Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Van boeken en mensen (14) | Hoofdmenu | Teun Castelein brouwt Halbe »

01 juni 2012

Het eerste gedicht (51): Willem Thies

Ontwaken

Adem, water, longen, lucht. Een bonzend hart. Haarvaten, aders,
bloedsomloop. Geen futiele gedachte aan de dood haalt hem uit zijn slaap,

alleen plotse honger, kramp in de darmen, een oprisping in de maag,
schrikwekkend wijd zwiepende armen, niet langer begrensd 

door de baarmoederwand – de stem van het leven, die iets vanzelfsprekends
en eenvoudigs vraagt. Niet die samenzweerderige smiespeltoon van de dood,

dat secreet, dat zelf eigenlijk niets te zeggen heeft maar er een vals behagen
in schept de gesprekken van anderen te onderbreken.

================

‘Et in arcadia ego’, weten we sinds Nicolas Poussin, en natuurlijk al veel langer. Ook de dood is aanwezig in een paradijselijke omgeving. Ach, dat we sterven zullen en moeten: zonder die zekerheid was alle kunst een overbodigheid. Tegen de klippen van de ondergang op maken wij dingen die onze vergankelijkheid ontkennen, zoals een roos die wordt gesnoeid probeert te bloeien dat het een aard heeft. Kunst maakt kunst, in een keten die generaties die elkaar nooit hebben kunnen ontmoeten met elkaar verbindt.

Twee vogels een kogelDe dood komt in dit eerste gedicht uit de bundel Twee vogels één kogel van Willem Thies twee keer voor, als omschreven afwezigheid van doodsgedachten (regel 2 en regel 6-8). Daarmee vult de afwezigheid van doodsgedachten de helft van dit gedicht, rijkelijk veel.

Wie denkt er hier niet aan de dood? De eerste strofe biedt nog geen aanknopingspunten, maar in strofe 2 begint het besef langzaam te dagen. We hebben hier te maken met een baby die, wanneer we de titel van het gedicht letterlijk nemen, aan het ontwaken is. Die darmkramp, die schrikachtige beweging met de armen: iedereen die wel eens een baby heeft gezien, weet waar het over gaat.

De dichter zegt dat deze baby uit de slaap wordt gehaald door “de stem van het leven, die iets vanzelfsprekends / en eenvoudigs vraagt.” Als lezer ben je geneigd te denken: iets te eten, om de kramp in de darmen en de schrik in het lijf te verzachten; om het bestaan, “niet langer begrensd // door de baarmoederwand”, gelest en verzadigd tegemoet te kunnen treden.

Een pasgeboren kind is een en al leven. Lees de beginzin van dit gedicht: “Adem, water, longen, lucht. Een bonzend hart. Haarvaten, aders, / bloedsomloop.” Het systeem begint ook in het gedicht bijna als vanzelf te pompen, en hoewel de mens volgens Leo Vroman een “zachte machine” is en de dichter ons in de laatste strofe van zijn klassieke gedicht ‘Mens’ oproept: “Loop zachtjes om hem heen en / ga elders om hem wenen, / maar laat hem staan.” is de gedachte aan het einde van dit systeem, zeker in Thies’ gedicht, van bij het begin onvermijdbaar.

Zoals in de negatieve theologie wordt gesproken over wat God niet is, zo spreekt dit gedicht, bijna manisch, over wat dit ontwaken niet begeleidt: de gedachte aan de dood, een gedachte die de dichter blijkbaar kent en op een tamelijk grote afstand wil houden. Het vermoeden dat het hier om het kind van de dichter zelf gaat, dringt zich op. Iedereen wil zijn eigen kinderen zo lang mogelijk levend houden; bij voorkeur: voor eeuwig.

Door de wens om te eten en te leven heen klinkt die “(...) samenzweerderige smiespeltoon van de dood, // dat secreet, dat zelf eigenlijk niets te zeggen heeft maar er een vals behagen / in schept de gesprekken van anderen te onderbreken.” Dat is een wending die Poussin, zeer waarschijnlijk religieus, waarschijnlijk niet aan zijn ‘Et in arcadia ego’ had durven geven. De dood was ooit een overgang, een ontwaken bijna in een nieuw, eeuwig leven.

Het is hier, in deze slotregels, dat Thies al deze culturele betekenissen die een rol spelen in dit gedicht (voor zover ik het kan overzien) samen laat komen. De cultuur is een gesprek tussen mensen, maar ook tussen generaties. Het leven wordt begrensd door de dood, maar kan worden doorgegeven aan een kind dat nog geen weet heeft van de dood, die elk gesprek eenzijdig zal afbreken.

Een cultuur werkt naar vóren, maar kan ook terugkijken (en, zoals tegenwoordig, in melancholie verzinken). Generaties volgen op elkaar, maar de generaties die nu nog in leven zijn kunnen ook terugdenken aan mensen die al dood zijn. Altijd wordt er wel iemand ergens wakker, iemand die dat nog niet weet en snel zal leren. Ondertussen eten, drinken en leven we dat het een aard heeft. In ons eigen arcadia. Tegen de klippen van de hel op.

Reacties

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...