Hier rust een pater die van kruimels hield
onder het zitvlak van zijn pu-pupillen.
Niet dat hij met zijn builtje echt in je gezicht
hing als zijn vingers graaiden, als de flappen van
zijn toog een vreemde wending namen -
zekere grenzen van welvoeglijkheid
werden niet overschreden, ook in kennelijke
staat niet. Alle kleine jongens wisten dat.
Er werd niet meer geschonden dan vertrouwen.
Op van de zenuwen beet je de hostie stuk.
Je vlekte met zijn miswijn op het laken.
Had je opnieuw de pijpen aan het dansen:
dan mocht je een of twee keer lekker niet.
(moraal)
Wij hoeven geen motie van treurnis, zo'n paus
met zijn kleine komedie van heilig. Wij liepen
gewoon (gerept en wel) rond hier, wij kwamen
eens zien ligt ons pater erbij, zijn hoogaltaar
verzerkt en zijn ziel heel gewoon sterfelijk.
Mart van der Hiele

Reacties