Vanaf vandaag zal Jori Stam wekelijks (of in tijden van literaire droogte: tweewekelijks) een actueel onderwerp in de letteren behandelen. Wij verwelkomen Jori hierbij als vaste medewerker. Hij liep eerder stage bij De Wereld Draait Door, dus maakt met zijn overgang naar De Contrabas een gevoelige carrièresprong.
Toen staatssecretaris Halbe Zijlstra vorige maand aankondigde om de subsidies voor literaire tijdschriften af te schaffen waren de reacties uit de literaire wereld gemengd. Een grote groep schrijvers ondertekende een open brief aan Zijlstra waarin gepoogd werd hem te overtuigen dat het literaire tijdschrift nog steeds een belangrijke rol en functie heeft. Een aantal mensen zocht echter de discussie op, en vroeg zich af of het literaire tijdschrift wel een toekomst heeft.
Zo schreef Bart FM Droog eerder op deze site het afschaffen van de subsidie volkomen terecht is: ‘wie de oplagecijfers en publieksbereik van de gesubsidieerde papieren tijdschriften bestudeert zal leren dat beide angstwekkend laag zijn. Waarbij het rare feit zich voordoet dat het subsidiegeld grotendeels in de zakken van vormgevers, drukkers en postbedrijven verdwijnt.’
Bart Temme schreef kort daarna in zijn essay op Tzum dat literaire tijdschriften haar ‘belangrijkste functies [zijn] kwijtgeraakt. De tijdschriften fungeren niet meer als een kweekvijver voor nieuwe talent en het literaire debat vindt er geen podium meer. […] De debutant zoekt nu naar andere mogelijkheden: de literair agent, schrijfwedstrijd, websites als TenPages.com en pulpfictie.nl.’ Volgens Temme hebben literaire tijdschriften al lang geen verbindende rol meer, maar eerder een marginale.
Gerrit Komrij kwam op zijn NRC-weblog tot dezelfde conclusie, maar stelde wel dat volgens hem ook voor het literaire tijdschrift de oplossing ligt in het internet: ‘Op internet kan het literaire tijdschrift weer bloeien als nooit tevoren. Ik ben dol op papier, maar papieren tijdschriften zijn een sta-in-de-weg. […] De antiquariaten bieden ze aan voor oud-papierprijzen. De bibliotheken verpulpen ze.’
Temme sluit hier naadloos op aan en schrijf dat ‘de afgelopen jaren de literaire tijdschriften de overstap [konden] maken naar het internet. Ze deden het niet of zijn niet zichtbaar genoeg. Daardoor zijn ze lezers kwijtgeraakt. Literaire tijdschriften hebben hiermee hun eigen ondergang bewerkstelligd.’
Er zijn door de bezuinigingsplannen twee kampen ontstaan. Aan de ene kant staan zij die proberen de plannen van Zijlstra om zeep te helpen door hem er te van overtuigen dat literaire tijdschriften een zeer belangrijke functie hebben in het literaire veld én in de maatschappij. Aan de andere kant zijn daar de mensen die menen dat de subsidiestop een signaal is dat literaire tijdschriften in hun huidige papieren vorm hun beste tijd hebben gehad, en dat deze zonder (digitale) innovatie hun belangrijkste functies hebben verloren. Omdat veel literaire tijdschriften de stap naar het internet niet maken, lijken ze daarmee gedoodverfd om ten onder te gaan.
Maar wat vinden de redacties van literaire tijdschriften zelf? Volgens Jozef Deleu van Het Liegend Konijn speelt zijn blad ‘een rol van belang voor jonge en gevestigde dichters. In ieder geval is […] de belangstelling bij de poëten zelf groot. Of je hier van macht mag spreken is wel de vraag. Wel van enige bescheiden invloed, misschien.’
Volgens Esther Wils van de Gids moet de functie of het bestaansrecht van het literaire tijdschrift ‘met ieder nummer bewezen worden, door de kwaliteit en de prikkelende inhoud ervan. […] We bieden een podium, uitgeverijen letten goed op wat er gebeurt in de tijdschriften, ze halen er regelmatig de betere debutanten vandaan en/of sturen debuterende schrijver op ons af om eerst een verhaal te publiceren, bij wijze van aantrekkelijke introductie in de literaire wereld.’
Gustaaf Peek van de Revisor gelooft dat het literaire tijdschrift nog steeds een belangrijke functie heeft: ‘Die functie is de functie van alle kunst, en alle literaire vormen: onderhouden, bewondering opwekken, vermaken, ontroeren, in één woord raken. Een tijdschrift onder goede redactionele leiding kan bovendien kwaliteit garanderen, auteurs begeleiden in hun ontwikkeling en talent een kans geven. En daar is altijd een publiek voor.’
Interessant is dat Peek ook zegt dat een literair tijdschrift niet per definitie gebonden is aan een bepaald medium. ‘Hadden we tweeduizend jaar geleden geleefd, dan hadden we verzen verzameld op perkament of leisteen.’ Volgens Temme is De Revisor dan ook het tijdschrift dat het meeste aandacht heeft geschonken aan de oproep van het Nederlands Letterenfonds om het lezerspubliek te vergroten door over te stappen naar internet. Jammer genoeg gebeurde dit niet met geheel positieve gevolgen: ‘Er gebeurt soms weken niets op de website van De Revisor. Dat is verdomde jammer, want juist door frequent bijdragen te publiceren vergroot je het publiekbereik. Ook is er geen sprake van literair debat op de site – dat is teleurstellend.’
Het meest verhelderende woord in deze discussie komt misschien wel van Wim Brands, die via de telefoon liet weten de ‘hele discussie alleen maar strontvervelend te vinden.’ Volgens Brands speelt er zich een gevecht af dat lijkt alsof het zich op een schoolplein afspeelt terwijl de bel al lang geklonken heeft: ‘We zouden moeten kijken wat we met elkaar gemeen hebben: een warm hart voor de literatuur. Laten we deze energie steken in het oprichten van iets dat wel aan de verwachtingen en wensen van iedereen voldoet.’ Wat dat is? Zegt u het maar.
© Jori Stam
Laatste reacties