Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

Hoofdmenu

Dagboek van een bloemlezer Feed

06 december 2008

Bloem bloem bloem

"Claes vergeet allerminst de anti-burgerlijke dichters wier weidse blik het kikkerlandje ontstijgt - Multatuli, Slauerhoff, Marsman, Herman Gorter - maar als we al flink in de moderne tijd zijn beland, valt op dat hij kiest voor gedichten waaruit ook een ’mest-en-mist’ geur opstijgt. Dan lijkt het noordelijke calvinisme een beklemmend huwelijk aan te gaan met de weinig stadse Vlaamse traditie en kiest Claes van een dichteres als Ida Gerhardt een Hollands benauwd tafereel: „drie maal per dag, naar vaste wetten / nemen zij de eigen plaatsen in / en gaan zich rond de tafel zetten; / van haat eendrachtig: het gezin.”’ En van Achterberg een gedicht dat óns niet als zijn canoniekste voorkomt en dat aldus begint: „Besloten zaterdagavond bij ons thuis. / Mistvoeten liepen sluipend langs de schuur./ Er was geen ziel meer buiten op dat uur; / de blauwe boerderij een dichte kluis.”

Wie na de canon van Claes ’De canon van de Europese poëzie’ openslaat, heeft het gevoel van een vertrouwd, zij het wat bedompt boerderijtje opeens verplaatst te worden naar een woest en groots landschap: het is er onherbergzaam en onoverzichtelijk, maar wat een vergezichten!"
Leonie Breebaart legt de recente bloemlezingen van Paul Claes en van Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries naast elkaar. Lees de recensie in Trouw

13 februari 2007

Dagboek van een bloemlezer 8 – spijt

SpijtDat het je overkomt dat je een bundel van Bart Stouten leest – Happy Christmas, Happy New York geheten en op de markt gebracht door Uitgeverij P – en dat je dan ineens denkt: 'Verdorie, waarom heb ik Bart Stouten over het hoofd gezien, voor 25 jaar Nederlandstalige poëzie etc.? Wat ben ik toch een lummel.'

Of dat het je – en dat is nog erger – overkomt dat je werk van Marc Tritsmans leest, ik bedoel: eens heel goed leest, en dan ineens bedenkt: 'Die heb ik ook niet opgenomen, maar waarom dan toch niet?'

Iemand die een strofe kan schrijven als 'Het is niet het grote gebaar, niet /  het oorverdovende geblaat, niet /  het overweldigend mooie maar door / zoveel ogen stukgekeken landschap.' zou toch op zijn minst met een gedicht of vier (of zes) in de bloemlezing moeten staan. Net als Stouten.

Maar ja, spijt... Die komt achteraf, als het te laat is.

Nu hopen op de tweede druk, die meteen kan worden bijgeknipt, geföhnd en gekamd. Waarin je in een paar gevallen misschien voor meer rechtvaardigheid kunt zorgen.

27 juli 2006

Dagboek van een bloemlezer 7 – Ik ben in Bredevoort geweest

Vandaag waren Ton den Boon en ik in Bredevoort Boekenstad. Wij waren daar niet zomaar, maar omdat wij deze prachtige, lekker warme dag ideaal achtten voor het zetten van een aantal puntjes op de bloemlezing-i. In Bredevoort is namelijk gevestigd het Nederlandse Poëziecentrum. Dat wordt bestuurd en beheerd door dichter Wim van Til die ooit zei: 'Mensen kunnen terecht voor het maken van bloemlezingen, voor studie, enzovoort tussen de A van Aafjes en Z van Zwagerman is enorm veel materiaal te vinden.'

Hiervan was geen woord gelogen. Bijna alle gedichten die ik nog zocht, heb ik er gevonden. Van Til heeft een collectie Nederlandstalige poëzie om van te watertanden. Ergens tussen de 12 en de 15 duizend nummers. Bijna allemaal zelf gekocht. Je kunt het zo gek niet verzinnen, of het staat er. Van Til moet vanaf nu door WVC in dienst worden genomen, als zijnde poëziemonument. Uitgevers moeten vanaf nu hun nieuwe poëzie aan hem toesturen, opdat zijn collectie compleet blijve. Etc. etc.

