Twitter

Facebook

Elders

« Ik ben Maan (2) | Hoofdmenu | Deleu, Etty, Mettes, Note, Vullings »

08 mei 2012

Het is fijn om van pluche te zijn, Philip Hoorne

door Koenraad Goudeseune

HoorneplucheWie, zoals ik,  geen inwonende kinderen heeft, struikelt in zijn eigen woonst niet over teddyberen, koopt er geen, verlangt er geen en glimlacht wat schaapachtig als, bijvoorbeeld door bezoek, over een kind en diens favoriete knuffel (waarzonder het niet wil gaan slapen) serieus wordt gesproken.

De herinneringen aan de eigen kindertijd en de eigen pluchen knuffels behoren tot het domein van de infantiele folklore, zo ze al op werkelijkheid stoelen. Hem valt wel op dat bij tragische gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld de busramp in Zwitserland, de dood van prinses Diana, of de moordtocht van Kim de Gelder in Dendermonde, het de pluchen beertjes zijn, naast bloemen en persoonlijke briefjes, die de uitingen van verslagenheid, verdriet en medeleven begeleiden.

Pluche, zo je wil, refereert aan het begin van het leven (attenties bij de geboorte) alsook aan het einde, aan de tragiek ervan. Leven en sterven dus. Bovendien: tegen een pluchen beer kan eigenlijk niemand, groot noch klein, iets hebben. Is het daarom zo fijn van pluche te zijn? En is van pluche zijn wel fijn?

Pluche & plastic

Ik wil u niet choqueren met mijn vulling.
U mag mij poken. Schiet maar door me heen.
Maak mij één en al gat.

Haal mij aan als prikkeldraad.
Leg mij weg als prikkeldraad.
Wikkel mij in prikkeldraad als prikkeldraad.

Versnel de sleet van deze niet stukgespeelde beer met
in zijn pluizige poten de eeuwig knalrode plastic rozen
die je nooit aanneemt, invaast, opruikt of begiet.

Mijn winkelschoonheid keert niet weer.
In pluche aderen stroomt geen bloed.
Hoe dat zit bij jou vanbinnen, dat weet ik niet.

De eerste regel van dit gedicht toont mooi wat bij een mens van vlees en bloed -bij ons allemaal dus, want er zijn geen andere- qua vulling weldegelijk choquerend of onsmakelijk wordt bevonden, wat enkel met het vernislaagje van de huid aan het oog wordt onttrokken: darmen, ingewanden, vliezen, slijm, vet, onwelriekendheid. En waarin, als het eventjes kan, niét mag worden gepookt, niet doorheen mag worden geschoten. Wat al genoeg in verlegenheid is gebracht door de aanwezigheid van één poepgaatje. 'Maak mij één en al gat,' schrijft Hoorne. Bezwering door middel van maximalisatie.

Wat moet er zo nodig bezworen worden? En waarom kan het niet zonder al die bezweringen? Hoorne schrijft: 'Ook al zakken om de dertig takken/ alle broeken van mijn lijf, ik zal verlegen zijn.' Het klinkt haast als een manifest.

Ook in het gedicht 'Dikke buik, korte armpjes' beluisteren we Hoornes consideratie met het eigen, goed van oren en poten voorziene lichaam: '(...) Jij weet niets van mijn honger./ Je kunt niet eens met je armen rond mijn middel.'

In 'Boerin 007', dat een vrouwelijke James Bond ten tonele voert, luidt het: 'Deze tijd, dit gewricht, met niet alleen de poten / maar een hele kraai in je gezicht (...)'

Ik ken Philip Hoorne een beetje. We mochten al eens samen gedichten lezen in boekhandel De Zondvloed te Roeselare. En ook in Nederland waren we al eens samen te gast. Tot voor kort las ik wekelijks, of tweewekelijks, zijn recensies in de papieren Knack en ik was ook geabonneerd op Poëzierapport dat om onbegrijpelijke redenen niet langer door het letterenfonds wordt ondersteund, of dat nooit werd gedaan, daar wil ik van af zijn, alhoewel het met voortreffelijke besprekingen de vinger op de pols van de Nederlandstalige poëzie hield en niet gehoorzaamde aan wat je een beleefdheidsagenda zou kunnen noemen waarin heilige huisjes bij elke nieuwe publicatie nog wat heiliger worden.

Qua poëzie weet ik zo'n beetje wat hem boeit en wat hem minder boeit of zelfs tegenstaat. Zie ook de bloemlezing die hij samen met Chrétien Breukers maakte en waarover ik al eerder berichtte. Hij is een boom van een vent, de Gerard Depardieu van de Vlaamse poëzie, maar in gezelschap heeft hij de neiging zich nog kleiner te maken dan David Troch.

Hij is, ondanks zijn impossante verschijning, op het verlegene af. Dankzij zijn nieuwe bundel weet ik een beetje hoe dat komt. Er is veel tristesse in de dichter Hoorne. Dat machtige lichaam voelt zich meestentijds niet dito.

De parel van lichtheid en humor die hem al van sedert zijn debuut siert en die soms gevaarlijk dicht tegen het studentikoze schuurt, is er dus doordat zijn organisme, zijn weke binnenste, door een zandkorrel werd en wordt vergiftigd, is dus een soort verdediging, als bij een oester, tegen het gif van de hem omringende wereld waarin het krijgen van een eigen plek een blijvende strijd vormt en maar heel erg zelden lukt. En het verklaart ook de nu en dan opklinkende agressie: 'Dat ik u hard in het gezicht zal slaan / en zeggen: waarlijk, dit deed me goed.'

Cut

Zoals in het liedje is de eerste snee de diepste.
De diepste de eerste kan een ongelukje zijn
of zomaar een jaap die zich niet vervolgt.

Wij loven en prijzen het mooie rode bloed
van de jongensknie. Het breekt uit, vloeit, korst,
bladdert af en wacht op de volgende schaaf.

Wie in zichzelf snijdt kan ik niet voor vol aanzien.
Alsof er niet genoeg anderen beter en snediger
weten waar de aders liggen en hoe dat moet.

Zoals in het liedje is de eerste snee de diepste. De diepste de eerste kan een ongelukje zijn of zomaar een jaap die zich niet vervolgt. Wij loven en prijzen het mooie rode bloed van de jongensknie. Het breekt uit, vloeit, korst, bladdert af en wacht op de volgende schaaf. Wie in zichzelf snijdt kan ik niet voor vol aanzien. Alsof er niet genoeg anderen beter en snediger weten waar de aders liggen en hoe dat moet.

Ik heb geen kinderen en bijgevolg is de problematiek van bijvoorbeeld een opgroeiend dochtertje mij vreemd. Maar dankzij onderstaand gedicht kan ik er mij wel iets bij voorstellen. Meer zelfs: zoals Hoorne het verwoordt, komt het me als een omissie in mijn eigen leven voor.

Het loze zwemmertje

Daar zat laatst een meisje loos te lezen in een boek.
Ze kreeg honger en nog voor de tweede rommel
veranderde het boek in een koek.

Toen wilde ze zichzelf straffen of twee metalen
kokers haaks aan elkander lassen en floeperdefloep
de koek werd een hoek.

Uiteindelijk vond ze zichzelf monokinetisch pootje
bungelend op de rand van een subtropisch golfslagbad.

Dat was een ramp want overal waren mensen met ogen
en die ogen konden zien (kijken zelfs) en zij had al joekels
in wording en niets anders dan warm water en schaamte
om haar onherbergzame lozemeisjeslijf.

Ze liet zich zakken naar de bodem van het bad om zich
te verschuilen in een tukje en bij het ontwaken vond ze wat
ze nooit verwacht had daar te vinden: een bovenstukje.

Dat wonderwel matchte met haar broekje bovendien.

Dit gedicht toont Hoorne naar mijn gevoel op zijn best: het tilt geen levensproblematiek die niet te tillen valt, maar buigt zich met mededogen en inleving en humor over de sores van een meisje, zijn dochtertje misschien, dat met haar opgroeiende lichaam, met haar borsten nog geen blijf weet. Maar wel al van de vijandige wereld en haar penetrerende geilheid.

© Koenraad Goudeseune

Reacties

Laat een reactie achter

Als u reeds een TypePad of TypeKey account heeft, gelieve u dan aan te melden.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

december 2014

ma di wo do vr za zo
1 2 3 4 5 6 7
8 9 10 11 12 13 14
15 16 17 18 19 20 21
22 23 24 25 26 27 28
29 30 31        

Colofon

Redactie: Chrétien Breukers. Reacties onder eigen naam of dichters- pseudoniem zijn zeer welkom. Anonieme of niet ter zake doende reacties worden verwijderd.

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...