Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

Hoofdmenu

Boekenweek Boek 2007 Feed

21 maart 2007

Boekenweek Boek 3

906005296xJan Kostwinder en de literatuur: een nooit stilvallende bron van anekdotes. Een van ons (Hein Aalders, CB) maakte met hem een reis door de geboortestreek van Cesare Pavese met het plan om een boek over hem te schrijven. Ze volgden diens voetsporen en ondervroegen mensen die hem gekend hadden. Onvermoeibaar hield Kostwinder op hun speurtochten de Nederlandse literatuur tegen het licht. Temidden van de heuvels van Paveses geboortegrond, onder een brandende zon, vroeg hij, nadat de laatste perikelen rond zijn eigen tijdschriftje (Adem, CB) uitvoerig besproken waren, ‘maar wat vind jij nou van Maatstaf, Hein?’ Het zweet gutste hun van het voorhoofd en Aalders kon niets anders uitbrengen dan: ‘Alsjeblieft Jan, kijk om je heen en hou voor één keer je kop.’

Het was die niet aflatende bezetenheid die Kostwinder zo boeiend maar soms ook vermoeiend maakte. Nu hij dood is en zijn verzamelde gedichten verschijnen, is het tijd om die bezetenheid in kaart te brengen, en om iets te vertellen over zijn leven, dat gedurende de laatste jaren zo hartverscheurend ontspoorde. Eerlijk gezegd valt ons dat niet licht. De bewondering voor zijn werk is groot, maar als je het slagveld overziet dat hij er op het laatst van maakte wordt het je koud om het hart. Kostwinder was een groot schrijver, op zijn manier, maar een chaoot van het zuiverste water. De zee des levens ging hem - daar was ook hijzelf zich van bewust - vele malen te hoog. Zijn bezetenheid en drang om het steeds maar weer opnieuw te proberen, om steeds de scherven op te rapen en zijn leven te hervatten, om weer aan een nieuw boek te gaan werken, maken hem tot een jammerlijk ‘geval’, maar uit zijn verbeten neiging zich in de literatuur vast te bijten spreekt ook een bewonderenswaardige koppigheid.

(...)

Na zijn dood kwam een bescheiden publiciteitsoffensief rond zijn werk en persoon op gang. Rob van Erkelens schreef in De Groene Amsterdammer van 8 september 2001: ‘Toen de “luidruchtige” Maximalen furore maakten, stichtte Jan Kostwinder het tijdschrift Adem, op het eerste gezicht het tegenovergestelde van het geëxalteerde Maximaal. De poëzie in Jans blad was stil, ingetogen. Net als die van hem zelf.’

Menno Wigman ergerde zich in Het Nieuwsblad van het Noorden aan het gedrag van Kostwinder tijdens een literaire avond. Over de doden niets dan goeds: ‘Op de eerste rij zit Jan Kostwinder. Een rood hoofd, daaronder een en al goedkope spijkerstof, zoals wel vaker één bundel zenuwen. Vanaf het moment dat Sylvia Hubers begint te lezen barst hij in een onbedaarlijk gelach uit. (…) Ook bij de voordracht van Rob Schouten klinkt er manisch gelach. Als ik achter de microfoon sta, zeg ik Jan dat ik slechts één humoristisch gedicht zal voordragen, maar dat het daarna “toch echt afgelopen moet zijn”. Hoewel er aan het slot van dat gedicht wel degelijk gelach klonk, kon Jan niet lachen. Ook daarna bleef het stil.’ Martin Bril wijdde er een melancholische column aan – bij Bril wordt alles melancholie: ‘De toon van zijn gedichten was mild en verwonderd; ze waren goed te volgen. (…) Het hele leven van Jan Kostwinder bevindt zich in een paar verhuisdozen.’

Kostwinder had deze publiciteit zelf ongetwijfeld geweldig gevonden. Hij hield ervan om in het middelpunt van de belangstelling te staan – en hij leefde naar het adagium ‘there is no such thing as bad publicity’.

De Brakke Hond publiceerde een in memoriam van Koen Sonck, ex-redacteur van Underground en eind jaren negentig vriend van Kostwinder, dat neigt naar mythevorming:

'”Hartaanval” luidt het officieel. Zelfmoord of overdosis lijkt me eerlijk gezegd waarschijnlijker (…). Dood dus. Het is pas goed tot mij doorgedrongen nu ik zijn brieven herlezen heb. Zoals ik hem ook maar heb leren kennen, toen Jan Bosteels van Houtekiet mij zijn prozadebuut Regenhond in handen stopte: “Hier, lezen.” Ik schreef er een jubelende recensie over voor het intussen ook lang ter ziele gegane Underground en eindigde die met de oproep dat er verdomme een schrijver in leven moest gehouden worden. Het heeft niet mogen baten. Ik kan moeilijk zeggen dat het bericht me verbaasde. In het jaar dat ik hem van dichtbij mocht meemaken, raasde hij al met een rotvaart op zijn eigen noodlot af. Een total loss in motion was het, de poëzie was ver te zoeken. (…) Buiten mij schreef niemand hem terug.’

Bukowski spreekt een woordje mee. En Jotie ’t Hooft. En nog een paar schrijvers. En: van je vrienden moet je het maar hebben. De Brakke Hond noemt zichzelf het `tijdschrift met de neus’, maar dan is dat in dit geval toch vooral een tijdschrift met een grote neus voor plat en goedkoop effectbejag.

De nalatenschap van Kostwinder bevindt zich in een aantal dozen, ze zitten vol gedichten, verhalen, essays, brieven en dagboekaantekeningen. Die nagelaten geschriften bevestigen bij ons het beeld dat na het lezen van zijn gepubliceerde werk is ontstaan: Kostwinder was een bevlogen schrijver, en alles wat hij opschreef was letterlijk door hem heen gegaan. Hoewel zijn werk onvoltooid is gebleven, kan men hem zeker een kleine meester noemen.

Zijn laatste, bij leven ongepubliceerde dichtbundel – Donkere wolken pakken zich samen boven het hoofd van meneer De Vries – geeft een bijna onverhuld zelfportret. In een zestigtal gedichten beschrijft hij het leven en, uiteindelijk, sneven van meneer De Vries. Dat het slecht met hem afloopt, verbaast je na die gedichten nauwelijks, hoewel het zeer verdrietig stemt. Dat wel.

Deze uitgave is een daad van rechtvaardigheid, een monument voor Jan Kostwinder: geen goedkope spijkerstof, maar een maatpak. En hij maar lachen, op de eerste rij.

Uit het nawoord bij:

Jan Kostwinder, Alles is er nog, verzelde gedichten, samenstelling en nawoord Hein Aalders en Chrétien Breukers, Thomas Rap, 2003, verkrijgbaar voor € 6,50 bij de Slegte.

Zie ook: de Meanderrecensie van Joop Leibbrand.

En dan hier het laatste gedicht uit het boek:

Afscheidslied

Alles is er nog, de kraaien kraaiend
in de hoge bomen, de melkwitte mistflarden
en het geloei van de vuurtoren,
en ook de koeien met hun onnozele ogen
en de vossen in de berm of slapend in hun holen,
en ook de lange lange weg, de slingerweg
door weilanden en langs de kliffen, om uit te komen
bij witte gebouwen en drinkgelag, bij de mannen
in hun verfbespatte overalls en bij Ellyned
die haar dijen toont onder gorgelend gelach
– flarden sigarettenrook tot onder de dakbalken;
vers getapte glazen – en ook de portierswoning
bij het kasteel waar jij ter wereld kwam, de ramen
waardoor je de zee en de tinnen kon zien,
en ook het rottend ooft in de boomgaard,
de kassen met hun ingewaaide ruiten
en de sneeuw die dit alles tot poëzie maakte

– alleen ik ben er niet meer,
niet meer dan een trilling in de lucht
van een opgeheven hand, niet meer dan de stank
van mijn ongewassen kleren bij het afscheid,
niet meer dan een klapzoen, een al vervagende
herinnering aan iemand die hier heeft geleefd,
op deze door god gemaakte en ook weer
in de steek gelaten plek:

je draait je om en kijk ik ben verdwenen ik ben er al niet meer.

20 maart 2007

Boekenweek Video van Bureau Renkema

Bron: Bureau Renkema, via You Tube

19 maart 2007

Boekenweek Boek 2

GetfirstphotoBij Risee emmert ene Arne Pauwels al een aantal columns door over de Noord-Zuid-Kwestie, zonder mij helemaal Dietsch te kunnen maken waarover hij het heeft. 'Als we ons nu ontdoen van de houdgreep waarmee Van Bastelaere de beeldvorming rond de Vlaamse postmodernistische poëzie stuurt, bekomen we aan weerszijden van de Vlaams-Nederlandse grens een "lauwe" poëzie. Allebei warm (Vlaanderen geëngageerd, terwijl Nederland experimenteel) en allebei koud (Vlaanderen getemperd, terwijl Nederland autonoom).' En ga zo maar door...

Verplichte lectuur voor Pauwels: De weifelende ezel, over Vlaamse identiteit en Nederlandse poëzie, 1893-1925 van Joris Janssens. Daar staat het allemaal in, maar dan mooier en handelend over alles tot 1925. Maar het idee achter de hele kwestie is nog hetzelfde. Ik citeer uit de flaptekst: 'In de Lage Landen wordt ze wel gezien als de moeder aller kwesties: of de literatuur uit dit taalgebied een geheel is, of dat de Vlaamse en de Nederlandse literatuur gescheiden grootheden zijn met een eigen ontwikkeling. Joris Janssens bekijkt die vraag voor één genre, poëzie, en zet ze in een historisch perspectief.' Een typisch geval van 'zo kan het ook, meneer Pauwels'.

Joris Janssens, De weifelende ezel, over Vlaamse identiteit en Nederlandse poëzie, 1893-1925, ISBN 90 77503 55 2; ISBN 13: 978 90 77503 55 3, Vantilt, 2006,  € 26,90. Het boek is na de boekenweek gewoon weer te koop, rechtstreeks bij de uitgever.

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën