Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« ‘Zuurvlees’ in Nederland Leest, regiokatern | Hoofdmenu | Het filosofisch kwintet over het boek »

28 juni 2015

Artikel Septentrion over Utrecht - in verband met de Tourstart volgend weekend

Een gekke stad - over de middelgrote wereldstad Utrecht

door Chrétien Breukers

(Dit is de Nederlandse versie van mijn artikel voor Septentrion nr. 2 van dit jaar: ‘Dans ce numéro, Chrétien Breukers se balade dans la ville d’Utrecht, métropole de taille moyenne et point de départ du prochain Tour de France.’)

‘In Utrecht zit een gekke stad verborgen / Die er niet uit wil. Soms verraadt ze iets, / Gewoon maar op een doordeweekse morgen / Of in een lichtval. Meestal is er niets.’ Dat is de eerste strofe van ‘Gedicht zonder Dom’, dat Gerrit Komrij in 2008 over de door hem zeer geliefde Domstad schreef.

Verborgene
Het verborgene, dat Utrecht inderdaad soms kenmerkt, wil er de laatste jaren steeds meer uit. Niet langer neemt de Utrechtse politiek of de Utrechtse bevolking (of het Utrechtse bedrijfsleven) genoegen met een leven in de marge, met een stad die als een gesloten oester rustig ligt te liggen, aan doodlopend water, nee, Utrecht moet de wijde wereld in, Utrecht moet vooruit, Utrecht moet en zal de status van ‘middelgrote stad’ ontstijgen.

Dat de Tour de France in 2015 start in Utrecht is in dat verband een Teken. In 2010 deed de Giro d’Italia de stad een dag aan, nu wordt er met minder dan een start van de grootste wielerronde ter wereld geen genoegen meer genomen, en er wordt al langer dan een jaar voorpret beleefd aan die paar dagen waarop Utrecht zal worden overgenomen door de Sociéte de Tour de France.

Het is mooi en droevig tegelijk: het gekruip voor de organisatie, het gesmijt met geld, het organiseren van leuke Frankrijkreizen, en ook: de ontegenzeggelijke dynamiek die een en ander uitstraalt, een dynamiek waar de gemiddelde Utrechter van verschiet; zelfs al is Nijntje een van de symbolen van het event.

Nijntje
Nijntje. Voor wie haar niet kent: zij is een getekend konijn, achternaam Pluis, een jaar of vijfenzestig geleden bedacht door Dick Bruna, de wereld in getrokken en beroemd geworden, nachtmerrie van ouders met jonge kinderen die deze boekjes moeten voorlezen. Zelfs in Japan is Nijntje beroemd.

In Utrecht is Nijntje alomtegenwoordig. Dat is op zichzelf te begrijpen, want zoveel wereldberoemde inwoners hebben we niet, maar het is ook merkwaardig dat een kinderboekenfiguur altijd en overal met haar snuit vooraan staat - ook als de Tour de France er is. Wat hebben konijntjes op een racefiets te zoeken?

Waarom niet gekozen voor Rietveld? Gerrit Rietveld, net als Bruna een ‘echte’ Utrechter, net als Bruna wereldberoemd. Bovendien was Rietveld een van de inspiratoren voor Bruna’s tekeningen. Maar ja, een Rietveldstoel als symbool voor een stad die heel erg groot wil worden? Zit dat wel lekker, als de directie van de Tour op werkbezoek is en je eens goed wilt uitpakken? Een konijnenvacht is zachter dan een streng-houten stoelzitting.

Utrecht kiest voor twee sporen: enerzijds wil het een grote stad zijn, met een groot (en bijna voltooid) nieuw station, met een grote universiteit, met het grootste poëziefestival van Nederland (de Nacht van de Poëzie) en met de grootste concentratie ‘creatievelingen’ van heel Nederland. Om over de Jaarbeurs maar te zwijgen.

Het bijna voltooide station wordt geflankeerd door een andere manifestatie van grootsheid: het Stadskantoor. Het oude stadhuis aan de Oudegracht is verlaten voor een multifunctioneel, torenhoog, in de vorm van een U opgetrokken, paleisachtig geheel, waar allerlei diensten die voorheen gescheiden opereerden zijn ondergebracht.

Daarmee is het aanzien van Utrecht inderdaad veranderd. Wie nu vanaf de Jaarbeurs naar het station gaat, ziet het Stadskantoor en de contouren van het nieuwe station duidelijk liggen, het hele gebied probeert weidsheid en ruimte uit te stralen.

Anderzijds is daar dus Nijntje, het konijntje dat in alle vormen opduikt en zich als een schimmel op Utrecht heeft vastgezet. Wat doet dat beest daar? Zijn. En wat heeft dat voor effect op het imago van Utrecht? Ik hoop een niet al te funest effect, niet het effect dat Kretek zo langzamerhand op Praag begint te krijgen.

Amsterdam
Utrecht, in inwonersaantal (plusminus 330000) de vierde stad van Nederland, is een stad voor studenten. Die zijn zeer gezichtsbepalend en dat heeft ook zijn invloed op het culturele aanbod. Er zijn talloze poppodia, en het (ook al vernieuwde) Muziekcentrum Tivoli Vredenburg heeft zalen van verschillende grootte, waar bekende groepen als Tindersticks of een cultgroep als Slint terechtkunnen.

Die jeugd, Nijntje ontgroeid, heeft blijkbaar minder met kunst. Want ondanks de aanwezigheid van een kunstacademie binnen de gemeentegrenzen is het galerieleven in Utrecht bijna non-existent. Blijkbaar is er niet genoeg geld in de stad beschikbaar voor het aankopen van nieuwe kunst; daarvoor gaat men naar het nabijgelegen Amsterdam, een beweging die veel kunstenaars ook maken.

Maar het theater dan? Door de Stadsschouwburg (een ontwerp van Willem Dudok overigens) wordt een goed programma aangeboden, maar geen leidend programma. Daarvoor moet de bezoeker, alweer, in Amsterdam zijn.

En de studenten? Zij blijven na hun studie lang niet altijd ‘hangen’ in de stad; dus behalve een continu jonge bevolking, is het ook een sterk vlietende bevolking; om de vier, vijf jaar wordt er een grote groep jeugdigen de stad ingepompt, een groep die na verloop van tijd bijna als vanzelf weer verdwijnt.

Middelgroot
Het lijkt wel alsof ik de stad uit de markt wil prijzen. Dat is zeker niet het geval, integendeel. Ik denk namelijk dat Utrecht niet groot moet willen worden, maar van het middelgrote zijn kracht moet maken. Wie groot wil zijn kan tegenvallen, wie zijn eigen kracht kent kan alleen maar groter gaan lijken dan hij is.

Zelfs al hééft Utrecht grootheid te bieden, dan nog zal dat alleen maar kunnen via de middelgrote omgeving waarin de stad gevangen zit. Mij lijkt dat een hele geruststelling. Ik stel me voor dat het stadsbestuur, de notabelen en het bedrijfsleven van het idee gruwen en dat is eeuwig zonde.

De komende jaren zullen meer en meer ‘grote projecten’ uit de grond schieten, als giftige paddenstoelen, en er zal met een aan hardnekkigheid grenzende concentratie worden gewerkt aan het vergroten van ‘de dynamiek’. Ongetwijfeld met veel succes en toch, en toch...

Te weinig heeft men naar Komrij geluisterd: ‘Het sleutelwoord is grijs. Het zonlicht staakt. / De nevel danst door kelders, steeg en nis / En

straten waar het altijd zondag is. / Een knooppunt, lelijk in de knoop geraakt.’ Dat is niet droevig: dat is wat Utrecht soms, ondanks alles, die grootsteedse loomheid kan geven.

Als ik burgemeester was van Utrecht (wat ik goddank niet ben, want dan was Utrecht nog niet jarig) zou ik de stad bewust klein houden. Ik vermoed dat toeristen dan massaal naar de Domstad zouden reizen; niet alleen om de Dom, de hoogste kerktoren van het land, te zien, maar ook om eens te kijken hoe dat ook alweer wás, een middelgrote stad.

Rondleiding
Als ik u zou mogen rondleiden door de stad, zou ik u meenemen naar de Roomse kerken, waar het in Utrecht van wemelt. Utrecht is een bisschopsstad en ook al heeft de Beeldenstorm hier flink rondgeraasd, nog steeds hangt er een licht-katholieke sfeer in de binnenstad; je verwacht elk moment dat er een pater of een non de hoek om komt, of een pastoor, onderweg naar een stervende met het heilig oliesel.

Ik zou het geboortehuis van de enige Nederlandse paus Adrianus VI laten zien, en vertellen over deze tragische figuur, die allerlei hervormingen voor ogen had en bijna niets kon bereiken, omdat hij voortdurend werd tegengewerkt. Zijn dood, in 1523, was waarschijnlijk het gevolg van een vergiftiging.

Typisch Nederlands, en typisch Utrechts: ja, er wordt iemand uit deze stad paus, en nee, dat is geen succes. De arme man bedoelde het allemaal heel goed, maar hij zag niet dat hij op veel meer weerstand stuitte dan zijn voorgangers, omdat hij zo nodig af en toe een Heilig Huis moest omgooien.

Ik zou de woonhuizen van de dichters H. Marsman en Martinus Nijhoff aanwijzen, die van Pyke Koch en Joop Moesman, en ik zou een tocht maken over de Oudegracht, die merkwaardige levensader waarvan de kelders in het water staan. Ooit was dat om het uitladen van schepen te vergemakkelijken, nu bieden die kelders ruimte aan talloze creatieve bureaus, bedrijfjes en ateliers.

Misschien zou ik even aanleggen bij het atelier van Jeroen Hermkens, de graficus en schilder die de stad in beelden heeft gevangen, of bij de werfkelder van portrettist Kees Wennekendonk, of bij het atelier van schilder Jan Mulder. Ik zou wijzen op de oude bomen, waarvan de wortels

de werven soms dreigen te splijten. Bloei en verval hebben in Utrecht een eeuwig en zeer goed huwelijk.

Mijn rondleiding zou eindigen op de plek waar de Romeinen ooit een doorwaadbare plek in de rivier vonden, op het Domplein dus, dat naar de vorm nog het oude Castellum Trajectum heeft. Hier is het begonnen, de stad, en hier staat de Domkerk, althans, hier staat wat er over is van de Domkerk, die tijdens een grote storm (een schrickelik tempeest) op 1 augustus 1674 deels instortte.

Wat we nu nog kunnen zien is de Domtoren en een restant van de oude kerk, twee van elkaar gescheiden gebouwen. Zelfs hier geldt dat het middelgrote landelijke uitstraling kan hebben: de Domtoren is de hoogste kerktoren van het land, ook al staat zij mooi te zijn voor minder dan een halve kerk.

Uitkijktoren
Na afloop van de rondleiding zou ik naar het nieuwe Stadskantoor gaan. Daar, op de twintigste verdieping, zetelt Jan van Zanen, de burgemeester. Hij is een echte liberaal, en dat is in alles aan hem te merken. Zijn tolerantie is zo groot dat er geen kruid tegen gewassen is, en zij maakte hem binnen no time een van de populairste burgervaders die we ooit hebben gehad.

Van Zanen kijkt in zijn werkvertrek uit over het nieuwe station. Daar vertrekken de treinen (richting Amsterdam, bijvoorbeeld, of Rotterdam, twee steden die nog steeds het lef hebben om groter te zijn dan Utrecht), daar komen dagelijks reizigers aan die iets in de stad te zoeken hebben (of denken te hebben).

De wirwar aan rails is van bovenaf bijna een kunstwerk; en je ziet ook dat het station wel erg groot is, voor de stad die je er naast ziet liggen, voor die paar grachten en die paar centrumwijken... Ik lees hem het sextet voor van Komrij’s gedicht:

De stank en dat verdomde carrilion!
Maar soms ontsnapt er lucht uit de ballon
En wordt de stad een stad om lief te hebben.

Steenklomp krijgt kleur. Het net van spinnenwebben
Wordt zelf een hersenspinsel. In de gracht
Drijft op een baar de prins die op me wacht.

En ik weet zeker dat hij daarna, het jasje uit en de rood-witte bretels mooi uitgelicht tegen een achtergrond van blauw-witte streepjes, weemoedig naar buiten zal kijken. Want Van Zanen is zeker gevoelig voor de Utrechtse melancholie, die uit de Oudegracht naar boven komt kringelen en elke stadsbewoner vroeg of laat te grazen neemt.

Van Zanen is een burgemeester met een missie. Zijn wens: Utrecht eindelijk verlossen van dat eeuwige stempel ‘middel-groot’. Het zal hem niet lukken, maar toch is hij alomtegenwoordig, hij knipt linten, entameert, enthousiasmeert, jaagt aan... hij is in alles precies wat Utrecht nodig heeft, een burgervader die niet aan de ketting ligt maar de ketting met ere draagt.

En ondertussen vertrekken de treinen, zoals in het gedicht Awater van Martinus Nijhoff, geschreven in Utrecht overigens, door een auteur die het eeuwig-beslotene van de stad ook aan den lijve moet hebben gevoeld (ik citeer het slot van dit lange gedicht):

De klok verspringt van minuut naar minuut.
Weer roept zij, de locomotief; voortdurend
roept zij, roepend dat het te lang reeds duurt.
Haar zuil van zuchten wordt een wolkenkluwen.
Maar denk niet, dat zij zich bekreunt om u,
de Oriënt Express; nog minder deelt ze uw jubel
als gij plaatsnamen ziet in een schriftuur
die de eerste klank is van het avontuur.
Zij kent in haar reisvaardigheid geen rücksicht.
Wat voor hoop gij ook koestert of wegduwt,
nogmaals, het deert haar niet; zelfs voor de illusie
een reisgenoot te hebben is ze immuun.
Dat gij, geheel alleen, u in haar luxe
beklemd voelt, ’t raampje neerlaat, en zelfs nu
’t perron nog afblikt; of dat gij het puurst
geluk smaakt dat voor het individu
is weggelegd: te weten, ’k werd bestuurd,
’t is niet om niet geweest, ik was geen dupe, -
geprezen! - ’t laat haar koud. Zij ziet azuur.
Van schakels is haar klinkende ceintuur.
Zij zingt, zij tilt een knie, door stoom omstuwd.
Zij vertrekt op het voorgeschreven uur.

Reacties

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...