Ik waande mij vandaag een kind in een snoepwinkel. Ton den Boon, de arme man, waande zich een secretaris aan het kopieerapparaat. Een en ander betekent wel, dat de bloemlezing bijna 'af' is. Dan hoef ik daarna alleen nog maar het voorwoord, dat mij al menigmaal om den slaap heeft gebracht. Want daarin moet ik zo ongeveer uitleggen waarom ik tot deze keuze kwam. Niet dat ik niet weet waarom ik koos wat ik heb gekozen – maar omdat het soms lastig is om strikt-poëticale opvattingen in een wuft voorwoord te vatten. Allez. Moedig voorwaarts.

24 april 2006

Dagboek van een bloemlezer 6 – nuancering van eerdere berichtgeving

Onlangs schreef ik op dit weblog dat ik mijn twijfels had bij wat Alfred Schaffer in een recensie schreef. De kern van zijn betoog kwam ongeveer hier op neer: 'Zeker is dat sprake is van een enorme inflatie; het is verdraaid moeilijk door de bomen het bos nog te zien. De Nederlandse poëzie is een kippenhok, met een flinke overproductie. Het lijkt slechts wachten totdat een gekkevogelziekte uitbreekt.' Ik reageerde ongeveer als volgt: 'Misschien is het zaak om de afzonderlijke bomen eens wat beter te bekijken – dan komt het zicht op het bos vanzelf terug.'

De afgelopen weken heb ik zo goed als de hele jaarproductie van 2004 en 2005 doorgenomen. Dat stuurt mijn standpunt iets meer in de richting van dat van Schaffer. Het lijkt wel alsof het gemakkelijker wordt om te debuteren – iets waar ik vrolijk aan heb meegewerkt – maar dat auteurs die 3 of 4 bundels hebben gepubliceerd te snel weer uit het zicht verdwijnen. Alsof er, het hoge woord mag er uit, geen traditie kan ontstaan. Waarmee we toch weer uitkomen bij het begrip overproductie: een te hoge, alleen op de waan van de dag (of het dagdeel) gerichte uitgeefstrategie, die het genre uitholt. Kijk maar wat er met 'de' roman, of met het verhalende proza is gebeurd...

04 december 2005

Dagboek van een bloemlezer – deel 5

Nk2001123Een vraag die ik had willen vermijden, maar die toch opkomt als je de bundeloogst van de laatste 25 jaar doorploegt: 'Wie is nu de beste Nederlandse of Belgische dichter van de afgelopen 25 jaar?' Arjen Duinker? Ingmar Heytze? Astrid Lampe? Joris Iven? Marc Kregting? Maarten van den Elzen? Marije Langelaar? Jo Govaerts? Han van der Vegt, Eva Cox of Catharina Blaauwendraad? Tom Lanoye of Philip Hoorne? Of toch Henk Knol? Ik weet het echt niet. Ik stel me zo voor dat de Vijftigers wisten/vonden: Lucebert is de grootste dichter van onze generatie. En dat men in 1920 veel ophad met A. Roland Holst, en in 1930 met Bloem (J.C.) en kort voor 1940 met Slauerhoff, Achterberg en Marsman. Maar nu? Wie wordt door collega's gezien als de grootste dichter van dit moment? Wie is het bekendst bij het poëziepubliek? Ik heb na lezing van vele, vele honderden bundels wel een favoriet gekregen (Duinker), en sommige dichters zijn iets in mijn achting gedaald (Oosterhoff), maar welke dichter schrijft nu, op dit moment, poëzie die met kop en schouder boven de rest uitsteekt? Of is dit een 'kampioensvraag' die er niet toe doet?

Gelezen in Bunker Hill 30. Het staat in een interview dat Alfred Schaffer had met H.H. ter Balkt.

Schaffer: 'En je gelooft in poëzie.'
Ter Balkt: 'Natuurlijk, anders schreef ik niet. Ik geloof alleen niet in poëzie van dode dienders. Ik geloof niet in cement, ik geloof niet in slimmigheidjes. Wel in poëzie die op zoek is, die niet zelfvoldaan bij haar volgepakte pakken neerzit. Een dichter moet niet alleen brullen over zichzelf, maar ook over de wereld. Ik ben een fijnzinnige plattelander. Maar ik had geen mooie leerschool. Ik geloof werkelijk dat poëzie iets teweeg kan brengen, dat het mensen op de been kan brengen in tijden van nood. Zonder dat geloof is er niets.'

