Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Het Utrechts Dichtersgilde gaat dwars door de stad | Hoofdmenu | Van boeken en mensen (43) »

30 januari 2013

Dansen tot na sluitingstijd: het tweede, papieren leven van Poëzierapport (3)

Coster DansentotnaS-1

Op 28 januari (wordt: 30 januari, CB) verschijnt: Dansen tot na sluitingstijd. Het beste uit Poëzierapport (samenstelling: Philip Hoorne); daarmee krijgt dit jammer genoeg verdwenen initiatief een tweede, papieren leven dankzij uitgeverij Van Gennep en is een aantal recensies voor de eeuwigheid bewaard.

De komende drie dagen werken Laurens Jz. Coster en De Contrabas samen om het boek onder de aandacht te brengen: elke dag een gedicht op LJCoster en elke dag een stuk van een recensie op De Contrabas. Vandaag: Alexis de Roode. Een uittreksel uit de recensie van Geef mij en wonder door Philip Hoorne leest u hieronder, het gedicht dat de redactie van LJ Coster koos, staat hier.

Een parel met een enorm sierlijke hoofdletter P vinden we op pagina 38. 

Bij het rode licht van de wekkerradio

Ze trok een onderbroek aan
en daarna nog een.
Met damast en goudbrokaat
omwikkeld tot een mummie
gaf ze haar lichaam
aan Klaas Vaak, bandeloos.

Ze was moe: dat is waar.
Wat mag je vragen van een lichaam
dat het jouwe niet is.

Dat ze naar mij keek en zei:
ik wil even naar je kijken.
Dat ze gelukkig was. Maar moe, heel moe.
Was dat zelfs niet genoeg.

De onredelijkheid van kleine ongemakken!
De gekte van zaad dat geen uitweg vindt!

Wat zingt daar ’s nachts in die hoge Dom?
Het luiden van klokken geeft weinig troost.

We kunnen nog duizend jaar slapen,
maar samen niet meer dan veertig.

Je mag slapen, je mag slapen,
maar wacht daarmee op mij.

De thematiek is voor elke man met een gezonde seksuele appetijt pijnlijk herkenbaar. Je hebt zin, honger, reuzenhonger, de onderbuik staat op ontploffen, maar vrouwlief is moe en heeft totaal geen trek in een potje Grieks-Romeins worstelen. Een min of meer gewaagd onderwerp omdat het een aspect van de mannelijke kwetsbaarheid blootlegt – voor goede seks moet je (minstens) met twee zijn en mannen hebben doorgaans meer goesting dan vrouwen – en die anti-macho-instelling van De Roode vind ik prijzenswaardig.

Maar er is meer. Het hele gedicht lang weet de dichter de juiste toon aan te houden, een toon die het midden houdt tussen berusting en verzet. In de eerste strofe wordt het grote onheil in twee haast simplistische regeltjes aangekondigd. ‘Ze trok een onderbroek aan / en daarna nog een.’ Yep, d’er zal niet gevreeën worden ten huize De Roode, dat is meteen zo klaar als een klontje. ‘Klaas Vaak’ dan. Normaliter gruw ik van dit soort clichés, maar hier mag het, want het maakt duidelijk dat de dichter met lede ogen, maar niet zonder zelfspot toekijkt hoe de geliefde zich opmaakt om te gaan slapen, en met slapen bedoelt ze slapen, laat daar geen misverstand over bestaan.

In de tweede en derde strofe weerklinkt een groot mededogen jegens vrouwlief en haar wens om snel in dromenland weg te zeilen. Een timide poging om alsnog aan zijn trekken te komen mislukt, want moe is moe – ‘Was dat zelfs niet genoeg’. Zonder vraagteken, zonder stemverheffing, er is geen lievemoederen aan, die twee slipjes zitten strakker dan een vastgeroeste kuisheidsgordel.

In de vierde strofe zie ik de dichter zijn geliefde de rug toekeren, hij heeft het nu helemaal begrepen en bijt en knijpt in zijn hoofdkussen van onmacht. Hier wil ik even wijzen op de titel, die niet beter gekozen had kunnen zijn. Verteerd door wilde lust zonder perspectief op bevrediging ligt Alexis met zijn rode roede te staren naar het al even rode lichtje van de wekkerradio, hopend dat het irritante schijnsel hem dra naar een andere dimensie hypnotiseert. Buiten klinkt het troosteloze klokkengelui van die rot-Dom. Volgt een obligate maar van vertederende onmacht blijk gevende verwijzing naar de vergankelijkheid – ‘We kunnen nog duizend jaar slapen, maar samen niet meer dan veertig.’

De laatste strofe is net als het hele gedicht van een geniale eenvoud. Een orgelpunt, maar perfect welluidend met de toon van de rest van het gedicht. Ik ben dol op dit soort relativerende, onderkoelde emotionaliteit.

Klasse, grote klasse, lang geleden dat ik een gedicht las waar elk woord goed zat. Veel heb ik toegelicht, maar veel ook niet. Het woord ‘bandeloos’ in de eerste strofe bijvoorbeeld. Of het haast sacrale gemijmer: ‘Wat mag je vragen van een lichaam / dat het jouwe niet is.’ ‘Vragen van’ staat er (lees: verlangen) en niet ‘vragen aan’. Prachtig! Bravo! Het gedicht van het jaar, en dat in een jaar waarin ik zelf een bundel heb gepleegd. Faut le faire!

(…)

 

Reacties

Leo Besouw

Een gedicht vol uit hoofd,hart en vlees van de dichter, prachtig! De recensie uitermate volbloedig aansluitend! Daar word ik nou blij van, om niet te zeggen "dronken"!

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...