Twitter

Facebook

Uitgeverij De Contrabas
Uitgeverij De Contrabas

Elders

« RexRex: Gascons | Hoofdmenu | RexRex: Zieke kinderen »

05 oktober 2012

Het Liegend Konijn

20covergr-400Tweemaal per jaar, in april en oktober, verschijnt Het Liegend Konijn – een literair tijdschrift met uitsluitend nieuwe, nog niet gepubliceerde gedichten, onder redactie van Jozef Deleu. Willem Thies las het nieuwe nummer (2012-2) en kwam vervolgens tot deze recensie:

Het Liegend Konijn is een tijdschrift-in-boekvorm, met een elegante, rustig ogende vormgeving. Een vormgeving waardoor de poëzie het best tot haar recht komt. De informatie over de dichters is uiterst summier: slechts naam, geboorteplaats en -jaar, eventueel een nevenbezigheid, en de recentste bundel worden genoemd. Meer is ook niet nodig.

Van iedere bijdragende dichter wordt een substantieel aantal gedichten opgenomen, waardoor de lezer een goede indruk krijgt van diens werk in wording, van stilistische ontwikkelingen of thematische verschuivingen van de dichter, van wat hij ongeveer van diens volgende bundel verwachten mag.

Het aantal dichters (meest gevestigde namen, maar ook minder bekende en zelfs een enkele debutant) is ook nog eens behoorlijk groot, waardoor Het Liegend Konijn een dwarsdoorsnede biedt van de hedendaagse, Nederlandstalige poëzie, min of meer een bloemlezing. 

Zojuist is het najaarsnummer van Het Liegend Konijn verschenen. Dit bevat maar liefst 198 gedichten van 33 dichters, onder wie: Anneke Brassinga, Johanna Geels, Maarten van der Graaff, Ingmar Heytze, Philip Hoorne, Maarten Inghels, Ruth Lasters, Gwy Mandelinck, Lieke Marsman, Ester Naomi Perquin, Erik Solvanger, Peter Swanborn en Florence Tonk.

Dat Het Liegend Konijn zich niet beperkt tot een bepaald segment van de Nederlandstalige poëzie (ik noem, chargerend, bijvoorbeeld de ‘anekdotische’ of ‘hermetische’, ‘beeldende’ of ‘talige’, ‘klassieke’ of meer ‘experimentele’), ervaar ik zelf als een voordeel.

Immers, zou het zich daar wél toe beperken, dan zou het een ‘nicheproduct’ worden – het ‘clubtijdschrift’ van een bepaalde ‘zuil’. Daarbij zou de lezer dan geen helder beeld krijgen van de diversiteit van het poëzielandschap.

Dat het zo nadrukkelijk een afspiegeling wil zijn van ‘de’ Nederlandstalige poëzie, en daarbij het hele spectrum wil bestrijken, heeft ook een nadeel: veel gedichten blijken stilistisch schraal, mat of tam, flets – er is veel kaf tussen het glanzende koren. Dat is echter een nadeel dat iedere bloemlezing (wellicht op de wereldcanon der poëzie na) aankleeft. Daarbij valt dat bezwaar tegen ieder tijdschrift in te brengen. Doorgaans leest men slechts enkele artikelen en interviews met grote interesse, de rest op zijn best vluchtig.

Met andere woorden: deze mogelijke kritiek op Het Liegend Konijn kaatst terug op de staat van de Nederlandstalige poëzie zélf: er zijn (kennelijk) nu eenmaal veel (in stilistisch opzicht) dunne en bleke gedichten.

Door de ‘contrastwerking’ wordt echter wel helderder welke poëzie erboven uitsteekt.

Ik zou namen kunnen noemen, maar dan wel de grotere namen – het is flauw om relatief of nog volstrekt onbekende dichters te kritiseren.

Zo viel de bijdrage van Anneke Brassinga mij tegen. Het eerste deel van haar cyclus ‘Auf Flügeln des Gesanges’ eindigt met de regel: ‘Mijn dorstend lied verstuift zoals het dorrend kaf.’ Het tweede deel met de regels: ‘Alsof wij / in de schaduwen van morgen elkaar, hervonden, / opnieuw voorgoed verliezen konden.’ Het is mij te anachronistisch, ál te romantisch, neigend naar kitsch. Het smachten, het jammerlijk gemis, het grijsgedraaide plaatje, de sleets geraakte uitdossing der romantiek. Het is tegelijk stijfjes en hoogdravend. En het is niet omdat de naam Schubert valt, dat het gedicht verhevener en beter wordt.

De gedichten van Paul Demets zijn mij dit keer (zijn bundel De bloedplek kon mij zeker bekoren, al plaatste ik ook enkele kritische kanttekeningen) te troebel en zoekend, ze blijven enigszins in het luchtledige hangen – neigen naar vaag en onbestemd geprevel. Daarbij laat Demets zich hier en daar verleiden tot klankspel. Dit maakt het gedicht niet meer ‘welluidend’ of ‘geraffineerd’ – het is too much, geforceerd, te nadrukkelijk en opzichtig.

Een voorbeeld: ‘Klanken stoot het; rauw raspt een tong / en smaakt de smaad. De dag driegt / zijn draad boven de lakens.

Daarbij maakt Demets veelvuldig gebruik van het onbepaald voornaamwoord ‘het’: ‘De bosrand schuimt van de regen. Het wrikt zich / los uit je hand en kijkt in de poel waarin jij / je vroeger zag.’ ‘Het huis in een waas. Het groeit in de kamers, / aast op je slaap en ligt zich in een winter te vergapen.

Dit maakt de regels des te vager en onbestemder – en mocht het doel zijn een sfeer van dreiging of beklemming op te roepen, dan slaagt Demets daar mijns inziens niet in.

De gedichten van Sylvie Marie zijn een exponent van ongegeneerde en onvervalste liefdeslyriek. Zijn ze daarmee ook góéd? Ik meen van niet. Het ontbreekt de gedichten aan spanning – zelfs van een zekere erotische spanning of geladenheid is geen sprake.

Als hij komt

als hij komt, kan ik dat lang van tevoren
al horen. een hoest, geschraap
van grind en uiteindelijk licht

gestommel op de drempel. adem
ontsnapt me. met één tocht
welt mijn hart op, een bons
op de deur. aarzel
bij het openen.

Zo gaat de (negendelige!) cyclus verder, kabbelend, in kamers, op de bank, in bed. De gedichten zijn vooral heel lief, waarschijnlijk aangenaam te lezen voor David Troch, maar de eigen woonstee – dat is een te gering bereik. De openingsstrofe van het vierde deel luidt: 

als hij komt, is hij rustiger dan ik
kan verdragen. één zin uit zijn mond
is een refrein in de mijne. ik zwijg.
 

Ook dit neigt (sterk) naar kitsch; ‘één zin uit zijn mond is een refrein in de mijne’ – dat kán toch eigenlijk niet. 

En de tweede strofe van het zesde deel:

hij neemt me mee
de bank op, laat me voorlezen,
schuift achteruit tot een kussen
hem vangt.

Het oogt als een goed huwelijk, maar niet noodzakelijk als goede, ‘stevige’ poëzie. Alleen in het slotdeel lijkt er een kleine kerf te ontstaan op de huiselijke idylle:

was een glas maar ooit gebarsten, had ooit
maar die kop gebroken. met plezier
had ik dan mopperend
de brokken bijeengeveegd.

Al klinkt ook dat (‘mopperend’, niet ‘vloekend’) vooral gezellig.

Maar er is ook veel talent te vinden in deze nieuwe editie van Het Liegend Konijn, en dat talent is veelal verbazingwekkend jong: zo zijn er sterke gedichten van Maarten van der Graaff, Maarten Inghels en Lieke Marsman.

Twee hoogtepunten vormen de bijdragen van Erik Solvanger en, met name, Florence Tonk.

Solvanger was enkele jaren terug werkzaam als arts in Ethiopië, en momenteel als psychiater in Tanzania. Deze achtergrond drukt ongetwijfeld een stempel op zijn poëzie, zij het dat Solvanger zijn ervaringen vervormt en verwringt, omwerkt, tot waarlijk surrealistische scènes.

Of, beter gezegd (want een zo eenduidige relatie tussen zijn professie en zijn scheppend werk bestaat niet): zowel aan zijn inzet als arts en psychiater in (ook in dat opzicht) zeer behoeftige landen, als aan zijn groteske en ‘fantastische’ poëzie ligt een fascinatie voor lichaam en psyche van de mens ten grondslag, en vooral voor fysieke en geestelijke ‘defecten’ en ‘verstoringen’, ziekten; voor de degradatie en ontmenselijking van de mens onder inhumane omstandigheden en bij chronische tekortkomingen.

De aantasting van het lichaam vormt een voornaam thema in het werk van Solvanger, de vervreemding (niet alleen van de mens ten opzichte van de hem omringende werkelijkheid en van ‘zijn essentie’, maar vooral van delen van het lichaam ten opzichte van het geheel: het demonteerbare lichaam), de ‘verdierlijking’ of ‘mechanisering’ van de mens.

Mijn maag zit vol kreten

Mijn maag zit vol kreten en verwensingen. Iedere keer als een kreet
van afschuw of verwarring mijn mond bereikt, weet ik het net

tussen mijn lippen en tanden te klemmen, met mijn tong naar binnen
te werken, spartelend tegen mijn gehemelte te drukken,

met een diepe ademteug en krachtige beweging door te slikken.
Ik word er misselijk van. Mijn buik staat bol van afschuw.

(...)

In dit gedicht wordt goed duidelijk dat sterke, diepgevoelde

morele verontwaardiging werkelijk fysiek tot uiting komt: men voelt walging. Mensonterende situaties, wanneer ze door mensen tot stand zijn gekomen of worden verergerd, zijn ziekmakend.

 

 

In

Mijn oude oren is het lichaam ook ‘demonteerbaar’: het lijkt uiteen te vallen in min of meer losse onderdelen, die vervangbaar en inwisselbaar zijn. De ik heeft een nieuw model oren, en nieuwe botten die ‘mooi en buigzaam’ zijn.

(...) 

Alleen mijn hersenen heb ik afgedaan en niet vervangen.
Ze zaten me maar in de weg, ik heb ze niet meer nodig.
 

Ze hinderden me, door al die vragen. Waar moet je heen?
Wat doe je hier? Daarom deed ik mijn hersenen af,

heb ik ze niet vervangen. Ik kan het iedereen aanraden.
Zelden nog heb ik hoofdpijn. Alles is lichter, veel lichter.
 

Het

disposable brein, dat maar kopzorgen geeft en het leven bezwaart en verduistert. De hersenen, zetel van reflectie en hinderlijke zingeving, en ook van tal van verstoringen en ‘aberraties’, de morbide, donkere, perverse hersenen – weg ermee!

 

 

In het gedicht Grote, stevige passen wordt het hoofd in zijn geheel gedemonteerd:

Met grote stevige passen loop ik door de stad. Ik draag mijn hoofd
onder mijn arm geklemd. Hoe lang het lichaam dit volhoudt weet ik niet,
 

maar het hoofd altijd op diezelfde plek tussen de schouderbladen,
hoog op de nek, is uiterst onhandig. Wanneer ik moe ben

 zit ik op een terras, leg mijn hoofd op de tafel, neem wat te drinken.

(...)

 Andere mensen laten hun darmen thuis, of zelfs hun hele lichaam (minus voeten en hoofd). Het gedicht eindigt met een waarschuwing, een dringende raadgeving:

(...)                          Wat de meeste problemen geeft,

zijn de dwalende lichamen zonder hoofd. Ze kunnen niet meer
vertellen waar ze wonen, om van de schreeuwende hoofden

die zich zonder voeten niet kunnen voortbewegen nog te zwijgen.
Draag daarom je hoofd altijd stevig onder je arm met je mee.

In de kern is deze groteske en gruwelijke, absurdistische, diepduistere poëzie juist zeer vitaal en humanistisch – en dat maakt haar buitengewoon intrigerend. 

Daar ik reikhalzend uitzie naar de volgende bundel van Erik Solvanger, was het een genoegen zijn bijdrage (van tien gedichten) aan

Het Liegend Konijn te lezen. Het stilt de honger. Voor even.

 

Maar het meest onder de indruk was ik van het nieuwe werk van Florence Tonk. Ook van haar hand zijn tien gedichten opgenomen, of strikt genomen zelfs veertien, daar twee gedichten feitelijk driedelige cycli zijn – een dergelijk substantiële vertegenwoordiging is heel uitzonderlijk. Maar terecht, vind ik.

Het gedicht met de sterk onderkoelde, eufemistische titel Kleine ingreep lijkt te handelen over een ‘stille miskraam’, een missed abortion, en de curettage die daarbij plaatsvindt.

Men is tot actie overgegaan
de benen zijn in de stijgbeugels
gedaan het karretje met glanzend
roestvrijstaal, een pomp, de lepels.
Zo heeft men ingegrepen.
 

U bent nu schoongemaakt
de bodem is van de zelfvoorzienende
planeet geschraapt waar even,
heel toevallig twee,
kleine kosmonauten leefden.
 

Hun reis liep niet voorspoedig.
Wat u na enkele weken zag bewegen
in dat gruizig universum op het scherm,
kunt u maar beter
zo snel mogelijk vergeten.

Ik kan niet eens een begin maken met te omschrijven wat ik zo mooi of goed aan dit gedicht vind. Het is persoonlijk, pijnlijk en puur, eerlijk en rauw, maar ook heel teder en sensitief, vol gevoel. Ik kan het niet anders dan autobiografisch lezen, al maakt dat voor de waardering en beleving niet uit.

Het wonder van het nog ongeboren kind, of de nog ongeboren kinderen, in dit geval, die nooit geboren zullen worden, wordt opgeroepen, in beelden. Nergens valt het 

woord

‘wonder’, of ‘(Gods)geschenk’, of ‘uniek’, of ‘het mooiste wat mij kon gebeuren’. 

Er wordt gesproken van een

zelfvoorzienende planeet’ waar even twee ‘kleine kosmonauten’ leefden. Ook het terloopse ‘heel toevallig twee

– het ging dus om een tweeling, maar het wordt bijna ‘in het voorbijgaan’ gezegd.

 

En dan de afstandelijkheid. Misschien ingegeven door het ontzagwekkende van de traumatische gebeurtenis. Maar waarschijnlijker wordt hier de distantie van de medische sector, met name de artsen en specialisten, beschreven. Wat voor de toekomstige ouders een unieke en ingrijpende gebeurtenis is, die het leven volkomen en voorgoed verandert, is voor de medici inderdaad maar ‘een kleine ingreep’, een ‘routineklus’, ook als het misgaat, ook als zich voor de ouders een ramp van ongekende omvang voltrekt. Waar de (toch nog altijd voornamelijk vrouwelijke) verpleegkundigen nog betrokkenheid en empathie tonen, zijn deze bij de artsen ver te zoeken: zij gaan uiterst ‘klinisch’ en ‘zakelijk’ te werk, en zijn in hun communicatie al even klinisch en zakelijk. Een krachtig en ontroerend en schrijnend gedicht. 

Na deze ‘stille miskraam’ zoekt de ik rust en herstel van haar trauma, in Izamal (een oude Maya-stad in Zuid-Mexico). 

Van dit gedicht,

Openluchtkapel, bloedrood (Izamal, januari 2010)

, citeer ik de tweede en derde strofe:

 

(...)

Op het beschimmelde altaar
van geroofde Mayastenen,
staan twee kaarsen die ik aanstak
in de hoop dat de onwezenlijke
bede die ik uitsprak, tegen de
achterkant van mijn tanden en het vlees
van mijn mond, zin
zou geven,

zou leiden tot een levende,
maar vooral een einde aan
de zucht in al mijn lichaamsdelen
naar iets dat mollig is en zoet ruikt, of
me te leiden naar een vrij en ledig verder leven
met de man die zo stil kan lezen,
zo blauw kan kijken
en twee keer naar de dood.

Uiteindelijk raakt de ik opnieuw zwanger.

De langverwachte 

1. 

Een samensmelting
en verwoede deling
heeft zich aangekondigd
via dierlijk reukvermogen
en humaan choriongonadotrofine
 

nu geloven dat er iets is
dat komt om te blijven
straks een kamer behoeft
veel aanraking en eten
om noodzakelijkheid te geven
zoals die er niet eerder was
met geluid dat zenuwen zal verrafelen, nachten
doorwaakt, beloond met grijpreflexen die jou
zoeken, liefst jou met ogen die van ver
voorbij de sterren komen en zacht zijn
zo zacht.
 

(...) 

3.

Net als ik de dood ontdek
ben jij gekomen
 

zo nieuw, onschatbaar dat
mijn gedachten zijn vergeven
van hoop en vrees en vele
ongerichte smeekbedes
 

dat je maar lang en sterk zult leven. 

Ja, er is ook een zekere herkenning – zij het alleen in die zin dat ik een zwangerschap en (gecompliceerde) bevalling heb meegemaakt, niet de tragiek van het verlies van een kind.

 

Ik weet dat pasgeboren baby’s inderdaad zoet ruiken, het is een pure, heel prettige geur. En ja, ik weet dat zwangere vrouwen een buitengewoon sterk reukvermogen hebben, bovenmenselijk, dierlijk inderdaad.

Maar het is niet de herkenning. Het gaat mij om de intimiteit en de intensiteit van deze gedichten. De lading. De spanning. Het onpeilbare leed. Het onpeilbare geluk. De tederheid. De verwondering. Alles.

Alleen al de bijdragen van Florence Tonk en Erik Solvanger (maar nog minstens een handvol dichters, met naast genoemde piepjonge talenten ook mooi werk van onder anderen Ingmar Heytze, Johanna Geels, Gwy Mandelinck en Peter Swanborn) maken lezing van dit nummer van Het Liegend Konijn tot een schitterende expeditie. Om hen lees je poëzie.

Het Liegend Konijn – onder redactie van Jozef Deleu; 

© Willem Thies

Reacties

Leo Besouw

Een mooie en inspirerende recensie van Wilem Thies over deze bundel. Zowel inhodelijke kritiek als waarderende met weergave van, ook mijns inziens prachtige stukken, zoals de laatse drie delen (vet gedrukt): ze weerspiegelen een zee van onderliggende gevoelens op een prachtige manier...

Sylvie Marie

Beste Willem,

Nu pas zie ik deze recensie. Ik wilde toch even laten weten dat ik ze gelezen heb en het jammer vind dat je mijn gedichten afdoet als een exponent van ongegeneerde liefdeslyriek. Het is immers allesbehalve dat. De gedichten gaan net over een onbereikbare liefde, of toch tenminste een erg onevenwichtige relatie. Dat probeerde ik in elk gedicht duidelijk te maken. In die zin heeft ook het slot en die 'mopperend' zeker een betekenis. Maar goed, het kwaad is al geschied, dat de dichter zijn gedichten moet uitleggen aan de recensent, kan betekenen dat de recensent zijn werk niet goed gedaan heeft, maar ik sla in elk geval ook mea culpa indien ik ditmaal echt de bal verkeerd heb geslagen.

Beste groeten,
Sylvie

Chrétien Breukers

Het spreekwoord "Als je geknipt en geschoren wordt, moet je stil blijven zitten" dringt zich aan ons op.

Laat een reactie achter

Als u reeds een TypePad of TypeKey account heeft, gelieve u dan aan te melden.

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

In de schijnwerpers

Nultijd
Klik hier voor alle artikelen over Nultijd van Juli Zeh

Hiervoor stonden in de schijnwerpers:
Het eeuwige volk kent geen angst van Shani Boianjiu
Treindromen van Denis Johnson

mei 2013

ma di wo do vr za zo
    1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31    

Colofon

Redactie: Chrétien Breukers, Bouke Vlierhuis, Liliane Waanders. Medewerkers: A.H.J. Dautzenberg, Kees Klok, Joris Miedema, Luc de Rooy, Jürgen Smit, Willem Thies, Annick Vandorpe, en Abe de Vries. Reacties onder eigen naam of dichters- pseudoniem zijn zeer welkom. Anonieme of niet ter zake doende reacties worden verwijderd.

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën