Van regen is nooit iemand doodgegaan
zegt de man van vroeger bij het raam
terwijl wolken zich samenpakken.
Ja, regen allerwegen, altijd regen,
dat lege hart, hij kent de clichés.
De man van vroeger is niet van zeep.
Hij houdt van de regen: die wast
herinnering van de stoep des levens,
als hij eens dichterlijk mag zijn.
We kijken over glimmende straten.
Zijn stemming slaat over. Je voelt
de bui hangen. Nu is het zover.
Dikke druppels rijden over ramen
in de file naar huis. Waar dat is,
niemand die het weet. Ook jij niet.
Victor Schiferli

mooi, als regen in mei
Geplaatst door: Bennie Sieverink | 11 mei 2011 om 11:03
Gelukkig de titel met schreeuwkapitalen, DAT HET MAAR NIET OVER HET HOOFD WORDT GEZIEN !
;-)
Geplaatst door: Harry J.M. Kleinhoven | 11 mei 2011 om 11:54
Ik vind de laatste strofe nogal gezocht, zo geen Favereijaanse open deur. Dat is het totaalbeeld natuurlijk ook wel, maar als geheel toch zeker niet onaardig verwoord.
Geplaatst door: Theo Vanderwacht | 11 mei 2011 om 16:42
"Ook jij niet." als slotwoorden vind ik er helemaal naast zitten, het haalt in één keer het gedicht naar de dichter die de lezer aanspreekt, een ware beginnersfout. "Ook hij niet." ware veel beter geweest, dan bleef het gedicht binnen zijn eigen universum.
Geplaatst door: Harry J.M. Kleinhoven | 11 mei 2011 om 17:14
Daar heb je, in alle schoolmeesterachtigheid, die mij irriteert en in de gordijnen jaagt, een punt, Harry. Maar misschien kan de dichter zelf het perspectief-verschuif-iets toelichten?
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 11 mei 2011 om 19:08
Misschien dat hij zich richt naar ons lezers?
Geplaatst door: H. Peters | 11 mei 2011 om 19:30
Jij is hier hetzelfde als de je, eigenlijk gewoon de ik dus. Het is zeker niet de lezer. En die kapitalen moeten eigenlijk kleinkapitalen zijn, zo staat het wat schreeuwerig maar niet zo bedoeld.
Geplaatst door: Victor Schiferli | 11 mei 2011 om 19:49
Het is dezelfde als de "je" die al in de vierde strofe voorkomt, moet ik er misschien nog aan toevoegen, voor alle duidelijkheid.
Geplaatst door: Victor Schiferli | 11 mei 2011 om 21:24
'De man van vroeger' is dan wellicht op te vatten als de dichter als jonge man, de je/jij als de man van nu: 'Nu is het zover'; als hij [weer] 'eens dichterlijk mag zijn', ongehinderd over regen mag schrijven, in zijn (t)huis, 'waar dat is...'.
Mooi ver-/ontdubbeld cliché: 'Dikke druppels rijden over ramen...'
Geplaatst door: Arjan Keene | 11 mei 2011 om 22:44
De auteur begaat hier een vergissing. "Je voelt / de bui hangen." heeft als charmante lading dat het te lezen is als 'men voelt [..]'. In de slotregel echter blijkt die "je" van eerder een "jij" te zijn... En daar komt de fout: het gedicht stort ermee in elkaar (en dat bij een toch al niet zo sterk dicht), want: wie is dan al die tijd de sprekerd geweest? De "je" en de "jij" kúnnen niet dezelfde persoon zijn. Het zou veronderstellen dat er werkelijk gezégd wordt "Je voelt / de bui hangen." i.p.v. zoals het er nu lijkt te staan, dat het genóemd wordt, nl. als onderdeel van de gaandeweg verschuivende verhaallijn. Had de dichter er maar voor gekozen die 'men'-aanspreektoon vast te houden... Opnieuw pleit ik voor een ander slot, en wel met de eerder gegeven simpele oplossing (zie aldaar).
Geplaatst door: Harry J.M. Kleinhoven | 11 mei 2011 om 23:07
@kampioen moeilijk doen:
"Ook jij niet" zit (staat) er inderdaad helemaal naast. D.w.z. de dichter.
In den lijve dan wel in zijn hoofd.
Geplaatst door: Bennie Spekken | 11 mei 2011 om 23:07
De "We..." in de vierde strofe verenigt beide personages, op het kruispunt van de voortschrijdende tijd, bestemming onbekend.
Geplaatst door: Arjan Keene | 11 mei 2011 om 23:18
we're getting close (to the edge).
Geplaatst door: Bennie Spekken | 11 mei 2011 om 23:28
Dank voor de commentaren. Misschien helpt het als ik erbij zeg dat dit gedicht afkomstig is uit een reeks genaamd "De man van vroeger". Daarin is steeds sprake van een oudere man en een jongere je-figuur. Het zijn twee verschillende personages.
De man van vroeger meent verstand te hebben van poëzie en wil in dit gedicht clichés uitstorten over de je-figuur met wie hij samen voor het raam staat, hem meeslepen in J.C. Bloem-achtige somberheid. De laatste regel geeft aan dat dat misschien wel gelukt is.
Dat is alles wat ik erover kan en wil zeggen.
Geplaatst door: Victor Schiferli | 11 mei 2011 om 23:37
Wellicht valt de perspectiefwisseling samen met het naar de andere kant omslaan van zijn stemming: van mild-instemmend en verwachtingsvol in strofe 1, tot zelfs verwelkomend/toejuichend (de regen als catharsis) in strofe 3, naar een gevoel van onbestemdheid, mishagen, een zekere troosteloosheid. En wellicht, zoals wel vaker het geval is op momenten van weemoed/eenzaamheid e.d., spreekt men dan plots tot zichzelf, of articuleert men zijn/haar gedachten als het ware 'hardop', 'tot zichzelf gericht'. Kan dat het niet zijn?
Daar de vreugdevolle of genietende mens de vreugde/het genieten vaak 'zonder meer' ondergaat, of wat ongedwongen gedachtes de revue laat passeren, terwijl de weemoedige mens zichzelf vaak als het ware (zij het inwendig, zij het zelfs luidop, uitgesproken) beklaagt.
Het is alsof hij een innerlijke stem externaliseert die hem mistroostig toespreekt: 'Ook jij niet.'
'Zelfbeklag' heet niet voor niets zelfbeklag: het is een hybride, en veronderstelt twee delen: de beklaagde (hij zelf) en de beklager (hij zelf).
Geplaatst door: Willem Thies | 11 mei 2011 om 23:44
Willem, ik geloof dat het zo is zoals jij zegt: een innerlijke stem die de ik in de tweede persoon toespreekt ("weer die stem die zegt dat je in alles faalde", zoals Komrij ooit dichtte). En dus niet hardop: de man van vroeger hoort het ook helemaal niet, die is veel te vol van zichzelf. Zijn bravoure dat hij zoveel van de regen houdt en niet van zeep is, is nergens op gebaseerd: hij wordt er uiteindelijk gewoon treurig van.
Geplaatst door: Victor Schiferli | 12 mei 2011 om 00:22