Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Zuiderlucht zoekt, ja, geld | Hoofdmenu | Ik trapte in de Correspondent-grap. Maar het zette me aan het denken. »

01 april 2013

Ik ging naar Maastricht en nam mee... (1)

Dit weekend was ik in Maastricht, de stad die binnen nu en dertig jaar zal worden omgedoopt tot Prof. Dr. Wiel Kustersdorp. Elke keer als ik de Alexander Battalaan passeerde, maakte ik een lichte buiging in de richting van Zijn woonst, in de hoop dat de Geest (die gaat waar Hij wil) zich over mij vaardig zou maken.

In mijn koffer had ik drie publicaties, waarin ik las: het nieuwe nummer van Het Liegend Konijn, het nieuwe nummer van Liter en een Duits-Nederlandse bundel van Frans Budé: Handgepäck. Laatstgenoemde bundel is fraai uitgegeven door Hochroth en heeft als extra aanvulling een essay van Cees Nooteboom en is bovendien verlucht met een vignet van Hans Wap.

Het nieuwe nummer van Het Liegend Konijn wordt geopend door H.H. ter Balkt, Dien L. De Boer en Mark Boog en sluit af met werk van Anne Vegter, Henk van der Waal en Nachoem M. Wijnberg. Dit zegt meteen iets over de twee polen waartussen de Nederlandse poëzie zich beweegt: aardse, doorleefde gedichten aan de ene kant, weke, licht-decadente taalpudding aan de andere kant. Daartussen komt alles aan bod: van Luuk Gruwez tot Renaat Ramon en van Hester Knibbe tot Ellen Deckwitz.

Mij viel het werk van één dichteres in het bijzonder op. Ik kende haar naam nog niet en had nog nooit iets van haar gelezen. Ze heet Sebastiene Postma. Haar bijdrage bestaat uit acht genummerde verzen (I, IV, VI, XIV, XXII, XXV, XXVIII) uit wat blijkbaar een reeks is: 'De trap'. Het zijn lange verzen over, ja, een trap of 'over' trappen, waarin de dichteres en passant de Engelstalige poëziegeschiedenis 'behandelt'. Een voorbeeld, het gedicht 'I':

Jane Carlyle bakte brood en stopte sokken
terwijl haar echtgenoot de trap opliep.
Hij stapte langs haar heen op de door
haar gedweilde treden en verdween uit zicht.
Ze kon nog net zijn voeten tussen
de balusters van een hogere traparm zien.
Ze hield zijn tempo niet bij. De planken
moesten regelmatig worden geschrobd
of geschuurd of opnieuw worden gevernist.
Schimmel en termieten moesten worden aangepakt,
de spijlen en de dekstukken moesten in de was
worden gezet, de loper moest worden uitgeklopt
en waar nodig versteld, de koperen loperpennen
en traproeden moesten worden gepoetst.
Na een tijd hoorde ze alleen nog zijn voetstappen.
Ze moest beneden blijven om te zorgen
dat alles niet te hard versleet of wegrotte.
Om niet krankzinnig te worden bedacht ze dat
het bakken van een brood van een afstand bezien
misschien van net zoveel waarde was
als Cellini's bakken van een beeld.

De dichteres Elizabeth Barret
was invalide en van anderen
afhankelijk. Zij kon de trap op eigen kracht
niet op of af en zat gevangen op haar kamer.
Robert Browning tilde haar op een dag van de sofa
en liep heimelijk met haar het ouderlijk huis uit.
Haar vader wou niet dat ze trouwde.
Hij droeg haar heel voorzichtig verder in zijn hand.
Ze sperde hongerig haar gele snavel open als een trechter
- die was gigantisch in verhouding tot
het miniscule lijfje bedekt met donsveertjes -
en piepte aan een stuk door om wormen.
Zij was beroemder dan hij. Hij was te druk
bezig met haar in leven te houden om nog veel
te kunnen dichten. Hij schreef het meeste na haar dood.

We wachten allemaal op redding.
Maar niet iedereen heeft in nood een traplift.

Een prachtig vers, waarin twee echtparen (Carlyle en Barret-Browning) worden gekoppeld; we zitten midden in de Victoriaanse tijd en zien twee vrouwen: Carlyle, die zich opoffert voor haar man (al wordt beweerd dat ze als briefschrijfster een plek in de letteren verdient) en Barrett, die door Browning wordt geadoreerd (en uit de klauwen van een strenge vader gered). De twee verhalen spiegelen elkaar, - en het verbindende element is die trap, waar Postma blijkbaar een hele bundel of lange reeks aan heeft gewijd.

De slotregels zijn een soort 'conclusie', al bezondigen ze zich gelukkig niet al te expliciet aan het trekken van een 'conclusie'.  In nood worden we gered. Of niet.

Reacties

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...