06 november 2005

Dagboek van een bloemlezer – deel 2

ImagesIn zijn meest recente posting schrijft Xavier Roelens over mijn bloemlezing uit de poëzie tussen 1980-2005: 'Ook tijdschriftpublicaties en internetpublicaties tellen mee. Dat klinkt mooi en ik geloof dat Breukers dat tot een goed einde kan brengen en die enkele pareltjes zal vinden. Als persoonlijke vetes maar niet te veel meespelen... Komen ook bloemlezingen in aanmerking? En wat verstaat hij onder “debuteren na 1 januari 1980”? Slaat dat op de eerste tijdschriftpublicatie of gebruikt hij voor de begingrens toch de bundel als eenheid? Concreet: komt iemand die in 1980 zijn debuutbundel uitbrengt, maar al in 1979 in enkele tijdschriften gepubliceerd heeft, in aanmerking?'

Op de laatste vraag: dichters die in 1980 met een bundel hebben gedebuteerd of die sinds 1 januari 1980 in de tijdschriften publiceerden, komen in aanmerking, aangevuld met de mensen die op het web publiceren en tot en met 31 december 2005 nog geen bundel hebben uitgebracht. Het door Roelens gesignaleerde pareltje heeft en in tijdschriften en op het web gepubliceerd – dus dat komt goed. Of niet. Maar is gesignaleerd.

Is de grens die ik trek arbitrair? Ja. Maar ik moest ergens een grens trekken en ben in 1980 uitgekomen – onder meer omdat de eerste editie van de Dikke Komrij in dat jaar uitkwam, dacht ik, maar dat blijkt dus in december 1979 te zijn geweest. Nu behandelt mijn bloemlezing alle nieuwe poëzie die na het uitkomen van de Dikke Komrij is verschenen.

Verder lijkt het uitvechten van door Roelens gesignaleerde persoonlijke vetes (die ik niet heb – de door Roelens gesignaleerde vete bestaat vooral in het hoofd en de attitude van de gelinkte dichter) mij een zaak die buiten de beoogde bloemlezing valt. Wel kan ik vast verraden dat een corpus van 5 gedichten op zichzelf nog niet groot genoeg is om voor bloemlezing in aanmerking te komen, en niet getuigt van een enorm schrijftemperament.

Roelens schrijft ook: 'Zijn criteria zullen zijn a) beheersing van het vakmanschap en b) het zich plaatsen in of afzetten tegen een bepaalde traditie. Vooral dat laatste mist hij bij de hedendaagse dichters, die elkaar volgens zijn bewoordingen allemaal te graag zien.' Daar geef ik een kleine aanvulling op: dichters zouden, vind ik, iets meer poëzie moeten lezen voordat ze de producten hunnes gekakels aan de openbaarheid prijsgeven. Zo ongeveer bedoelde ik dat van die traditie.

Dan stelt Roelens: 'Er zijn misschien nog te weinig poëziedebatten de laatste jaren. Daar kan Breukers wel gelijk in hebben. Maar het criterium wordt natuurlijk de tradities die hij kent. Ik ben bijvoorbeeld benieuwd hoe Arjen Duinker in de bloemlezing zal voorkomen, want die hoort toch niet echt in een Nederlandse traditie thuis en zet er zich ook niet tegenaf. Maar in een bepaalde wereldtraditie dan weer wel. Of wat doet hij met mensen die in een niet-gecanoniseerde traditie thuis horen? Ik denk maar aan Jaap Blonk, Jelle Meander + Maja Jantar, of ook nog ACG Vianen.'

Duinker is een van de grootste hedendaagse dichters. De traditie waar hij zich in thuis weet ken ik niet – maar suggereren dat ik die traditie niet ken, wil nog niet zeggen dat de suggerant hem wel kent. De wijsneus spelen, is nog geen uiting van geleerdheid. Voor de rest verwijs ik graag naar tekstblok twee, over die traditie. Jaap Blonk valt wat mij betreft onder de uitvoerende artiesten, en wat ik van hem heb gehoord en gezien boezemde mij een diepe weerzin in. Het werk van de andere mensen die Roelens noemt, ken ik niet goed, maar van ACG Vianen heb ik wel eens interessante gedichten gelezen.

