Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Interview Poëziekalender op Tzum | Hoofdmenu | RexRex: Viskramen »

24 oktober 2012

Willem Thies over Jürgen Smit

Ik
schrijf gedichten
als dunne bomen.

Wie 
kan zo mager
praten
met de taal
als ik?

(...)

Om pijn
te schrijven
heb je
weinig woorden
nodig.

SmitBovenstaande is een fragment van een titelloos gedicht uit de bundel Lunchpauzegedichten (1974) van Jan Arends.

 ‘Jozef Deleu’, is mijn antwoord op Arends’ retorische vraag. Jozef Deleu (1937) is in formeel opzicht verwant aan Jan Arends: hij schrijft even smalle regels, zozeer dat de gedichten soms de vorm van een kolom of zuil aannemen, en de woorden worden omringd door wit.

Dit was de opening van mijn bespreking van Jozef Deleus bundel Onbeschut (2009), enkele jaren terug geplaatst op Poëzierapport.

In nog grotere mate gaat dit op voor Jürgen Smit (1972), wiens debuut, Traliewoud, onlangs verscheen. Zijn gedichten vormen waarlijk een ‘woud van tralies’ – of kale stammen, loofloze bomen, zuilen zonder ornamenten.

Doorgaans zijn de dichtregels slechts drie of vier woorden breed, soms vijf of zes, maar evengoed tellen ze maar twee woorden of één enkel woord.

Open zee

ik wilde naar moermansk
want dat klonk zo mooi

als een cruiseschip
met olie of staal

het wuiven bij afvaart
& moeder die dacht

dat ik de taal al sprak

maar meer dan vloeken
was het niet

& rond texel
viel de wind

Beeld je in wat ‘Moermansk’ bij een kind (een adolescent waarschijnlijk, in dit geval) kan oproepen, puur klankmatig, primair: het is een rauw woord, krachtig, robuust, het heeft iets ‘oers’ – en iets stugs, stroefs bijna. En de Russen: een vreemd en heldhaftig volk, dat zwijgzaam kou en ontberingen doorstaat, onverzettelijk.

Bij de volwassen lezer van nu schuift daar echter een beeld overheen: deze denkt aan vergane glorie, oude industrie, roestende en lekkende marineschepen, een supermacht in verval. Een wereld van weemoed opent zich.

In dat ene woord botsen twee ‘sferen’ van associaties en connotaties, waardoor het onder spanning komt te staan.

Maar in essentie is dit gedicht natuurlijk weemoedig van toon, zij het op geestige en (vooral) laconieke wijze: de hybris van het kind die ‘naïviteit’ heet, het stranden van de intenties in het vroegste stadium, een Icarus die wat klapwiekt maar niet van de grond komt. De oe-klank (‘moermansk’, ‘cruiseschip’ – althans fonetisch –, ‘moeder’, ‘vloeken’) versterkt de weemoedige sfeer. Daarbij roept deze ‘oe’ ook nog eens de cyrillische letter y in herinnering. Zoals de ik de Russische taal niet machtig is, enkel wat vloekt en sputtert, zo ‘sputtert’ ook zijn ‘motortje’ – hij heeft nog maar net de haven verlaten, of de zeilen ‘verslappen’, de tocht is voorbij voor hij goed en wel begon. De laconieke toon van die slotregels (& rond texel / viel de wind), waarmee op droog-komische wijze het op de klippen lopen van de kinderdroom zo kort na de afvaart beschreven wordt, is kenmerkend voor Jürgen Smit.

cavia 

ochtend
& het hok was leeg
 

de dood
niet veel meer
dan volgende week
een nieuwe halen

totdat oma

Ook hier de laconieke toon, de kale stijl. De eerste confrontatie met de dood wordt ‘afgedaan’ met de kalme, nuchtere constatering dat de ik de volgende dag het caviahok leeg aantreft. Net als kalverliefde en kalverliefdesverdriet is dit verdriet om het verloren huisdier heel intens, maar – achteraf bezien – erg vluchtig. Zo’n beestje blijkt vervangbaar. De eerste twee strofen krijgen daarmee bijna een nostalgische lading.

De slotstrofe telt niet meer dan twee woorden. Toch draait het gedicht hierom. Smit maakt gebruik van een betekenisvolle ellips. Natuurlijk, het is volstrekt helder wat er gesuggereerd wordt, maar met de dood van oma valt er een gat, ook in het gedicht. Daar houdt iets definitief op. Deze dood is niet te ‘repareren’ of vergeten. Het zwart van de dood gaat schuil in het wit.

Centrale themata in Traliewoud vormen de dood (ook zelfmoord) en de Holocaust – het bij uitstek onzegbare. De soberheid en suggestiviteit van de gedichten, het neigen naar zwijgen, zijn de ‘wapens’ waarmee Smit deze fenomenen ‘tegemoet treedt’, ‘benadert’ – want benaderen, dat is het: wanneer men niet tot in de kern of essentie kan doordringen, kan men slechts erlangs scheren, schampen, er terloops aan raken. De witstilte is ontzag voor het onzegbare.

van goethe & citroenen

we lagen in het gras & jij
plukte een trein uit de lucht

niemand weet
waarheen precies
daar staat nu een fabriek

tenminste

er komt rook uit

In het licht van de overige gedichten van Traliewoud kan ik ‘van goethe & citroenen’ niet anders lezen dan refererend aan de Holocaust: de ‘trein’, de ‘rook’ in de laatste regel. De ik zegt weliswaar dat er op die plek een fabriek staat, maar in de twee – door wit geaccentueerde, beladen – slotregels wordt die ‘stellige’ uitspraak ‘ondergraven’, de lezer wordt (licht, maar net voldoende) aan het twijfelen gebracht: is het wel een fabriek?

En natuurlijk, in zekere zin wáren de vernietigingskampen ook fabrieken – fabrieken van de dood, vernietgingsfabrieken. Er werd op industriële schaal gemoord. In nazi-jargon heette het: ‘Auschwitz-Birkenau war im Vollbetrieb.’ Deze cynische uitspraak is conform de historische werkelijkheid. De Holocaust was niet alleen de grootste misdaad in de geschiedenis, hij was óók een economie, een ‘machine’ – hij kon enkel ten uitvoer worden gebracht, doordat mensen ‘gedehumaniseerd’ werden, ‘dingen’ werden, ‘materie’, onderdelen van een productie- en destructieproces. 

De bundel bevat aanwijzingen (niet meer dan toespelingen) dat de grootouders van de ik fout waren in de oorlog, hebben gecollaboreerd met de bezetter.

Kaal en sober als Jürgen Smit mag schrijven, bij tijd en wijle blijkt dat er ook een echte lyricus in hem schuilt. De lezer proeft echter dat Smit bijna niet lyrisch dúrft te zijn – waar hij het is, is hij het met een zekere schroom, met tegenzin welhaast.

De volgende regel, uit ‘een laatste groet uit barakstad’, trof mij als – misschien niet direct ‘lyrisch’, maar prachtig dichterlijk: ‘door het open raam kroop grauw een kat’.

Hoe hier het woord ‘grauw’ als bijwoord wordt gebruikt, en dan niet als bijwoord bij bijvoorbeeld ‘ogen’ of ‘eruitzien’ (waarbij het verkapt bijvoeglijk zou zijn gehanteerd) maar bij ‘kruipen’, dat is... bijna trakliaans.

Meer uitgesproken lyrisch is het volgende, titelloze gedicht:

naakter
wordt het niet

zo nu & dan een regel
waar niemand
het nut van ziet

een kraai verdwaalt in kolibrie

& oma speelt viool

En het slotgedicht van de bundel besluit met een regel die zowel lyrisch is als laconiek van toon, een regel die exemplarisch is voor de poëzie van Jürgen Smit (inclusief het &-teken):

Asbest 

geen dood in plakjes hier
of woorden op een geordend palet
geen linten geen bloemen cremeer
mij maar met open oven
 

zodat wederkeren als stukjes mij
in jou & haar vanzelfsprekend is

& ja dan waaien we nog even

 

Al wie Jürgen Smit wel eens heeft horen voordragen, weet dat hij

in letterlijke zin een heel eigen stem heeft: zwaar, wat gruizig en krakerig. Maar ook in overdrachtelijke zin heeft hij een heel eigen stem: een stem die veel te zeggen heeft, ook als hij het wit laat spreken. Smits woorden zijn karig maar raak. Zijn poëzie is (inderdaad) naakt en kaal, maar niet koel – een warme adem blaast door dit traliewoud.

 

Traliewoud – Jürgen Smit
Uitgeverij De Contrabas, Utrecht 2012
ISBN: 978-90-79432-59-2

Reacties

Taco

"Spreektralies" is waaraan ik moet denken als ik de regels van Smit lees in deze recensie. Wonderbaarlijk geen enkele referentie aan Paul Celan bij de bespreker. Ik kan me niet voorstellen dat Smit's bundel gedichten zo pijnlijk, bezwerend, en raak zal zijn als Celan's poëzie, maar ik zie wel uit naar lezing ervan. De hedendaagse Nederlandstalige poëzie kan wel wat meer kaal- en karigheid gebruiken!

RHCdG

Bij zowel het Moermanskgedicht als het gedicht met die oma valt me de abrupte afbreking op: de tocht naar Moermansk wil zelfs geen overwintering op Nova Zembla worden en suggereert dat de ontwikkeling van de ikzegger vroeg is gestokt; bij de oma wordt het abrupte van haar dood iconisch (nl. via de ellips) uitgedrukt.

Verder nog over dat 'van goethe en citroenen': daar zie ik twee mensen naar de lucht kijken en vormen herkennen in de wolkenformaties, de kop van goethe bv., wat citroenen, en een trein. De grap is dat de rook uit de laatste regel weer terugverwijst naar de wolken: 'er kwam rook uit': de fabriek is in de wolken voorzien van een rookpluim, maar produceert ook de wolken. Dat is dus erg mooi gedaan.

Menno Wigman

Ik kan niet anders zeggen dat dat 'Goethe & citroenen' een erg geslaagd gedicht is, heel erg geslaagd zelfs.

Menno Wigman

> 'VAN Goethe & citroenen' -- dus.

OnnoK

Niet alleen Celan, maar ook Nelly Sachs (wat mij betreft vooral Nelly Sachs, in wier werk de schoorstenen alleszeggend zijn). Ja, mooie recensie van bundel die ik graag zal lezen.

RHCdG

Om het nou over Celan of Sachs te gaan hebben omdat die ook over de Holocaust hebben geschreven: ik vind dat niet zinvol, het leidt van het gedicht weg en af. Verwijzingen hebben zin als ze licht werpen op het gedicht, dat is hier niet het geval. Die hele bespiegeling over de Holocaust kan feitelijk wel weg. Dat maakt wel deel uit van het narratief van het gedicht, maar is secondair aan de vorm ervan, aan de manier waarop het functioneert, met die wolken als verbinding tussen beeld en idee. Het is de McGuffin van het gedicht ahw, en werkt nog het best als stille dreiging op de achtergrond. Dat hele discours eromheen: het gedicht kan het missen als kiespijn, vind ik.

sija lanser

van goethe & citroenen is inderdaad buitengewoon knap. Ik denk dat het iets toevoegt als je "Kennst du das Land" van Goethe er naast legt.

Bertus Pieters

Ja. Kennst du das Land wo die Zitronen blühn van Goethe, daar dacht ik ook aan. En dat is niet toevallig. Dat en de referentie aan de holocaust maakt het wel heel bitterzoet. Terwijl het gedicht zelf heel kort en vanzelfsprekend van de tong glijdt.

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...