wat een land! casino’s! straten! bramen! sinaasappels!
oooooh!

DuinkerDit gedicht komt uit het debuut van Arjen Duinker, Rode oever. Die bundel maakte, in 1988, een verpletterende indruk op iedereen die een beetje ‘in’ de poëzie zat. Het waren de jaren tachtig van de vorige eeuw. Er was een beweging met Maximalen actief, de Nieuwe Wilden stoomden op... de poëzie was driftig in beweging, er werd in bladen als De Held en Adem gepolemiseerd met het mes op de tafel. Een jaar later, in 1989, zou het debuut van K. Michel, met wie Duinker enige jaren het tweemansblaadje Aap Noot Mies maakte, verschijnen, Ja! Naakt als de stenen, ook al zo’n geweldige bundel. Ik denk dat die twee bundels echt de top vormen van wat er in die jaren verscheen, en misschien wel de top van alles wat na de Vijftigers ooit is verschenen.
  Als ik aan de gedichten van Duinker denk, zie ik Garrincha voor me. Deze geniale Braziliaanse voetballer maakte altijd dezelfde passeerbeweging, met links, buitenom; en iedereen wist dat die beweging zou komen, maar werd toch gepasseerd. Duinkers passeerbeweging is de opsomming. Die heeft volgens mij een dubbele functie: de opsomming moet bezweren en de opsomming moet de chaotische werkelijkheid tijdelijk in kaart brengen. Duinker benoemt, omdat hij anders niet weet wat hij meemaakte, of heeft beleefd.
  Toen ik op Facebook aankondigde dat dit gedicht vandaag zou worden ‘behandeld’, zei Jaap van den Born dat het zich afspeelde in Zwitserland. Ik meende dat te moeten ontkennen. Vooral vanwege de sinaasappels. Waarop Van den Born met deze link op de proppen kwam. Als je de pagina doorneemt, krijg je het idee dat Duinker juist dáár is geweest. Of ergens dicht in de buurt... Het gedicht ‘past’ bij die locatie.
  Gedichten van Duinker worden meestal niet zo gelezen, niet zo letterlijk (en heel vaak wordt er nodeloos ingewikkeld over gedaan). Ik ben zelf ook niet per se een voorstander van een dergelijke lezing, maar op de een of andere manier vond ik Van den Borns opmerking heel treffend. Hier is een dichter aan het woord die zich als een ware Garrincha aan de kunst van de passeerbeweging wijdt. We denken dat we een schijnbaar willekeurige opsomming krijgen voorgeschoteld, maar het ‘is’ een ansichtkaart uit Zwitserland. En pats, we zijn gepasseerd, toch, ondanks de waarschuwing van onze coach, en even later is de keeper ook gepasseerd en staan we achter. Duinker lezen: hij is en blijft altijd goed.

Arjen Duinker, Rode oever, Meulenhoff, Amsterdam, 1988

p.s. Ooit heb ik in een jury gezeten, of nou ja, zitting gehad, een beetje, in een jury die Duinker de eerste prijs uit zijn carrière toekende. Dat was wat.

06 januari 2014

6 januari 2014: T.S. Eliot / Martinus Nijhoff

De reis van de drie koningen

Het was een koude tocht,
en de slechtste tijd van het jaar
voor een reis, voor zulk een verre reis.
De wegen modderig, het weer guur,
de winter op zijn strengst.
De kamelen, die hun knieën ontvelden, hun hoeven bezeerden,
    werden onhandelbaar
en legden zich neer in de smeltende sneeuw.
Menigmaal dachten we met spijt terug
aan onze zomerpaleizen op bloeiende berghellingen,
aan meisjes, in zijde gehuld, die gekoelde wijn ronddienden.
Onze kameeldrijvers vloekten, kankerden,
weigerden dienst, riepen om brandewijn en vrouwen.
Onze kampvuren wilden niet branden, onderdak was moeilijk te vinden,
de steden waren vijandig, de dorpen stug,
de gehuchten smerig en verschrikkelijk duur:
het was een ellendige tocht. 
Tenslotte reisden wij de gehele nacht door,
sliepen zo nu en dan langs de wegkant
en hoorden gedurig in onze oren zingende stemmen, zeggend:
jullie onderneming is waanzin.

Eindelijk, toen het licht werd, daalden we neer in een luw dal,
vochtig, onder de sneeuwlijn, geurend naar groeizaamheid;
een beek snelde voort, een watermolen karnde het duister, 
er waren drie bomen onder een bewolkte lucht,
en een oud wit paard galoppeerde door een weiland.
Wij kwamen bij een herberg met wijngaardranken boven de stoep. 
Zes handwerkslieden dobbelden bij de open deur om zilverlingen
en zes voetknechten schopten lege wijnzakken over de vloer.
Maar niemand kon ons inlichtingen verschaffen, en zo gingen we verder,
en bereikten des avonds, geen uur te vroeg,
de plaats van bestemming; het was (dat mag ik wel zeggen)
   de moeite waard.

Dit alles is lang geleden, ik heb het onthouden
en zou het over willen doen, maar ik stel,
dit vooropgesteld,
één vraag: was het doel dat ons dreef
geboorte of dood? Wij waren getuigen van een geboorte, zeker,
daar is geen twijfel aan. Maar als ik vroeger geboorte of dood zag,
dacht ik dat ze tegenstellingen waren. Deze geboorte echter
was een onverbiddelijk einde voor ons, een dood, onze dood.
Wij keerden terug naar ons land, onze koninkrijken,
maar voelden ons niet meer thuis in de oude orde
tussen vreemde mensen die hun goden omklemmen.
Ik zal blij zijn als ik andermaal sterf.

© T.S. Eliot, vertaling Martinus Nijhoff

T_S_Eliot_1927_The_Journey_of_the_Magi_No_8_Ariel_Poems_FaberT.S. Eliot schreef ‘Journey of the Magi’ in 1927, op verzoek van zijn werkgever Geoffrey Faber, van de beroemde uitgeverij, voor de ‘Ariel series’, waarmee klanten en relaties van het bedrijf tussen 1927 en 1931 werden verblijd.
  Het gedicht van Eliot, dat hij kort na zijn toetreding tot de Anglicaanse kerk schreef, staat hier te lezen in het Engels, en is er eveneens te beluisteren. Het gedicht werd door Nederlands eigen Eliot, Martinus Nijhoff, vertaald. Die tekst staat op DBNL.
  Ik vond Driekoningen altijd een fijn feest. En dan doel ik niet op het bedelen om snoep, want dat deden wij niet. Misschien was dat in mijn jeugd al een gewoonte, maar ik kan me in elk geval niet herinneren dat het in Leveroy gebeurde (al herinner ik me wel meer dingen niet, want ik leefde in een wereld van eigen makelij).
  Wat mij fascineerde was de zegening van het water, de manier waarop het woonhuis van oudere mensen vervolgens door de pastoor werd gezegend met dat versgeladen water... de hele hocus pocus waar de katholieke kerk zo goed in is, en die waar het de werking betreft aanleunt tegen poëzie, of het poëtische.
  Onder onze kerstboom stonden de drie wijzen, of koningen, altijd een beetje achteraf. Op de geboortedag van Jezus waren ze nog onderweg, immers. De zwarte koning was door onze pincher Tippie in een dolle bui deerlijk verminkt, en daarom had hij een platte kop. Dat was letterlijk geen gezicht, maar toch heeft hij daar jaren gestaan (en misschien staat hij er nog).
  Waar ik me vooral de geheimzinnigheid herinner, draait het gedicht van Eliot om iets anders. Hij beschrijft hoe een bekeerling zich voelt, of kan voelen. De manier waarop hij dat doet is prachtig. Eerst is er twee strofen sprake van ‘wij’, van de drie reizende koningen en in de laatste strofe schakelt Eliot ineens over op de ik-vorm. De bekeerling is heel definitief teruggeworpen op zichzelf, ook als hij een collectief wil toebehoren.
  In het evangelie van Mattheus wordt beschreven hoe de wijzen het voorstel dat Herodes doet niet inwilligen, en zo voorkomen dat de pasgeboren Heiland meteen wordt vermoord. Hier gebeurt er iets anders: een van de wijzen kijkt terug op de gebeurtenis en beseft dat wat hij heeft gezien, of ondergaan, de wereld zoals hij die tot dan toe kende definitief heeft veranderd, of uitgewist:

Wij keerden terug naar ons land, onze koninkrijken,
maar voelden ons niet meer thuis in de oude orde
tussen vreemde mensen die hun goden omklemmen.
Ik zal blij zijn als ik andermaal sterf.

Wat zal de bekeerling Eliot, die in dit gedicht de wijzen die naar Jezus reizen zijn eigen bekering laat weerspiegelen (het is een moeizame reis, alles gaat fout, et cetera) zich hebben herkend in de wijze die hij opvoert. Sterker: hij is het. Na zijn bekering was de oude wereld, de wereld die hij altijd had gekend, hem voorgoed vreemd geworden. Al die mensen, ‘die hun goden omklemmen’...
  Subtiel is de manier waarop Eliot dood en geboorte ‘samen laat vallen’, hier zien we al en voorafschaduwing van zijn beroemde regels: ‘What we call the beginning is often the end. / And to make an end is to make a beginning. / The end is where we start from.’ Wat dat betreft hadden de wijzen uit het evangelie misschien net zo goed wél terug kunnen keren naar Herodes.

05 januari 2014

5 januari 2014: Hélène Swarth

Het Allerdroefste

O droef is elke erinnering
Aan hem, die jong ten grave ging,
Maar ’t allerdroefste dunkt mij dat:
Nooit heeft mijn lief mij liefgehad.

O, dat ik dááraan denken blijf!
Voor hem was ik een tijdverdrijf,
Wat hij voor mij was wist hij wel:
Hij was mijn hemel en mijn hel. 

Kon ik maar weenen als weleer!
O God, ik heb geen tranen meer.
Kon ik maar bidden! ’t was zijn spot
Die mij vertwijflen deed aan God.

O schoon gelaat! o zonnig haar!
Daemonische oogen diep en klaar!
O sphinx-lach om dien fijnen mond!
O raadsel dat ik nooit verstond!

Hij boog mijn trots, hij brak mijn wil,
Mijn afgemarteld hart werd stil.
Hij temde, als een wild dier, mijn ziel,
Tot, slaafsch, zij aan zijn voeten viel.

Mijn arme liefde knielde in ’t zand
En kuste, bleek, zijn meesterhand.
Toen hij mij dat had aangedaan,
Toen bood hij mij... zijn vriendschap aan.

Swar008_p06Wij hebben Vijftig tinten grijs en Nymphomaniac, in de jaren tachtig van de eervorige eeuw hadden ze Hélène Swarth. In dit gedicht gaat zij, de leeuwerik die ópvloog met zangvogels als Willem Kloos en Albert Verwey, voor die tijd behoorlijk op tilt over... ja, over wat eigenlijk?
  Het is een gedicht waarin de schrijfster zich helemaal laat gaan. Het arme mens heeft het zwaar, met de liefde die zij voelt voor een onverschillige vlerk die haar laat bungelen: ‘Nooit heeft mijn lief mij liefgehad.’ Ja ja, maar wilde dat lief wel liefhebben? Of was het een jonggestorven fladderaar met een leuke babbel, die de dichteres een rad voor de lyrische ogen draaide?
  Het is heel slecht van me, maar ik voel een lichte spotlust in mij opwellen als ik dit gedicht lees. Mens, zit niet zo te jammeren en te jeremiëren over die verloren geliefde. Wees, welbeschouwd, juist blij dat de pestkop de pijp uit is. Dat is natuurlijk niet eerlijk, zeker niet als je bedenkt dat het er vroeger echt anders aan toe ging dan in deze tijd. Mannen waren nog mannen, en zij namen wat hen smaakte, en vrouwen waren smachtende wezens. Het is bijna niet te vatten, maar het was zo
  Swarth koesterde in haar jeugd een ongelukkige liefde voor een jonggestorven dichter (helaas kan ik hier niet opzoeken welke, want ik heb het boek dat Jeroen Brouwers over haar schreef niet bij de hand), waarschijnlijk is dat de ‘anekdotische laag’ in dit gedicht. Waarin ze, pijnlijk nauwkeurig, zoals wij dat tegenwoordig noemen, een beeld geeft van zichzelf als onderliggende, of onderworpen partij.
  De jong al naar God verhuisde man is, hoe zal ik het zeggen? - hij is niet aardig. Hij is een beetje een eikel, die haar eerst haar liefde afwringt en daarna... zijn vriendschap aanbiedt. De minpunt. Rook Hélène niet lekker? Was zij lichamelijk niet helemaal zijn ding? Het ligt allemaal verborgen achter de nevelen van de tijd.
  Het enige wat we nog kunnen lezen, is dit gedicht, van ‘het zingende hart van onze letterkunde’. Ik persoonlijk vind een mooi ding, met genoeg stof voor zondagse overpeinzing over liefde, onderwerping en verdriet. Daar heb je geen Lars von Trier of E.L. Grey, althans, niet altijd, want:

Kon ik maar weenen als weleer!
O God, ik heb geen tranen meer.
Kon ik maar bidden! ’t was zijn spot
Die mij vertwijflen deed aan God.

- veel schrijnender krijg je het, ook tegenwoordig, niet.

Bron gedicht: deze website.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën