Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

Hoofdmenu

Ben ik nou degene die zo slim is, of ben jij zo dom? Feed

18 juli 2010

De onontkoombare traditie

737612_1  Er zijn van die zinnen, die zich vastzetten in je hoofd en daar een eigen leven gaan leiden. Deze zin bijvoorbeeld, is sinds de plaatsing van dit bericht niet meer uit mijn hersens te branden: "Naast schrijvers als Huub Beurskens, Jacques Hamelink, Wiel Kusters, Peter Nijmeijer, Kees Ouwens, Hans Tentije, Ad Zuiderent en anderen werkte ook Bloem van meet af aan in de onontkoombare traditie van Kouwenaar en Faverey."

De poëtica-strijd (die er ook een tussen "tradities" wil zijn) is zo'n beetje de meest onvruchtbare die je je kunt voorstellen. East is east, et cetera. Goede dichters komen er toch wel. Daarom was Lucebert een minder overtuigde, of beter: een minder belijdende Vijftiger dan zijn collega's Gerrit Kouwenaar of Simon Vinkenoog, van wie de laatste dan ook nog eens zijn héle carrière te danken had aan "de beweging". Kouwenaar schreef, tussen zijn gemompel over taal door, nu en dan nog wel eens een mooi gedicht.

Rein Bloem was de droevige ridder van de poëtica-strijd, en in die zin "de meest nutteloze speler in het literaire veld". God god god, wat heeft Rein zich de benen (altijd gehuld in mooie, onverslijtbare, ribfluwelen broeken) onder het lijf vandaan gelopen voor de poëtica. Voor de ware poëtica, welteverstaan. De niet-ware poëtica, die bestreed hij te vuur, en te zwaard. Met een paar zelf gekopieerde vellen bij de hand, zijn eigen Strijdkreet, waarop altijd wel een stralend vers vermenigvuldigd was.

Wat Yves T'Sjoen, de schrijver van de zin die ik hierboven aanhaalde, precies bedoelt met die "onontkoombare traditie van Kouwenaar en Faverey" waarin een lijst door hem genoemde dichters zou dichten, is mij niet duidelijk, behalve dan dat Bloem de profeet was van de traditie. Waarin hij, stelt T'Sjoen, ook werkte.

Huub Beurskens schreef nooit gedichten, dus ook niet in een "onontkoombare traditie". Jacques Hamelink? Die wordt beter uitgelegd door RHCdG (en debuteerde al voor Faverey). Wiel Kusters wil het niet weten, maar is een sentimentele dichter, een lyricus op zijn beste momenten – ondanks Faverey en Kouwenaar, aan wie hij een substantieel deel van zijn vroege loopbaan vergooide. Peter Nijmeijer? Wie? Kees Ouwens schreef in de ironische traditie van Reve en andere romantici, om later door te schakelen naar de mystiek. Tentije is meer een soort Ter Balkt-light. Ad Zuiderent debuteerde met een bundel die zwaar op Lucebert leunde. In de jaren tachtig was hij meer een kruising tussen Kopland en Gerhardt dan een Kouwenaar-aanleuner.

Maar een mooie zin, dat is het.

15 juli 2010

Poëziekritiek in crisis

737612_1  De poëziekritiek is niet dood, maar wel heel ziek. In de kranten is de wekelijkse poëzierubriek verdwenen en de overgebleven recensenten hebben het gezag van een leraar met een ordeprobleem. Quizvraag: noem de poëzierecensenten van De Volkskrant, Trouw en Vrij Nederland. Het raadplegen van google is verboden. Of nee, google maar wel. Het is toch nergens te vinden.

De literaire bladen – die lieve, net nog levende Dino's – besteden soms aandacht aan het • kuch • betere essay, maar voordat je het weet zit je dan in een verhandeling van Hans Groenewegen vast, als een konijn in een strik. Uiteraard zijn er uitzonderingen! Uw dienaar verzorgt sinds onlangs een vrij fraaie kroniek in De Brakke Hond, het enige Vlaamse letterkundige tijdschrift zonder poeha of bluf.

Het web zou de rol van de dagbladen kúnnen overnemen, als natuurlijke buffer tussen het lezerspubliek en de saaie kletslap van Groenewegen cum suis. Helaas wil dat nog maar niet van de grond komen. Een initiatief als Poëzierapport lijkt lichtelijk verzand. 8Weekly is een sympathieke, maar te ad-hoc opererende site, waar de nadruk grotendeels op andere kunstvormen ligt. Cutting Edge en Literair Nederland: leuk & aardig, maar de beide redacties schieten soms tekort.

Lees meer "Poëziekritiek in crisis" »

08 juni 2010

Verkiezingsprogramma (niet te doen) + toch nog een keer het Letterenfonds

De afgelopen week heb ik de partijprogramma's van de grote en iets grotere partijen doorgenomen op de woorden "kunst en cultuur" - en ik heb het niet volgehouden om van alle lezingen verslag te doen. Politiek is de vijand van kunst en cultuur. Dat wordt soms expliciet vermeld (alle kunstsubsidies opheffen - de PVV), maar soms gaat het er ook subtieler aan toe: "Van culturele instellingen wordt verwacht dat ze actief een eigen publiek zoeken, en nieuwe groepen interesseren voor wat ze te bieden hebben; instellingen die meer eigen inkomsten verwerven, hebben recht op beloning. Instellingen zullen verder worden gestimuleerd om eigen inkomsten te verwerven onder andere om vernieuwende cultuur te presenteren." (De PvdA)

De politiek wil het liefst van de kunst af. Behalve, natuurlijk, als er een ereplaats bij een operapremière kan worden bezet, of als er een wassen-neus van een voorzitterschap voor de AKO- of Librisprijs te vervullen is. Dat is deels een ontmoedigend idee, maar je zou je als sector kunnen gaan beraden op deze onwilligheid. Is die alleen te parkeren bij de politiek, of zou de sector... de hand in eigen boezem moeten steken. Bij de beeldende kunst is dat al eens gebeurd.

Een weigerachtige politiek levert slecht functionerende instellingen en fondsen. Niet omdat de ambtenaren die er werken hun taak niet goed vervullen, maar omdat ze beleid moeten uitvoeren dat is ontstaan in "samenwerking" met een weigerachtige politiek. De instellingen en fondsen zullen hun huik naar de politieke wind laten hangen, uiteraard, want hun bestaan is ervan afhankelijk. 

Het beperkte budget dat wordt toegekend, moet verdeeld; dán wreekt zich de vijandige houding van de politiek en de lankmoedige houding van instellingen en fondsen nogmaals. Want dan ligt de weg open voor willekeur en een fijnmazig systeem waarin een kleine groep mensen zal profiteren van een relatief groot bedrag - toegekend door mensen die ineens, schijnbaar los van het politieke spel waarin ze gevangen zitten - begrippen als "kwaliteit" en "inhoud" (en noem de hele toverdoos maar op) gebruiken. Inhoudsloze begrippen, die als hosties worden rondgedeeld.

De oplossing is eenvoudig. Werk met vaste bedragen per genre, en keer die uit zonder "peer review". Misbruik wordt tegengegaan en elke kunstenaar weet waar hij aan toe is. Bijkomend voordeel is dat meer kunstenaars van deze nieuwe regeling profiteren. Helaas zou dit ook een aantal bestuurslagen uit de organisatie halen, wat door de politiek als bedreigend voor een evenwichtig voortbestaan van de balans tussen weerzin en overheidssteun zou beteken, én het einde van een aantal instellingen en fondsen.