Nog één citaat van Xavier: 'Breukers liet zich al ontvallen dat Daniël Dee en Erik Jan Harmens weinig weinig kans tot opname maken. Over Dee kan ik me niet uitspreken, maar wat Harmens betreft, vind ik dat jammer. Ik vond zijn laatste bundel van begin tot einde sterk. En het is zo dat hij moeilijk te plaatsen is in een bepaalde traditie – ik heb er in elk geval moeite mee om hem te plaatsen – maar in dit geval lijkt dit criterium me zijn beperkingen te tonen. Iemand die nieuwe wegen aan het exploreren is door bepaalde “truukjes” bewust niet te doen, dreigt daarmee uit de boot te vallen.'

Ik zei: 'De recente bundels van Dee en Harmens vind ik niet heel goed, daaruit zal ik waarschijnlijk niets opnemen.' Of iets dergelijks. Bij Harmens heeft dat niets te maken met het al dan niet geworteld zijn in een traditie, maar met de toon die hij aanslaat – en die mij niet bevalt. Of Harmens bewust bezig is met het omzeilen van 'truukjes'? Ik betwijfel het. Maar ik geef toe: misschien heb ik wel een blinde vlek voor zijn werk.

04 november 2005

Dagboek van een bloemlezer – deel 1

Dagboek_1De eerste bloemlezing die ik ooit kocht, was de 'dikke Komrij'. Het gaat hier om de tweede druk van het boek, verschenen in maart 1980. De eerste druk is volgens de technische gegevens verschenen in december 1979. Vreemd, ik dacht altijd dat het boek uit 1980 dateerde. Op de titelpagina schreef ik 'CH Breukers, juli 1980'. Het over de prijs heen geplakte stickertje meldt: 'Kantoorboekhandel Tindemans, Hoogstraat 4, Weert'. Ik heb het boek in de daaropvolgende jaren letterlijk bijna stuk gelezen. Ik wist precies wie met hoeveel gedichten vertegenwoordigd was. Ik internaliseerde de keuze van Komrij, had dezelfde voorkeuren en, vooral, afkeren als hij. Ik was pas 15. Laat dat tot mijn verdediging strekken.

Ik citeer de eerste zinnen uit het voorwoord dat Komrij 26 jaar geleden aan de eerste editie meegaf: 'Zou ik mogen zeggen dat deze bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw en van de beste is die ooit werd gemaakt? De kiesheid, dacht ik, verbiedt me dat. En bovendien: ik kan dit gerust aan anderen overlaten.' Verderop heet het: 'Ook de ontevredenheid speelt een rol; ontevredenheid over de manier waarop uit de Nederlandse poëzie alsmaar wordt bloemgelezen: alsof poëzie het domein bij uitstek is van gevoelsuitstortingen, verheven stemmingen, vliegende vaandels en gezwollenheid. De koek wordt altijd op dezelfde wijze doorgesneden, of dat nu met een ethisch of en politiek mes gebeurt. Ik heb een andere doorsnede willen geven: gedichten die het verstand scherpen en amuseren – zonder dat het verstand weer tot religie wordt. Het accent ligt, om een indruk te geven, hier meer op het vakmanschap. de smaak en het volwassen gezicht dan op het stamelen, de vulgaire sentimenten en het simpeldom. Meer op de satire, de maskerade, de afstandelijkheid dan op de dodelijk ernst, de eenduidigheid en het volle leven.'

Vakmanschap, smaak en een volwassen gezicht; ziehier de drie eigenschappen waaraan een goed gedicht óók nu nog dient te voldoen. In mijn keuze uit de poëzie tussen 1980-2005, te presenteren in de aanstaande bloemlezing, wil ik me wel aansluiten bij wat Komrij toen heeft geformuleerd. Zoals iedere bloemlezer die via zijn werk een uitspraak wil doen over de canon (oh, lelijk woord) alleen maar kan aansluiten bij het werk van Komrij, al was het maar omdat er de laatste 25 jaar in Nederland geen andere grote (nieuwe, dank, Bart FM) overzichtsbloemlezingen zijn gepresenteerd. Maar dat wil niet zeggen dat de canon van de Nederlandse poëzie na 25 jaar ook eens door iemand anders op de schop kan worden genomen. Door mijn werk als redacteur zie ik, regelmatig, dat Komrij dingen mist of dat hij accenten anders legt dan ik. Het is nu tijd voor een nieuwe dikke bloemlezing.

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën