Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Van boeken en mensen (56) | Hoofdmenu | Couperus vertalen: Van Oostendorp says no »

22 mei 2013

Gerrit Komrij over Richard Wagner - en over zichzelf - in Wagner en ik

Wagner en ik - Gerrit KomrijRichard Wagner. Hij werd op 22 mei 1813 geboren en dat is vandaag op de dag af tweehonderd jaar geleden. Over die Richard Wagner schreef Gerrit Komrij Wagner en ik (2006), dat zo begint: ‘Dit is geen boek over Wagner. Dit is geen boek over ‘ik’. Dit wordt een betoog over de uitwerking van het woord Wagner op het gemoed van iemand die zich ‘ik’ noemt, een gemoed dat niet te teerhartig is en al evenmin te bot en dat het best zou kunnen worden omschreven als een niet onontvankelijk gemoed.’

Wie ben ik om Gerrit Komrij te spreken, en toch doe ik dat. Natuurlijk gaat Wagner en ik over Richard Wagner en over Gerrit Komrij. Maar dan wel met de kanttekening dat de Wagner uit de titel  meervoud is - ‘Wagner hoort tot de uitverkoren schimmen, omdat al zijn schimmen bij elkaar de ware Wagner zijn en omdat de ware Wagner nooit heeft bestaan. Wagner is een maaksel’ en de ‘ik’ bestaat uit meerdere ‘ikken’. Wagner en ik is een coming of age essay, waarin Komrij aan de hand van zijn zich steeds verder ontwikkelende bewustzijn over de controversiële reacties die Richard Wagner en ook zijn muziek oproepen zijn houding ten opzichte van kunst bepaalt.

Was Wagner goed of fout? Ook Komrij ontkomt niet aan die vraag. ‘De Wagner zoals de jongen van vroeger die tegenkwam was van zijn eerste verschijning af verweven met de begrippen goed en fout, woorden die in de lucht hingen en vervolgens door monden verschrikt werden ingeslikt of die onverhoeds aan monden ontsnapten om daarna los in de lucht te blijven rondzweven, waar ze werden voortgeblazen of opzijgeduwd uit het zicht, uit het zicht, weg er mee, uit de buurt, opgedonderd, woorden die juist pijnlijk duidelijk van hun aanwezigheid blijk gaven omdat niemand leek te willen at ze bestonen - je had foute mensen en je had goede mensen, en niemand die de jongen vertelde waarom de foute mensen fout waren geworden en dus tot hun laatste snik per se fout moesten blijven, niemand die de jongen uitlegde waarom en door welk bijzonder voorrecht de goede mensen van top tot teen goed waren en het monopolie bezaten van het scheidsrechterschap over goed en kwaad, van nu tot in de eeuwigheid.’

Uiteindelijk, na veel omzwervingen, kan Komrij niet anders dan tot de conclusie komen dat iemand die al lang en breed dood was, geen misdaden kan plegen (Wagner die in 1883 stierf werd door Hitler zeer gewaardeerd), maar dat het vooral niet nodig om per se het ene of per se het andere te zijn, en dat muziek niet fout kan zijn, zelfs niet als er plekjes zitten aan de componist: ‘De muziek en de componist, het boek en de schrijver zijn twee gescheiden zaken, een door en door correct en moreel hoogstaand werk wordt ook niet automatisch een meesterwerk, en als een schrijver ons niet bevalt staat het ons nog altijd vrij zijn boek niet naast ons op het nachtkastje te leggen. We kunnen Wagner overspel, miezerigheid, diefstal, kleinburgerlijkheid, intrigezucht, achterbaksheid, hysterie, profiteurschap en schurkenstreken verwijten en met bewijzen komen, we komen daardoor geen stap dichter bij de verklaring waarom hij zulke wereldbestormende muziek schreef.’

En om die muziek gaat het Komrij. Van de woorden die Wagner bij die muziek verzon, is hij aanmerkelijk minder - eigenlijk helemaal niet - gecharmeerd. ‘De muziek bleef, om de verhalen van Wagner gaf ik geen lor.’ En dat terwijl dat verhaal er toch toe leek te doen: ‘De bereidheid om het verhaal over het hoofd te zien, de eenvoudige manier ook waarop het mogelijk bleek gehoor te geven aan de behoefte om het verhaal over het hoofd te zien, was des te merkwaardiger omdat het verhaal zich als zo essentieel presenteerde, alsof Wagner de muziek alleen had willen componeren omdat hij daarmee zijn Wodans en najaden kon slijten met om die Wodans en najaden heen een heel wereldbeeld geweven, met diepgaande conflicten en vermanende lessen - ik had begrepen dat Wagner zich een groot dichter voelde en voor zijn eigen teksten zorgde, ik wist ook of het niet nu waar is of niet, dat hij zijn Germaanse rekwisieten en uitdossing pijnlijk serieus nam, dat hij belang hechtte aan de spreuken die over de lippen van zijn Wodans rolden, allitererend en donderend en filosofisch, en toch bleef hardnekkig de indruk bestaan dat de muziek het ook zonder Wagners poëtische en profetische bijdrage kon stellen, dat ze als het ware aan de inhoud ontsteeg, dat ze vlammend omhoogspiraalde terwijl het verhaal als een  hoopje sintels treurig op de grond achterbleef.’

De jongen die inmiddels dichter is geworden, die ‘dichter veegt de muziek van Wagner schoon en beweert dat hij de woorden kan missen en de muziek benijdt, maar dan pas begint de tweestrijd. De muziek van Wagner moet het liefst niets betekenen, goeie god laat de muziek van Wagner niets betekenen, red haar van de stroomgoden en de speerwerpende reuzen, van de zeloten en de fascisten, laat haar zijn wat ze is, louter sensatie, maar wat is muziek zonder betekenis anders dan een belangeloze bagatel, een wegwerpartikel, een dien dat maar beter kan afsterven?’

‘Hoe zuiver ik de muziek ook onderging, zonder alle propagandistische rompslomp, ik kon me niet blijvend en naar tevredenheid voorstellen dat ze niets betekende. (…) Ik begreep van het ene moment op het andere dat het aanprijzen betekenisloosheid in feite neerkwam op angst voor de inhoud, op het onvermogen de gevreesde inhoud het hoofd te bieden en uiteindelijk op minachting voor de kunst.’

Voor Komrij is het duidelijk: ‘Iemand die zulke extreme reacties oproept moest wel iemand zijn, al had je aanvankelijk geen idee wie.’ En omdat hij iemand was/werd/bleef die ter discussie stond werd hij mikpunt van kritiek. Kritiek ook in de vorm van het verwijt elitair te zijn. Een beschuldiging die Komrij met een vlammend betoog tegen populisme en de overgewaardeerde stem van de gewone man - ‘Het lijkt een triomf voor de democratie, maar het is een triomf van de middelmaat, een middelmaat die op haar beurt het oor laat hangen naar de rancuneuze middelmaat - wat vindt het volk? Wigalaweia! Sidderend rennen onze politici naar de krantenkiosk om kennis te nemen van de laatste opiniepeiling en van uur tot uur wordt de stemming van het volk gepeild, zodat het volk vanzelf is gaan denken dat het op de troon zit, neemt dat het volk eens kwalijk: er hoeft maar iets te gebeuren, een politiek debatje, een maatschappelijke controverse, of het volk krijgt een microfoon onder de neus geduwd’ - weerlegt.

Hoe je het ook wendt of keert, volgens Komrij kun je vanwege zijn muzikale kwaliteiten net om Richard Wagner heen. ‘Hij is de mytheverzinner die zelf mythe werd, de mythemaker van gekostumeerde mythes die de naakte mythes van onze tijd zijn gebleven. Hij is de Zonnekoning en de man van de lamp, de hartsvriend van de nachtzijde van de uil en de raaf, de verzegelde lippen en het duister akkoord. Hij is de man die de kunst en de staat wilde verzoenen, de burger die de faam van anti-bourgeois benoot, de praktijkman met de uitstraling van de utopist.’ 

Zo’n man kan alleen maar geannexeerd worden. ‘Eigenlijk zou je moeten zeggen dat Wagner zo onontkoombaar was dat iedere historische periode, iedere wisseling van de wacht hem wel moest annexeren, dus ook het nationaal-socialisme - en dan ontstaat weer het verlangen naar het opheffen van de fragmentatie, het verlangen om van de koestering van de tegenstelling terug te keren naar de vrieskou, en halverwege die weg terug ontdek je dat er geen verschil bestaat tussen het instandhouden en het opheffen van de fragmentatie, het heeft niet de minste zin tegenstellingen uit de weg te ruimen, zelfs niet als je daarbij verzoening en compromis vermijdt, het is goed mogelijk te leven met het één en tegelijkertijd te leven met het ander, en zodra het leven ondraaglijk wordt door gebrek aan conflictstof is het een weldaad vrijwillig schijnconflicten in het leven te kunnen roepen, niet bestaande tegenstellingen, fopdilemma’s.’

Heel terecht gaf Komrij zijn boek de naam Wagner en ik. Het gaat net zo goed over Gerrit Komrij als over Richard Wagner. Daarvoor hoef je niet eens tussen de regels door te lezen. Wagner zal niet de enige geweest zijn die Komrij aan het denken heeft gezet, maar dat hij van invloed is geweest op zijn ontwikkeling als denker en dichter, lijkt mij duidelijk. 

‘Ik zou een nederig eerbetoon aan de verscheurdheid willen brengen, aan een verscheurd bestaan zonder verscheurd te zijn, ik zou uiteindelijk willen leren hoe ik volledig en voor honderd procent en onvoorwaardelijk de paradox moet beminnen, ik zou willen samenvallen met de ik van wie ik zeg dat ik het niet ben, ik zou vervolgens in onvrede met mijn vrede willen leven, bij een zielsverhuizersmaatschappij een enkele reis willen bestellen naar China of Nigeria en me haasten een ik te rekruteren dat er nog niet eerder was, in de hoop op een ik dat alle ikken laat imploderen. Alles, uiteraard op de als ondergangsmuziek vermomde klanken van Wagner. Voor de zoveelste keer open ik de deur en vaarwel Richard zeg ik, ik zeg vaarwel Richard, maar hoe vaak hij ook afscheid neemt en hoe vaak hij ook vertrekt, hij blijft.’

Dat zijn zijn laatste zinnen. Althans in Wagner en ik.

Reacties

Paul va de Wiel

Om zo'n stuk lees je de Contrabas. Om er achter te komen dat Komrij naast geestig, cynisch, poëtisch ook bombastisch kon zijn. Dank

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...