Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Ilja Leonard Pfeijffer: Leesbevordering | Hoofdmenu | Uitslag 18e editie FB-vertaalwedstrijd »

18 maart 2012

Pedro Mairal, over oude en nieuwe generaties

Luc de Rooy, in een nieuwe, prachtige bijdrage over de hedendaagse Latijns-Amerikaanse letteren.

In een vorig artikel had ik het in een voetnoot over de jongste generatie Latijns-Amerikaanse schrijvers: schrijvers die niet meer de Zuid-Amerikaanse dictaturen, drugs of geweld als onderwerp van hun boeken nemen, schrijvers die geboren zijn tijdens een van de dictaturen, maar er zelf geen rol meer in gespeeld hebben, een generatie schrijvers die altijd de verhalen over die periode heeft moeten horen (en lezen!), maar eigenlijk iets heel anders wil aankaarten in hun verhalen. Schrijvers die de magisch-realistische literatuur en de Latijns-Amerikaanse boom achter zich willen laten, maar ook niet als de post-boom hyperrealistische geweldsromans willen presenteren. En met bovenstaande omschrijvingen heb ik het bijvoorbeeld over schrijvers als Álvaro Enrigue, Samanta Schweblin, Alejandro Zambra, Andrés Neuman, Valeria Luiselli en Pedro Mairal.

Pedro Mairal por Clara Muschietti 3Van deze laatste schrijver, Pedro Mairal (Buenos Aires, 1970), is onlangs een eerste titel in het Nederlands verschenen. Het verdwenen jaar van Salvatierra, vertaald door Corrie Rasink, en uitgegeven bij Athenaeum‒Polak & Van Gennep. Het is een bijna achteloos verteld verhaal over een man die op zoek gaat naar het verleden van zijn vader, de schilder Juan Salvatierra, die zijn leven met één enkel schilderij heeft opgetekend; een langwerpig schilderij, van bijna vier kilometer aan elkaar genaaid doek, dat alle gebeurtenissen in Salvatierra’s leven toont in fantastische beelden: ‘Het schilderij dat ons allen omarmde, die ruimte waar schepsels vrij en onbeperkt konden bewegen omdat er nergens een grens was, omdat er nergens een eind aan kwam.’ Tijdens het inventariseren van het doek, om het aan een Nederlands museum te kunnen verkopen, ontdekt de verteller dat er één jaar uit het schilderij ontbreekt. Uiteraard gaat hij vervolgens hiernaar op zoek, en ontdekt enkele verborgen gebeurtenissen.

Hoewel het verhaal erg mooi verteld is, is deze plot niet zo overweldigend. Een minder begaafd schrijver had deze opzet ook kunnen bedenken. Gelukkig is Mairal niet in het idee blijven hangen, maar heeft er meer mee gedaan: het boek draait om veel meer dan deze plot. Een van de interessantste elementen die Pedro Mairal in Het verdwenen jaar van Salvatierra aan de orde brengt, is het voorbijgaan van generaties, alsof hij wil zeggen: als een vorige generatie is geweest, mag een nieuwe, jongere verteller het verhaal vertellen. Op een nieuwe manier (waar de vader van de verteller schilderde, schrijft de verteller het verhaal op, in de vorm van het boek dat de lezer in handen heeft), en met een nieuwe stijl.

Laten we Juan Salvatierra, de schilder, eens van dichtbij bekijken. Hij verzamelt spullen – dingen ‘die door de rivier waren aangespoeld of die hij zomaar ergens had gevonden: droge bladeren, insecten, stukken blik, botten, wortels, half vergane stukken hout, afgeronde stenen die in indianenslingers werden gebruikt, stukjes gekleurd glas, van alles en nog wat’. En wie herkennen we daar? Neruda natuurlijk, de dichter-verzamelaar uit Chili. Verder schilderde Salvatierra nogal wat vissen waar we de gouden visjes van José Arcadio Buendía in zouden kunnen herkennen. En zag ik niet ook vlinders en libellen voorbijkomen, die zo uit Honderd jaar eenzaamheid zouden kunnen zijn gevlogen? Maar als de visjes, de vlinders en die verzameldrift niet overtuigend genoeg zijn, dan kunnen we in het werk van Salvatierra wel degelijk het magisch-realisme terugvinden, dat twee generaties geleden vrij spel had in de Zuid-Amerikaanse letteren, en waar schrijvers als Rulfo, García Márquez, Asturias, en Guimarães Rosa groot mee werden.

Maar met de dood van de schilder gaat die periode voorbij, en Mairal lijkt met een simpele (achteloze, schreef ik al) verteller te willen zeggen dat de tijd van barok magisch-realisme achter ons ligt, en dat we terugkeren, van de grootse familie-epossen, naar de kleine geschiedenissen van simpele lui die met hun eigen kleine sores te kampen hebben. Overigens vindt Salvatierra dat ook, net voor hij overlijdt: ‘Toen Luis, mijn broer, hem de dag voor zijn overlijden [...] vroeg: ‘Papa, wat zullen we met het doek doen?’ glimlachte hij en maakte met zijn arm dat achteloze gebaar waarmee je iets over je schouder gooit, het verleden in, alsof hij wilde zeggen: “Dat maakt niet uit, ik heb ervan genoten.”’ Dus ook de vader zegt: dat was eens, maar nu, bij mijn dood, mag een nieuwe generatie het roer overnemen en nieuwe kunst maken.

Er zit nog een mooi gegeven in het boek. De verteller noemt zijn vader zo ongeveer negen op de tien keer ‘Salvatierra’, en maar slechts enkele malen ‘mijn vader’. Is het respect? Een generatiekloof? Wellicht. Maar laten we het van een andere kant bekijken: Mairal geeft het boek ook de titel ‘Salvatierra’ mee. (Wat dat betreft jammer dat de Nederlandse vertaling langer is geworden.) Als we het respect uit die generatiekloof daarvanaf pellen, zou het boek net zo goed ‘Mijn vader’ kunnen heten, en blijkt het boek een ode aan vaders, aan ouders, en aan de generatie die vooraf ging aan die van de verteller, en aan die van Pedro Mairal.

Met dit in gedachten benaderden we de auteur, en vroegen hem of we een van zijn columns, waarin hetzelfde thema aangesneden wordt, naar het Nederlands mochten vertalen. Die column volgt hieronder:

--------

Doordeweekse dag

Door: Pedro Mairal

De afstand tussen generaties is onoverkomelijk. Je denkt face-to-face met je zoon te praten, maar er zit dertig jaar tussen, je bevindt je op drie decennia afstand van hem, al kijk je hem in zijn ogen. De jaren zijn als kilometers. Jullie lach kan tegelijkertijd plaatsvinden, maar hij lacht in zijn kindertijd, en jij als volwassene. Als je probeert te denken aan je eigen kindertijd en je voelt hoe ver alles van je verwijderd ligt, het vervagen van de foto’s, de gewiste herinneringen, de echo uit de verte van het decennium waarin je geboren werd, de vreemde kleding die toen gedragen werd, de kapsels, de reclames van die tijd, de politiek, de strips die je las wanneer je spijbelde, de televisieprogramma’s van toen, in een ver verleden... Dat is de afstand die er nu tussen jouw kind en jou in staat, de afstand die hij moet overbruggen wanneer hij naar jou kijkt. Hij beleeft nu zijn kindertijd. Alles wat er nu gebeurt – de familie Kirchner aan de macht, YouTube, torrentsites, de Europese crisis, Messi –, is geen actualiteit, het is zijn kindertijd, en de kindertijd van velen, en dus hun verleden. Dit alles is dertig jaar geleden gebeurd, toen er nog twee Beatles in leven waren, die af en toe naar Argentinië kwamen om op te treden. Je zoon reikt al tot je schouder en sluit internetvensters wanneer je dichterbij komt, hij zegt: ‘Wat is er, pa?’ alsof hij verwacht dat je weer vertrekt, hij heeft zijn eigen sleutels, zijn eigen tijd, hij vindt het al niet meer prettig om hand-in-hand met je over straat te lopen. Spoedig zal hij naar de middelbare school gaan, en dan zal hij binnentreden in de mist van het lang uitslapen, het overtuigde luieren, de privé-afzondering van zijn eigen kamer, waarin hij zich zal onderdompelen, beschermd door zijn muziek en zijn deur.

Ik herinner me, dat toen ik nog maar net naar de universiteit ging, mijn vader nog altijd placht mijn kamer binnen te komen, om me te gedag te zeggen, voor hij naar zijn werk ging. Hij kwam binnen als een aardbeving. ‘Petrus,’ noemde hij me, hij kwam dichterbij, pakte me bij een voet vast, en vertrok weer terwijl hij zei: ‘Doordeweekse dag! Doordeweekse dag!’ Hij koos een voet uit omdat het hem altijd moeite kostte fysieke genegenheid te tonen; me een aai over mijn bol geven zou al te veel voor hem zijn geweest, en alles naar beneden toe was een prooi voor zijn lichaamsfobie, te zeer geladen met erotische spanning, en daarbij, in de duisternis is niet goed te zien in welke houding de slaper ligt, waar hij zijn arm houdt, waar zijn schouder, het enige wat altijd onder de dekens uitstak was zonder twijfel mijn voet, en in zijn ochtenddilemma bevond mijn voet zich tevens het dichtst bij de deur. Hij vloog dus de kamer binnen, zei ‘Petrus’, greep mijn voet vast en rende weer weg terwijl hij ‘Doordeweekse dag’ riep, want ik ging ’s middags pas naar de faculteit, en ik neem aan dat hij niet graag wilde weten dat ik de hele morgen in bed zou blijven liggen. Op een dag was ik het moe dat hij me steeds wakker maakte, en deed ik de deur op het slot. ’s Ochtends vroeg hoorde ik hem dichterbij komen, met die grote passen die ik van hem meegekregen heb en die de grond doen trillen. Hij greep de klink vast, maar die gaf niet mee; hij probeerde nogmaals. Hij pauzeerde. Ik ging zitten op het bed. Daarna hoorde ik dat zijn passen zich verwijderden. Die pauze maakte dat ik spijt ervan had dat ik hem had buitengesloten. Vanaf die dag, en tot aan het moment dat ik alleen ging wonen, al heeft niemand ooit het onderwerp aangeroerd, heb ik nooit meer de deur op het slot gedaan. Maar hij is ook nooit meer ’s ochtends de kamer binnen gekomen om me gedag te zeggen.

Perfil, 26 november 2011

--------

Omslag Pedro MairalPedro Mairal (1970) is geboren in Buenos Aires, waar hij Engels doceert aan de universiteit. Zijn debuut, Una noche con Sabrina Love, werd verfilmd. In 2007 werd hij opgenomen in Bogotá39, een lijst van de 39 beste Latijns-Amerikaanse auteurs onder 39. Zijn laatste roman, Salvatierra, werd onlangs naar het Nederlands vertaald als Het verdwenen jaar van Salvatierra. Vertaalster van dat boek was Corrie Rasink, en de uitgave verscheen bij Athenaeum‒Polak & Van Gennep. Mairal onderhoudt samen met twee andere schrijvers een weblog: El señor de abajo.

 

Inleiding en vertaling column: © Luc de Rooy

Portret Mairal: © Clara Muschietti

Reacties

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...