03 juni 2010

Robbert Ammerlaan: sua realis praesentia

Brood-en-wijn_02Het is niet voor niets dat Robbert Ammerlaan ons vandaag, op Sacramentsdag, de geboorte van een nieuw literair tijdschrift doet geworden. In de vorm van "papier" en "kwaliteit" brengt hij ons de literaire variant op de hostie en de miswijn, opdat de letterkundige geest, die is en altijd zal zijn, over het land kan worden verspreid. In veelvoud, uiteraard. Want Ammerlaan is goed, maar niet gek. Zijn persbericht verwoordt deze ambitie juichend:

"Het is tijd voor een nieuw initiatief: een literair tijdschrift dat onomstreden kwaliteit brengt, de beste pennen, maar dat door zijn lichtvoetige presentatie en aantrekkelijke formule ook een groot publiek kan aanspreken. Lange tijd geloofde niemand dat er een succesvol televisie-programma mogelijk zou zijn dat over schrijvers en boeken ging. Adriaan van Dis bewees het tegendeel. In het haastige, drukke Nederland is er behoefte aan reflectie, is er verlangen naar inhoud en kwaliteit. Die wetenschap vormt de beste voedingsbron voor een prachtig, attractief, speels en sterk literair tijschrift. Niet een voor honderd lezers of voor duizend, maar voor ten minste 15.000 lezers."

Alleen de meest ervaren media-watcher herkent in de eerste zin de echo van Sport7. "Wij gaan iets nieuws doen." Helaas begrijpt diezelfde media-watcher niet precies wat Adriaan van Dis ineens komt doen, in dit persbericht. De woorden "onomstreden kwaliteit", "aantrekkelijke formule"  en "groot publiek" herkent hij daarentegen maar al te goed, die zijn afkomstig uit de martelkamers van een pr-bureau. Waarmee ik uiteraard niet wil zeggen, dat het een onsympathiek idee is. Maar het is wel een idee onder de noemer "dat moeten we nog zien".

Hollands Diep, door Ammerlaan enige jaren geleden gerevitaliseerd, is toch niet die spitse, literaire glossy geworden die hij er van wilde maken; sterker, Hollands Diep is vooral een mooi reclameblad geworden voor de auteurs van de Bezige Bij. Niets mis mee, maar met het oorspronkelijke Hollands Diep heeft het allemaal weinig te maken.

Ik help Ammerlaan hopen op een groep van 15.000 lezers, die geïnteresseerd zijn in een blad dat "een podium [wil] bieden aan aanstormend literair talent zoals na de Tweede Wereldoorlog bestond. In die tijd publiceerden opkomende schrijvers als Willem Frederik Hermans, Gerard Reve, Harry Mulisch en Hugo Claus hun eerste werk in deze bladen. 'En menig literair debat en scherpe polemiek is te danken geweest aan de bloeiende cultuur van het literaire tijdschrift,' zegt Ammerlaan zelf."

Ondertussen zou ik hem, uit collegialiteit, willen wijzen op, eh... ons blad, op internet, waar "menig literair debat en scherpe polemiek" is gevoerd (onder meer over de rol en de positie van het literaire tijdschrift). Per maand nemen tussen de 30.000 en de 40.000 lezers daar kennis van. Het is nog niet bekend wie de redactie gaat voeren van de nog titelloze nieuweling, maar voor vragen en tips kunt u ons altijd benaderen!

p.s. Mocht de toekomstige redactie willen weten hoeveel werk dat is, 15.000 lezers ronselen, dan is dit brievenboek van Herman de Coninck (die voor het NWT ongeveer dezelfde ambitie had) aanbevolen lectuur.

Het Nederlands Letterenfonds: een verkenning (3)

In een reactie onder dit bericht zegt Gerrit Komrij: "Draagt het systeem zoals het nu voortmoddert niet bij tot de overproductie op de literaire boekenmarkt?" en "Laat het Fonds, door als een pseudobureau voor sociale zaken te functioneren, niet allerlei kansen liggen, omdat die niet in hun rituelen en hun bureaucratie te vangen zijn?", maar vooral: "Moet het Fonds bijdragen tot het prestige van de literatuur of tot de goeie bedoelingen van literatoren?"

Vraag 1 is vrij gemakkelijk te beantwoorden: "Ja." Omdat veel schrijvers afhankelijk zijn van een werkbeurs, en een werkbeurs op projectbasis wordt toegekend, zijn die schrijvers - willen ze een gemiddeld jaarsalaris bij elkaar kunnen schrapen - gedwongen om regelmatig met een nieuw boek te komen. Het gaat hier om auteurs als Piet Gerbrandy, Atte Jongstra en Herman Franke, allemaal mensen die voor, door en met het Fonds leven.

Vraag 2 vind ik moeilijk te beantwoorden. Het Fonds kent een ambtelijke structuur en is daarom in wezen surrealistisch van karakter. Daar wordt door veel schrijvers jammerlijk aan voorbij gegaan. Ook door mij. Ambtenaren vormen een schild tussen de overheid en de burger. Dat is goed, passend en precies zoals het hoort, maar wie een creatief beroep heeft, wordt horendol als hij tegen dat schild aanbotst. Om al te erge botsingen te voorkomen heeft het Fonds een juridische afdeling, wat het geheel tot een gekwadrateerd surrealisme bevordert.

Vraag 3 lijkt me gemakkelijk te beantwoorden. "Het Fonds moet bijdragen tot het prestige van de literatuur." Helaas is dit gemakkelijke antwoord onvermijdelijk de opmaat voor felle twisten. Wat is prestige? Wat is prestigieuze literatuur? Enzovoort, enzoverder. Voordat je het weet is er een commissie geformeerd (Huub Beurskens, Marja Pruis, Thomas Vaessens en Marc Reugebrink) die het belang van een prestigieuze literatuur in schetsmatige beleidslijnen probeert vast te leggen.

Het Nederlands Letterenfonds, in januari ontstaan uit een fusie, zal zich volgens mij in de eerste plaats dienen te ontdoen van de neerdrukkende claim die "literaire kwaliteit" heet. Het enige dat deze claim heeft opgeleverd, is een systeem waarin auteurs, journalisten en wetenschappers een oordeel geven over de kwaliteit die hun collega's al dan niet leveren. Dat schept, zoals Komrij op Facebook aanstipte, "een fijnvertakt[e] afhankelijkheidsysteem".

Dit afhankelijkheidssysteem belemmert de vrijheid van de schrijver. Literaire "kwaliteit", de sjibbolet die het Fonds naar de adviescommissies doorschuift, verschaft de commissieleden vuile handen en de ambtenaren een stok, om de hond mee te slaan.

18 april 2010

Marja Pruis, - politicus (who the fuck ben jij?)

Pruis Marja Pruis heeft een beschouwing geleverd aan De Reactor. Onder de speels -reviaanse titel 'Zelf criticus worden. En blijven.'  onderzoekt ze 'drie zaken waar ik mijn hele recensentenbestaan mee in gevecht ben'. Die dingen zijn: 'de mate van toevalligheid van mijn criteria; de vraag of "ik" letterlijk aan het woord ben, of dat ik mezelf presenteer als een neutrale instantie; en de verhouding met mijn medecritici.'

Het ziet er niet onredelijk uit, wat Pruis hier presenteert. Maar toch valt er wel iets op af te dingen. Zo lijkt mij dat elk criterium min of meer arbitrair is, of aan een tijd gebonden, of aangejaagd door persoonlijke obsessies; helemaal toevallig is een criterium nooit, zij het dat het daarmee niet meteen helder hoeft te zijn waar dat criterium vandaan komt. Het is een schijnvraag, wil ik maar zeggen.

De vraag of er een 'ik' aan het woord is, of een 'neutrale instantie' lijkt mij, mij persoonlijk dus, mij als 'ik', redelijk zinloos. Ik houd van het kritische proza, dat als een man (m/v) op mij toekomt, met schitterende ogen, met een luide stem, ademend, en met grote gebaren van handen. Het kritische proza dat Arie Storm soms vervaardigt, bijvoorbeeld. Al het andere kritische proza is vulsel, al dan niet academisch van aard.

De 'verhouding met mijn medecritici' omschrijft Pruis als volgt: 'Was ik vroeger een fervent knipper en bewaarder van recensies, inmiddels lees ik de meeste stukken van collega’s vluchtig en ongeduldig, en vaak ook nog eens geërgerd. Ooit geheimzinnige autoriteiten hebben een gezicht, een stem en een geschiedenis gekregen. In plaats van  "wie ben ik" blèrt het steeds vaker in mijn hoofd "en who the fuck ben jij".'

Een goede vraag, die mij na het lezen van dit artikel ook door het hoofd spookte, maar die niet meteen getuigt van een 'verhouding met mijn medecritici'. Een vraag die overigens ook niet alléén beantwoord kan worden met 'criticus'. Want Marja Pruis is niet zozeer een criticus die zich druk hoeft te maken over de kwaliteit en de richting van haar kritieken, ze is vooral een politicus. 

Haar werk voor De Groene - een blad met een 10.000 abonnees, die lang niet allemaal kennis zullen nemen van haar artikelen - is een steek in een breiwerk waarin verder nog het schrijverschap, diverse jurylidmaatschappen en een bijbaan als (anoniem) adviseur voor het Nederlands Letterenfonds een plek hebben.

Dat gééft allemaal niets; maar probeer dan niet om op De Reactor de schijn op te houden, en net te doen of je nadenkt over 'het vak', terwijl je bezig bent met machtspolitiek, en je kritische werk inzet als bouwsteen van een dragende muur in je literaire carrière. Zeg dát dan, dat zou tenminste nog eerlijk zijn. Maar ja, een eerlijke criticus, dat is ook meteen weer zo saai. Voor je het weet, staan de bijlagen dan vol met Arnold Heumakers-achtigen.

11 april 2010

Omdat het avond werd en de barbaren niet gekomen zijn (6 + nog een slot + rekenvoorbeelden)

Meten is weten Piet Joostens lijkt mij een beminnelijk man. Wie, behalve iemand met een slecht karakter, zou hem ook maar een strobreed in de literaire weg durven te leggen? Precies. Niemand. Hij is schrijver, hij is vertaler en hij is, vooral, redacteur. Van de "internetpoot van nY" en van De Reactor, het "platform" dat minder recensies publiceert dan de gemiddelde literaire bijlage. Let overigens ook even op de vormgeving van nY en van De Reactor en zoek de overeenkomsten.

Maar goed, we zouden Joostens geen strobreed in de weg leggen. Laten we hem, gewoon, omdat het kan, eens op de door hem geschreven woorden beoordelen. Bijvoorbeeld op zijn coreferentie (3) bij Marc Kregting's epistelenreeks Wat nu?

Na een hele inleiding, deels gericht tegen plannen van een nieuwe bestuursvoorzitter van het Vlaams Fonds voor de Letteren, komt Joostens met een concreet voorbeeld, waar we iets mee kunnen. Joostens bepleit hier in het vervolg van het stuk namelijk het bestaansrecht van nY op financiële gronden. Kern van Joostens stelling is, dat nY het waar het de kosten betreft erg binnen de perken houdt. 

Ik denk dat dit niet waar is, dat nY een ander kostenplaatje heeft dan Joostens voorspiegelt. Voorts denk ik dat nY hoe dan ook duurder is dan in Joostens zijn rekensom naar voren komt, maar ook duurder dan welke met liefde en kennis van zaken vormgegeven en ingerichte website dan ook. Ik begin te citeren:

Lees meer "Omdat het avond werd en de barbaren niet gekomen zijn (6 + nog een slot + rekenvoorbeelden)" »

09 april 2010

Omdat het avond werd en de barbaren niet gekomen zijn (5 = mild-ironische slotaflevering)

Tijdschriften Ik ben gek op literaire tijdschriften. Echt waar. Of ze van groot belang zijn of veel abonnees hebben - who cares? Ik zie ze meer in het licht van hun functionaliteit. Toen mijn dochter van drie jaar niet gemakkelijk in slaap kon komen, heb ik haar een jaar lang elke avond voorgelezen uit een jaargang Raster. Binnen de drie minuten was ze vertrokken. En dáár hoor je niks over, in de discussie die nu wordt gevoerd, her en der.

Nee, het is alles "kwaliteit" wat de klok slaat. Of gepoch over oplagecijfers: "Daarnaast presenteerde Bommeljé cijfers waaruit bleek dat andere media minder aandacht aan literaire tijdschriften besteden, maar dat zijn eigen blad juist in oplage steeg." Cultureel pikkie-meten. Zegt de ene baviaan tegen de andere: "Jij hebt er vandaag vier gehad, maar ik vijf." Lekker belangrijk.

Lees meer "Omdat het avond werd en de barbaren niet gekomen zijn (5 = mild-ironische slotaflevering)" »

06 april 2010

Omdat het avond werd en de barbaren niet gekomen zijn (4)

Nu is het debat "Tegen de barbaren". De Contrabas doet alvast verslag. Ook is ons gevraagd om de conclusie namens alle redacties van alle vier deelnemende bladen aan de lezers mede te delen: "Onze tijdschriften zijn de beste." Waarvan akte.

Jongstra: "Ik zou graag eens willen ontregelen. Dat komt nog uit mijn jeugd, in Terwispel."

Bommeljé: "Begrijpen jullie dan niet dat een literair tijdschrift alleen bestaat bij de gratie van uitsluiting van schrijvers en bij de gratie van onderscheid met andere tijdschriften?"

Van Weelden: "Kijk naar bijvoorbeeld Tirade en (mijn) De Gids, ze worden digitaal, organiseren een lezing, zorgen dat hun archief online voor hoge zoekscores zorgt enz. Literair debat is overal op sterven na dood, wie weet maken literaire tijdschriften onderdeel uit van de wederopstanding op internet."

Perquin: "Op het internet, waar ik me nog altijd zelden waag, lijkt momenteel het idee te hebben postgevat – waar dat vandaan komt weet ik niet – dat iedere lezer in potentie een recensent is. Een merkwaardige gedachtegang. Je treft er epistels aan, druipend van hoogmoed, gespeend van zelfs een klein beetje basiskennis, onhandig geschreven. Je haren gaan er van overeind staan. Zulke mensen hebben eigenlijk met hun tengels van de poëzie af te blijven, denk ik dan." 

Barnas: "Ik zag laatst een enorm aardig, verontrustend mooi kunstwerk..."

Stipriaan: "Onze website, DBNL, is in feite alle tijdschriften in één."

Bommeljé: "Het is voor mij onbegrijpelijk, teleurstellend en verontrustend dat deze volstrekt evidente zaken stuiten op zo'n zonderlinge cocktail van onwetendheid, blinde haat en literaire rancune."

Etty: "Een droge witte wijn. In een fles, graag."

Hartmann: "Van veel dichters en schrijvers krijgen we daar goede reacties op, de meesten zijn daar erg blij mee. Een enkeling meldt ons zelfs verkoop na publicatie van een goede recensie) De laatste persoon die ons gekapitteld heeft over copyright was twee jaar terug de heer Bart F.M. Droog."

Peek: "Wie twijfelt aan het bestaansrecht van literaire tijdschriften, heeft waarschijnlijk moeite om de waarde van literatuur te zien. Als je geen vertrouwen hebt in het nut van een vakbond, waarom zou je je dan interesseren voor het vakbondsblad? Literatuur is kwetsbaar, wij kennen het waarde toe. We zijn soldaten die de ruimte voor de literatuur bevechten. We ontsluiten en duiden literaire kunst, een van de pijlers van de beschaving. Vasthouden aan kunst als waardevol, dat is op zich al een geëngageerde daad. In die zin heeft het iets nobels wat wij doen."

Sebes: "Leuk gezegd. En een leuk snoetje."

Asscher: "Hoop is als het opsteken van een parasolletje wanneer er een meteorietinslag wordt aangekondigd. Je weet dat je het stenen gevaarte er niet mee zult tegenhouden, maar misschien komt het ding wel ergens anders neer. En als je er toch door wordt verpletterd, heb je het in ieder geval niet hoeven zien aankomen."

Avondmaal

05 april 2010

Omdat het avond werd en de barbaren niet gekomen zijn (3)

Mocht het zo zijn, dat literaire tijdschriften inderdaad een dam opwerpen tegen de vervlakking, en mocht het inderdaad zo zijn dat literaire tijdschriften de literaire cultuur in stand houden, voeden en van impulsen voorzien, - dan zou je kunnen zeggen dat literaire tijdschriften een functie hebben.

Alleen blijven er dan een paar vragen openstaan. 1) "Waarom moet er een dam opgeworpen worden tegen al dan niet vermeende vervlakking?" 2) "Is de literaire cultuur nog dezelfde als, zeg, twintig jaar geleden?" 3) "Krijgt de literaire cultuur niet al lang voeding en impulsen uit heel andere "media", dan het ooit zo belangrijke literaire tijdschrift?"

Het antwoord op vraag 1) lijkt me vrij gemakkelijk te geven: "Die vervlakking wordt alleen gesignaleerd door mensen die op een zelfgemaakte verhoging staan." Op vraag 2) kan ik zeggen: "Nee, maar er is een groep mensen die belang heeft bij het in stand houden van het idee dat het wél zo is." Vraag 3) schreeuwt om het antwoord: "Al lang, maar dat is nog niet doorgedrongen tot de literaire bladen." 

In een reactie op dit bericht, schreef Bastiaan Bommeljé van Hollands Maandblad, naar aanleiding van een scriptie van Bart Temme: "Begrijp je dan niet dat een literair tijdschrift alleen bestaat bij de gratie van uitsluiting van schrijvers en bij de gratie van onderscheid met andere tijdschriften?" Helaas moest ik in dit bericht al concluderen dat dit helaas ook niet (meer) opgaat.

Volgens mij gaat de tegenstelling web - papier eveneens niet (meer) op. In feite is het literaire tijdschrift zoals mijn generatie dat heeft leren kennen - een blad gemaakt van papier, bevattende literaire, essayistische en opiniërende artikelen, dat met enige regelmaat verscheen - verdwenen. Niet eens met een knal, maar ineens.

Internet speelde daar wel een rol bij, maar niet eens een cruciale. Internet gaf alleen het laatste duwtje. Toen hebben zeer vasthoudende redacteuren van literaire bladen het woord "kwaliteit" naar voren geschoven. Als een laatste redmiddel. Wij = kwaliteit. Zij = populisme + geen-kwaliteit.

Het web is ideaal voor het snel verspreiden van informatie. Maar ook het verspreiden van gedichten, recensies en zelfs verhalen of romans kan sneller, en onder bereik van meer lezers, dan op papier. Nu de ontwikkeling van allerlei tablets en e-readers in een stroomversnelling is gekomen, lijkt het front van de literaire podia zich daarheen te verplaatsen.

Niet zozeer "het internet" (of het web, zoals de correcte benaming is) speelt daarin een cruciale rol. Het web is de grote database, waaruit de strijdende partijen hun content gaan betrekken. De manier waarop bladen, persbureaus of personen die content gaan aanbieden, en de manier waarop ze die content gaan organiseren, al dan niet met een business model, zal bepalen hoe de literaire cultuur er over een jaar of wat uitziet.

Niet de schrijver is dood, - de klassieke redacteur is overleden. Zonder het zelf in de gaten te hebben. En hij heeft alleen nog het woord "kwaliteit" om zich aan vast te klampen...

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën