Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

Hoofdmenu

Mijn canon Feed

06 september 2013

Mijn canon (14): Jeugdpoëzie (en een nieuw boek van Hans & Monique Hagen)

Volgens mij leerde ik de jeugdpoëzie kennen via de boekjes met als titel De nieuwe trapeze: een reeks originele verhalen en gedichten voor de basisschool, die ik leende in de Bibliobus die een keer per week in Leveroy stilhield. Wat ik me vooral goed herinner: dat ik alle gedichten vervelend vond, maar vooral toch wel die van Annie G.M. Schmidt. Ik verdroeg haar werk niet, maar sloeg meestal alle niet helemaal volgeschreven pagina’s over en richtte me vooral op de verhalen. Originele verhalen.

Bij ons thuis las nooit iemand poëzie. Nou ja, we hadden één bloemlezing in huis: Nederlandse nonsens op rijm, een pocket van Het Spectrum. Vol met grappige poëzie, die ik inderdaad erg grappig vond, maar waar je niet meteen muzisch-bevlogen van raakte. Kort na het verschijnen in 1978 kwam Liggen in het gras daarbij, de bestsellerbundel van Toon Hermans. Ook al zo grappig en geestig. Maar mijn kennismaking met de poëzie moest blijkbaar nog wachten, tot ik ineens als door een bliksemflits werd getroffen door A. Roland Holst.

Lees meer "Mijn canon (14): Jeugdpoëzie (en een nieuw boek van Hans & Monique Hagen)" »

17 juni 2013

Mijn canon (13): Lezen en vriendschap

De hele serie staat hier

Sherlock-holmes (1)Sinds Bert Wagendorp met zijn roman Ventoux kwam, is de mannenvriendschap weer helemaal terug, zelfs in het door en door gefeminiseerde boekenvak. Mijn persoonlijke leesgeschiedenis valt in twee tijdperken uiteen: die van voor de mannenvriendschap, en die van na de mannenvriendschap. Voor 1983, toen ik ging studeren in Nijmegen, las ik zo'n beetje op eigen houtje, mijzelf een weg banend door de grote berg boeken die voor me lag, na 1983 ontmoette ik mensen die óók lazen en kon ik mijn oordeel, soms, aan het hunne scherpen.

Deze week schreef Bert Wagendorp in het VK Magazine (en Liliane Waanders citeerde het eerder in haar artikel over het boek): ‘Ventouxgaat over een mannenvriendschap. Ik schreef het met de beste bedoelingen. Ik wilde met het boek mijn mede-mannen laten zien hoe hun onderlinge vriendschappen in elkaar zitten, want daar hebben ze het met elkaar nooit over. En ik wilde hun vrouw en/of vriendin inzicht verschaffen in het wezen van de mannelijke vriendschap, zodat ze het beter zouden begrijpen als hun man weer eens urenlang in het café had gezeten en verklaarde er oprecht geen idee van te hebben waar hij het met zijn vrienden over had gehad.’

Lees meer "Mijn canon (13): Lezen en vriendschap" »

10 juni 2013

Mijn canon (12): zoer vleis van Wil en Netty Engels – Geurts

LimburgsopdekaartMarcel Proust is beroemd om het madeleinekoekje, waar we zijn nogal omvangrijke romancyclus À la recherche du temps perdu aan te danken hebben. Gerrit Komrij had in het verre Portugal, waar hij woonde, soms trek in een haring of in rookworst van de HEMA. Terug in het vaderland, nam hij deze etenswaren tot zich, zich tijdens het schrokkerige eten verbergend in portieken.

Ik woon in Utrecht en heb heel vaak, meestal om elf uur 's avonds, ergens in het begin van de week, ineens, een alles verscheurende zin in zuurvlees (zoer vleis), een Limburgse variant op de stoofpot, meestal gegeten met zelfgemaakte frites en zelfgemaakte mayonaise (en soms met appelmoes), die ik, om die tijd, in mijn woonplaats, nergens kan krijgen. Met de trein naar Limburg reizen is geen optie: tegen de tijd dat ik daar arriveer, zijn alle restaurants en eettenten gesloten.

Wat ik dan doe? Ik tik op Google ‘zuurvlees’ of ‘recept zuurvlees’ in en lees de recepten die het zoekprogramma oplepelt. Een eenzame bezigheid. Culinair drooggeilen. De recepten voorzie ik, inmiddels tot halve razernij vervallen, van commentaar: ‘Zo maak je dat toch niet!’ ‘Dat moet er helemaal niet in!’ Ik lijk wel gek.

Lees meer "Mijn canon (12): zoer vleis van Wil en Netty Engels – Geurts" »

06 juni 2013

Mijn canon (11): nieuwe schrijvers

*De hele reeks staat hier*

Hoe kom je aan nieuwe namen? Ziedaar in zes woorden de vraag die elke lezer bezighoudt. Maarten 't Hart, al vaker geciteerd in deze reeks, pakte dat methodisch aan: ‘Via Buddingh' (hij kocht diens Encyclopedie voor de wereldliteratuur, CB) betrad ik pas goed de wereld van de Nederlandse literatuur. Uit zijn boek leerde ik de namen van Ter Braak en Du Perron kennen, een ontdekking die zo gelukkig samenviel met de ontdekking van de Openbare Bibliotheek in Vlaardingen. Daar hadden ze alle werken staan van Ter Braak en Du Perron en hoewel lid worden van die bibliotheek hetzelfde conflict veroorzaakte als jaren tevoren bij de bibliotheek van de Nutsspaarbank, liet ik mij toch inschrijven en onderwierp ik mij aan de literaire tucht van Ter Braak en Du Perron.’

Bij mij begon de ontdekkingstocht met het boek Perspectief van Steven van Campen. Zijn leerboek gaf me een zetje richting bijvoorbeeld Multatuli en Louis Couperus en reikte me menig dichtersnaam aan, zoals die van Ellen Warmond, Hans van de Waarsenburg en Hans Vlek. Dat hij de twee Hanzen noemde is niet zo gek, Van Campen heeft ooit, net als die twee, bij Opwenteling gepubliceerd, en zal ze dus hebben gekend. Heel voorzichtig zette ik, zoals Bambi het ijs betreedt, mijn eerste stappen in wat je de officiële literatuur kunt noemen, als lezer.

Lees meer "Mijn canon (11): nieuwe schrijvers" »

02 juni 2013

Mijn canon (10): diverse auteurs lezen

Tijdens het schrijven van deze leesherinneringen, merk ik dat ik 1) veel meer gelezen heb dan ik dacht, tot 1983 (het jaar waarin ik uit huis ging, om te studeren) en 2) dat ik die herinneringen heel moeilijk kan terughalen, omdat ik zo kris-kras door alles heen las, iets waar ik volgens mij nooit mee ben opgehouden. Om de een of andere reden ging ik er voor het schrijven van uit dat ik de meeste leeservaringen na mijn achttiende op had gedaan, maar het ziet er toch naar uit dat er voor mijn achttiende ook al aardig wat loos was.

Ik las veel boeken op mijn jongenskamer, een pijpenla van zeg twee meter bij drie meter nogwat. Dat lezen speelde zich af aan mijn bureau, het voormalige bureau van mijn vader, of op mijn jongensledikant, een ijzeren constructie die een beetje aan een ziekenhuisbed deed denken. Nog steeds was ik, net als toen ik jeugdboeken las, in staat om helemaal in een boek te verzinken, al had ik wel steeds vaker het idee dat ik een kat in de zak had meegebracht.

Lees meer "Mijn canon (10): diverse auteurs lezen" »

27 mei 2013

Mijn canon (9): Jeroen Brouwers

Jeroen_Brouwers

(De hele reeks staat hier.)

In zijn boek Wagner en ik schreef Gerrit Komrij: ‘Alles kon op ieder moment overal vandaan komen, kunst betekende gruis en stof en door de trillingen ontstonden vormen en patronen, tot er af en toe een explosie volgde die overtollige en mislukte vormen en patronen opruimde. Zo groeit in ieder mens afzonderlijk een individuele canon, zo ontdekte ook ik of degene die ik destijds was mijn eigen klassieken, of liever gezegd de klassieken werden voor mij ontdekt, ze ontvouwden zichzelf, er waren zaden voorradig en er bestond kreupelhout tot er plotseling een bos bleek verrezen met in het midden een heilig woudje met plechtige eiken. Bij alle voortbrengselen hoorden namen en de namen die je het vaakst hoorde moesten wel de beroemdste zijn of ze werden voor jou persoonlijk automatisch de beroemdste, je wist niet of het bij iedereen die een soortgelijke ontwikkeling doormaakte om dezelfde namen ging, dat interesseerde je ook niet – er ontwikkelde zich een hiërarchie, deels spontaan, deels door je eigen schuld, deels door toedoen van de hiërarchie zelf. Het is belachelijk, bedenk ik me op hetzelfde moment, om hier van schuld te spreken, het ging om mijn eigenaardigheden en mijn festiviteiten, om mijn grillen en baldadigheid. Zonder het precies te weten wist ik toch precies wat me onverschillig liet en wat me verpletterde, er was een eigenhandig gebouwde waardenschaal ontstaan die liep van koud naar lauw naar warm en weer terug.’

Eén van de ‘klassieken’ die ik voor mezelf ontdekte was Jeroen Brouwers. We zijn in mijn leesgeschiedenis nog steeds ergens voor 1983, het jaar waarin ik het ouderlijk huis verliet en naar Nijmegen verhuisde. Mijn eerste Brouwers leende ik in de schoolbibliotheek. Ik was niet meteen gegrepen, maar Joris Ockeloen en het wachten vond ik wel mooi. De polemieken die ik vervolgens las (literatuur is immers oorlog) overtuigden me meer. Zijn brief aan de redactie van De Revisor en zijn verpletterende close reading van Dirk Ayelt Kooiman stonden me weer meer aan. De liefde kreeg definitief gestalte na de lezing van Kladboek 1 en De bierkaai (Kladboek 2).

Daarna heeft mijn Brouwersliefde nog enige jaren stand gehouden, en nog steeds lees ik een nieuwe titel van hem; om wat ooit was, maar ook uit plezier. Zijn dit jaar verschenen boek Restletsels is bijvoorbeeld weer erg sterk, in de polemische stukken (waarin hij Oek de Jong, de directeur van het Letterkundig Museum en de Taalunie onder vuur neemt, onder meer) en in de autobiografische notities, waarin hij zeker het niveau van zijn Kladboeken haalt. Net als in Sisyphus’ bakens overigens, zijn apologie bij het weigeren van de Grote Prijs der Nederlandse Letteren.

Lees meer "Mijn canon (9): Jeroen Brouwers" »

17 mei 2013

Mijn canon (8): Georges Simenon

Georges Simenon. Een schrijver van wie ik voor het eerst iets las in 1981. Brief aan mijn moeder: ‘Tijdens je leven heb je nooit van me gehouden, en ik niet van jou. Dat weet je heel goed. We deden maar alsof.’ Dat hakte er in. Literatuur was, bleek mij, bijna voor de vuist weg, geschikt om iets over je moeder in te vertellen. Later kwam ik erachter dat Simenon dit boekje heeft gedicteerd.

Hij had in elk geval veel vormbesef, anders dicteer je een tekst van deze omvang niet zomaar. Of zou Simenon alleen maar doen alsof hij het boek had gedicteerd en was het, in werkelijkheid, een tekst waar hij maanden aan had geschaafd? Ik las dat Simenon meer dan 200 boeken had geschreven. Veel tijd om te schaven blijft er bij een dergelijke productie niet over.

Daarna las ik Zondag. Een wat broeierig boek, dat zich tot mijn verbazing in de bibliotheek van mijn vader bevond. Over een man, Emile, die wordt gekoeioneerd door zijn vrouw Berthe en een gelukkige lichamelijke verbintenis aangaat met het Italiaanse dienstmeisje. Ada. Berthe betrapt de twee tijdens een middaglijk herdersslaapje en wil dat Ada wordt ontslagen. Hij weigert. Zijn vrouw en hij besluiten de schijn van het huwelijk op te houden.

Lees meer "Mijn canon (8): Georges Simenon" »

13 mei 2013

Mijn canon (7): Oorlog

Na een korte onderbreking neem ik de draad van deze reeks weer op. 

_lit003199901_01ill167Literatuur is oorlog. De tegenstander: andere literatuur, literatuur door anderen geschreven. Het is jammer dat het oorlogsgedruis is verdwenen uit de letteren; alles wat zich als ‘kritiek’ of als ‘cultuurkritiek’ voordoet, is zo saai als maar mogelijk is en meestal alleen gericht op de eigen parochie, die de ‘kritiek’ en de ‘cultuurkritiek’ toch al onderschrijft.

De avant-garde is tegenwoordig net zo tandeloos als een tandeloze avant-garde, en de meeste ‘andere’ schrijvers en dichters hebben een mateloos verlangen naar een zetel ergens in het centrum van de literaire macht, die geen literaire macht is, maar literair-politieke macht… Je zou het de Arnoud van Adrichem-constante kunnen noemen; het is allemaal in wezen heel treurig, al doe je er niks aan en kun je, mocht je kritiek op deze situatie hebben, beter meteen maar tegen de muur gaan praten – die luistert ook niet.

Lees meer "Mijn canon (7): Oorlog" »

06 mei 2013

Mijn canon (6): Roald Dahl (en Bob den Uyl)

(De hele reeks staat hier.)

Op zijn boeklog citeert de mysterieuze A.IJ. van den Berg de jammer genoeg wat vergeten geraakte Bob den Uyl

'In mijn ontwikkeling als lezer ben ik al gauw op het punt gekomen waarop men zich afvraagt wat men eigenlijk aan het doen is. Waarom lees ik toch? Jarenlang heb ik hier — van tijd tot tijd — nagedacht, en hoe langer ik nadacht, hoe meer ik tot de slotsom kwam dat ik óf met een heel moeilijk probleem bezig was, óf met niets. Steeds als ik dacht een afrondende conclusie bereikt te hebben (ik heb gewoon plezier in het lezen, maar dat is natuurlijk geen antwoord), openden zich nieuwe mogelijkheden en valkuilen. Ik ben weleens bang nooit een helder beeld te zullen krijgen van de werkzaamheid lezen.'

Het is natuurlijk wel mooi hoe Den Uyl hier, listig, probeert om een belangrijke vraag even onder het tapijt van zijn mompelende welsprekendheid te vegen. De kern is hier: '(...) hoe meer ik tot de slotsom kwam dat ik óf met een heel moeilijk probleem bezig was, óf met niets.' Dat 'alles' en 'niets' twee kanten zijn van dezelfde medaille, laat Den Uyl voor het gemak buiten beschouwing. Ik kan daar wel om lachen, en ik vind het mooi dat hij met opzet probeert om, zelfs bij dit soort kwesties, zelf buiten schot te houden.

Lees meer "Mijn canon (6): Roald Dahl (en Bob den Uyl)" »

25 april 2013

Mijn canon (5): Hausarrest

Zondag

(De hele reeks staat hier)

Op een dag kwam de nog redelijk jonge George Steiner op bezoek bij Georg Lukács. Achter de vereerde meester stond de vijfenveertigdelige Aufbau-editie van zijn verzamelde werken. Steiner vroeg, beschroomd, een beetje beschaamd om die vraag, hoe de professor die bij elkaar had geschreven. Lukács antwoordde: ‘Hausarrest, Herr Steiner, Hausarrest.’

Ook ik had een vorm van huisarrest, in Leveroy. Er was niets, en er was in de hele omgeving niets, of je zou Weert en Roermond ‘iets’ moeten noemen, wat niet terecht zou zijn. Op dat gegeven kun je reageren op verschillende mannieren. Ik koos ervoor mijn hoofd in de boeken te steken, want voor ontdekkingsreizen was ik te jong en had ik te veel last van mijn astma. Bovendien: ik hield niet van grote avonturen die zich buiten het papier afspeelden (en nog steeds hou ik daar niet van). Van grote avonturen hou ik eigenlijk helemaal niet.

Lezen is eerder een aarzelend pas op de plaats maken bij een mooie zin of passage, het wegdromen bij een alledaagse, maar mooi beschreven gebeurtenis, stilstaan bij de dingen die onontkoombaar zijn, mee-huiveren als een personage een kwetsuur ondergaat, dan dat het een avontuur is. Je kunt wel verdwijnen in een boek, maar je kunt niets ‘meemaken’ terwijl je leest. Er blijft altijd een onderscheid tussen boek en lezer, twee werelden die in de taal even heel dicht bij elkaar komen; ze raken of overlappen elkaar nooit.

Lees meer "Mijn canon (5): Hausarrest" »

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën