er huizen lichten in mijn lichaam
onbereikbaar waakt een vlammendal
wellicht verbinding tot, sporadisch
neig ik naar gebed, maar handen
vouwen niet, ontbinden als ik
oog in oog en bot uit bot laat
gieten, ze veranderen in klauwen
parasieten die uit wervelstelsels
woekeren als takken om mijn ribben
glippen giftig als insecten langs
mijn sluizen naar het binnenste
waar uitgeteld het vuur nog
flikkert, bijna aan haar einde
brandt voorzichtig en bescheiden
een register zonder hitte
minuscule vonken tintelen
en wakkeren de geest
ik ben het nakende skelet van
wat er voor mij is geweest
Josse Kok

Alliteraties, assonanties en acconsonanties: rijmverschijnselen die vaak voorkomen in het werk van Kok, maar die altijd lijken te werken. Een sterk ritme en metrum. Ook de afsluitende twee verzen zijn knap gevonden.
Geplaatst door: Stam | 16 maart 2011 om 22:07
Is dit niet een te groot onderwerp voor een dichter?
Geplaatst door: Kees Borgdorff | 17 maart 2011 om 11:43
Slechts 1.79, ik ken ze groter.
Geplaatst door: Josse Kok | 17 maart 2011 om 22:04
Vergis je niet, Josse: je spreekt niet uit
ervaring. Of huist er bij jou een sterke hunkering naar? Het blijft vooralsnog nattevingerwerk. Het geheel komt nogal machteloos over. Je invalshoeken zijn erg mager. Je overtuigt gewoon niet. Sorry, maar jij begon over dit onderwerp.
Geplaatst door: Kees Borgdorff | 18 maart 2011 om 11:59
Het idee van een hunkering, met daarbij de machteloosheid van het nooit zeker weten, is inderdaad één van de gevoelens waaruit ik het gedicht schreef. Dat u mijn invalshoek mager vindt, dat kan. Maar u kunt onmogelijk beweren dat ik niet uit ervaring spreek.
Geplaatst door: Josse Kok | 18 maart 2011 om 12:37
Fideel van u om op mijn reactie in te gaan. Maar bent u eens geïncarneerd geweest? Of bedoelt u dat u mens bent? U ziet dat uw laatste opmerking de nodige vragen oproept. Dicht nog even verder of helder uw standpunt op.
Geplaatst door: Kees Borgdorff | 18 maart 2011 om 12:57
Het gedicht beschrijft op mijn manier dat er iets verscholen zit (de lichten) waar ik niet bij kan, maar waar een kracht vanuit gaat die ik niet bevat, simpelweg omdat ik vanaf mijn geboorte inderdaad mens ben (noem het vleesgeworden). In mijn filosofie van dat moment kon ik enkel de conclusie trekken dat dit fenomeen verder teruggaat dan mijn persoon. De ervaring is daarbij het jarenlang piekeren over wat je nu in weze voorstelt als mens, of als iets anders. En zo helder als je dat antwoord dan lijkt neer te zetten, zo troebel kan het de dag daarop zijn. Dat vind ik het ideale aan dichten, je kunt je eigen eureka-momenten teruglezen en beoordelen als visie of onzin. Maar het zoeken blijft aanwezig.
Het is zeker een groot onderwerp, dat geef ik u, maar te groot? Ik denk van niet. Zo klein als het leven is, zo groot mag het bedicht. Het zou overigens zonde zijn om je als dichter te beperken.
Ik kan me voorstellen dat mensen dit herkennen, maar ook dat mensen niet gediend zijn van het hoogdravende zweverige. Tja, dat is aan de lezer.
Geplaatst door: Josse Kok | 18 maart 2011 om 17:47
Sympathiek uiteengezet, Josse. Een dichter
is echter ook kunstenaar. Hij blijft niet eeuwig zoeken. Hij bepaalt het moment van afzijn. De meest voltooide vorm. En dan moet (durft) hij er vanaf te blijven. Het moet de wereld in. Vóór die fase is hij zijn eigen criticus. En niet zo'n beetje.
Pas dan wordt het muziek! Geïncarneerd of niet.
Geplaatst door: Kees Borgdorff | 18 maart 2011 om 18:10
Ik denk dat het gedicht inderdaad niet loskomt van de, hoe mooi verwoord ook in sommige regels (de 'alliteraties, assonanties en acconsonanties,' hierboven al genoemd), ergens lichtelijk ingesleten beeldenvoorstelling zoals die al eeuwenlang wordt overgeleverd, en ook daarin keer op keer taal tekortkomt. Wat dat betreft mist het de kwaliteit van de authentieke ervaring. En wat echt opvalt: het gedicht ontroert niet. Dat wil niet zeggen dat het gedicht mislukt zou zijn, wel dat de (nog jonge) auteur met wat meer rijping doorheen de komende jaren... wie weet...
Geplaatst door: Harry J.M. Kleinhoven | 18 maart 2011 om 18:33
Ik besef dat ik me met deze opmerking op zeer glad en bovendien dun ijs bevind maar het stoort me in grote mate dat leeftijd, en daarmee levenservaring, altijd als een soort onweerlegbaar argument van superioriteit wordt gebruikt tegen jonge dichters door mensen wiens grootste wapenfeit de tijd is die ze op deze wereld hebben doorgebracht.
Ik vind de invalshoeken in deze tekst allesbehalve mager. Het loopt als een dolle, het gedicht schiet aan je voorbij en laat tegelijk tot de verbeelding sprekende scènes zien van botten en weefsels die, mijns inziens, wonderwel effect sorteren. Maar misschien heb ik te weinig meegemaakt om een mening te mogen hebben.
Geplaatst door: Daan Doesborgh | 21 maart 2011 om 11:52