Door Koenraad Goudeseune
Ik geloof dat ik de eerste ben in de Nederlandse poëziekritiek die Jozef Ratzinger, paus Benedictus XVI dus, met instemming citeert. In Jezus van Nazareth, deel I' noteert hij over theologische exegese: '(...) is het echter ook belangrijk te beseffen dat ieder wat zwaarwegender woord van mensen al meer in zich bergt dan de auteur ervan zich op dat precieze moment bewust is. De innerlijke meerwaarde van het woord, dat uitstijgt boven het moment zelf, geldt zoveel te meer voor de woorden die gerijpt zijn in het proces van de geloofsgeschiedenis. Daar spreekt de auteur niet simpelweg vanuit en voor zichzelf. Hij spreekt vanuit een gemeenschappelijke geschiedenis, die hem draagt en die tegelijkertijd haar eigen toekomstmogelijkheden, haar verdere weg al stilletjes in zich bergt. Het proces van verder lezen en ontplooiing van woorden, zou niet mogelijk geweest zijn als niet in de woorden zelf zulke innerlijke openingen al aanwezig waren. (curs. van mij, KG)'
Innerlijke openingen. Het woord 'Legioen' is zo'n opening. Menno Wigman vat zijn nieuwe bundel aan met het bijbelvers uit het evangelie van Marcus, hoofdstuk 5 vers 9, en pal daaronder iets van de rockster Johnny Rotten met veel fuck, fuck this and fuck that / Fuck it all and fuck the fucking brat. Het bijbelvers gaat zo: 'Daarom vroeg Hij hem: 'Wat is uw naam?' 'Mijn naam is Legioen, want wij zijn met velen.'
Ik weet niet hoe dat bij u zit, maar op mij heeft een bijbelcitaat altijd een verpletterende indruk. Hoe bedenkelijk van strekking ook? Ja. Op welk boek werd er door de eeuwen heen zo vaak gezworen de waarheid en niets dan de waarheid te spreken? Is het niet alsof al die dure eden zich bij de schrift zelf hebben gevoegd en ook al werd en wordt er net zo vaak of zelfs meer krom gesproken en onwaarheid beleden, de act van het zweren, het zich beroepen op, verleent dat boek, die bibliotheek van boeken, een extra ernst, een extra lading geschiedenis. En of die geschiedenis nou verwerpelijk of tot eer strekkend is, doet er eigenlijk niet toe.
De mooiste foto van Gerard Reve, ik bedoel de foto waarop hij voor mij het volledigst Gerard Reve is, is die waarop hij aan een mica treintafeltje in de bijbel zit te lezen, het leeslint tegelijk parmantig en devoot tegen het goud op snee der bladzijden vlijend. Papieren vlaggetje , geel, met een toelopende punt dat uit het pochet van zijn vest steekt en waarmee hij de vorige paus, die Pool, in Ieper gaat begroeten, juli 1986. Ik ben eens voor de grap op zoek gegaan naar een bijbelvers dat helemaal geen gewichtigheid bezit en eerder als cement tussen twee andere bijbelverzen moet worden opgevat. Niet gevonden! Je meent het? Ja, dat zegt inderdaad iets over de teksteconomie waarmee al die epiek zich presenteert.
Doet Marcel Proust er een tiental bladzijden over om zijn tante 's morgens in haar kamer gedag te zeggen, Jozef heeft in 'Genenis' welgeteld aan één zin genoeg om de komst van zijn vader aan de Farao te melden. Helemaal het einde vind ik het om daarbij de oudste Nederlandse bijbelvertalingen te gebruiken, de Statenvertaling uit 1637 bijvoorbeeld, waarvan dat vers uit het Euangelium Marci aldus luidt: 'Ende hy vraeghde hem, Welck is uwen naem? ende hy antwoordde, seggende, Mijnen naem is Legio, want wy zijn vele.'
En voor je het weet ben je vertrokken natuurlijk, want dan ga je ook de kanttekeningen lezen, lekker ouderwets met een loupe bezig, en die kanttekeningen verwijzen dan weer dieper dat dikke boek in, verder terug in dat oerdegelijke oude Nederlands dat zich steeds meer met betekenis gaat wapenen. Altijd het gevoel daarbij dat ik in een museum loop en de toestemming heb om de miniaturen, schetsen, schilderijen, beelden, gebruiksvoorwerpen, alles wat daar hangt, staat of ligt te bevoelen en te besnuffelen en het desnoods naar mijn kamer mee te nemen, er mij haast fysiek één mee te maken, heel vreemd. Dat ik de glazen kasten waarin al dat exquis erfgoed ligt tentoongesteld mag openen en er op mijn gemak in mag bladeren, zo'n gevoel. En zo leer je ook eens wat.
Legio, dat eerdere woord voor Legioen, was een regiment krijchsknechten, waer van siet Matth 8:28. En ook daar een kanttekening, loupewerk: Legio was gemeynlic een hoop van vijf duysendt voetknechten ende vijf hondert ruyters, somtijdts meer, somtijdts min, daerom wordt dit woort Legio, somtijts genomen voor een heyrkracht, ofte voor seer vele.'
Je kunt deze liefhebberij natuurlijk tot in het krankzinnige uitwerken, maar als een en ander binnen zekere maten en esthetische perken blijft, houd ik er erg veel van, alleen al het taalplezier! Schiet nou maar wat op, tante.
Met 'Legioen' wordt dus een hoop uit te drijven duivels bedoeld, het bijbelfragment is in de Statenvertaling erg beeldend. 'En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen. En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt. (Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens.) En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio, want we zijn velen. En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond. En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen weidende. En al de duivelen baden Hem, zeggende: 'Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen. En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen: en de kudde stortte van de steilte af in de zee.'
Menno Wigman bezong al eerder de onlustgevoelens van het moderne stadsleven en ook in dat vroegere werk was de bijbel in methaforische zin nooit ver weg. In het gedicht 'Slechte gedachten' (uit 'Zwart als kaviaar') schrijft hij: 'Zelfs in het licht van het begin / was het een bijbelzwarte nacht.' En dit prachtige: 'De taaie spieren van een woord / dat eeuwen eerder is gezegd.'
Opvallend bij dit gedicht is ook hoe volstrekt unisono qua thematiek het met een ander gedicht is, van een generatiegenoot, Charles Ducal en diens 'Begin', waarin de 'ik' zich zijn eigen conceptie voorstelt, het geslachtelijks dienaangaande, de vrijpartij van zijn ouders dus. En die voorstelling is nooit vrij van wat ik hier maar gemakkelijkheidshalve porno-alarm zal noemen: 'Hoe werd ik begonnen die nacht?'/ In welke schuwe, onzegbare woorden. () Lagen zij in hun schaamte te zweten, enkel ontbloot van geslacht / tot geslacht? Kwam ik uit liefde?/ Of door een godsdienst bedacht?' En Menno Wigman vraagt zich af: 'Ben ik een vochtig misverstand? / Werd ik beraamd? Ik ben de uitkomst / van een enthousiaste winternacht, / de nasleep van een natte grap / die mij alsnog ontgaat.'
Er zijn wel meerdere raakvlakken tussen Menno Wigman en de Vlaamse dichter Charles Ducal en een preocupatie met porno is daar slechts één van. Dit geeft aan dit uurtje cathegese meteen een aardige wending, u zegt het, maar wat me daarbij ook opvalt, is dat een preocupatie met porno eigenlijk ieder mens geldt, hetzij het hem vervult met walg en schuldgevoel, hetzij hij het gewoon lekker vindt en het hem allemaal geen ruk kan schelen, hetzij zijn onverschilligheid van recente datum is of ook alweer vergeten. Waarom zou dat bij dichters anders zijn? Kan poëzie dan fatsoenlijk over porno spreken? Wie weet?
Had Marcel Proust het ding gekend, en had hij het met eenzelfde fenomenologisch luisterende beschrijfdrift benadert, wie weet leverde het erg smakelijke bladzijden op? Ja, natuurlijk is dat onzin. Maar het heeft misschien niet eens zoveel gescheeld? Film was in Prousts tijd nog maar een flauw plantscheutje en omdat hij er zo gebiologeerd door was en er een soort wetenschappelijke zorg aan wou besteden, zou hij zich vast ook over pornografie hebben gebogen, alleen al misschien omwille van de penetrerende kracht die het op jonge mensen heeft en in welke vorm het ook een engelachtig wezen bereikt en het louter visuele ervan.
Ik bedoel maar dat ons spreken in die zeeën van gewoonheid en lelijkheid ook eilanden kent waarop het er anders aan toe gaat, waarop dat spreken als het ware ruimte biedt aan rechtschapener inzichten, als met een andere stem en vanuit een andersoortig gezag gesproken. En ondermeer dat heeft poëzie dus met religie gemeen, naar mijn aanvoelen. Alsof er aangaande het religieuze beleven en het zuchten om de eigen zieleheil ook een pornokant zit en er bijgevolg wel iets voor te zeggen valt dat alles wat religie aangaat een strikt privé-aangelegenheid hoort te zijn. Soms denk ik dat religie het sexuele genot verzuurt omdat je je nu eenmaal niet kunt overgeven aan het memoreren van smartelijke gebeurtenissen terwijl je geniet, behalve in een masochistisch zwelgen. Een regel die dat naar mijn smaak perfect illustreert en waarbij ik hardop in de lach schoot: 'Vanochtend bij de tandarts aan je kont gedacht.'
Het mechaniek van Wigmans humor zit hem misschien in het virtuoos wisselen en het aan de orde stellen van erg ongelijksoortige decors en de frictie van wat normaliter geen mengmogelijkheden bezit. Waar we porno vooral invullen als lustbeleving, biedt Wigman een setting waar een tandarts een al net zo ingrijpende vleselijkheid heeft te dragen. En dat schuurt op onze lachspieren. Ik herinner me een lezing van Menno Wigman waarop hij zich vrolijk maakte over de golf van herkenning die altijd door de zaal trekt bij deze regel: ''s nachts onder je pc je zaad opvegen.' (Uit 'Tuincentrum Osdorp')
Ook in het gedicht 'Rust Niet' wordt naar de bijbel verwezen: 'De hemel kijkt niet in de bijbel, geen ster/ spelt de koran. Maar wie goed lezen kan / ziet elke penning voor een zegen aan.' Openingen dus. Ieder gedicht van Wigman ontsluit zo je wil een duivel of meerdere tegelijk, daar ze met velen zijn. En in 2012, op een van de rijkste plekken van de wereld, hoger opgeleid en in relatieve luxe (hotels, aftershave, taxi's, dope, mooie meiden, succesvol) maakt het voor de duivel en zijn trabanten a walk in the park Wigman te bezoeken. Met zoveel godsdienst als achterdoek, is sex natuurlijk het eerste wat kietelt en detoneert. Daarnaast natuurlijk het feit dat een mens met ouder worden er niet jonger op wordt en ook mede daardoor in zijn meest enthousiaste activiteit wordt begrensd.
'Man, eenentwintigste eeuw, kaal, gezet / en met een onvervreemdbaar recht op seks', zo schrijft hij in een gedicht waarin hij zijn mededogen met een hoerenloper bevraagt. 'En is het waar dat ieder na zijn veertigste / voor zijn gezicht verantwoordelijk is?' Al heel wat geleefd dus en 'geen bed werkt over'. Met 'Tot mijn pik' opent Wigman de bundel: 'je slaapt al dagen in mijn broek, zo moe / van wie je ziedend van je zaad ontdoet.' Van een zinnelijke klankrijkdom is ook dit: 'En naakt / als water sliert wat heupwerk door mijn hoofd.' Nog meer bijbel: 'De halve ark van Noach lag hier in de vriezer.'
Ik heb in het begin van mijn stuk vrij lang blijven stilstaan bij dat bijbelfragment waaraan Wigman de titel van zijn bundel ontleent. Daar lezen we niet alleen dat de duivel met veel is, maar ook: 'Want hy was menichmael met boeyen ende ketenen gebonden geweest, ende de ketenen waren van hem in stucken getrocken, ende de boeyen verbryselt, ende niemant was machtich om hem te temmen.' En het vers daarna luidt in de Statelvertaling van 1639 aldus: Als hy nu Iesum van verre sach, liep hy [toe], ende aenbadt hem.' Een biddende duivel dus, hoe vreemd. Of toch net zo vreemd als een engel met een criminele inborst.
Een demoon die niet voor één gat te vangen is, zo kunnen we het ook begrijpen en in deze vergelijkbaar met de complexiteit van het moderne stadsleven, aldus Wigman. Nu zie ik daar allicht niet méér in dan mijn eigen religieuze folklore, maar je hoeft natuurlijk geen ultramontaan te zijn om Ratzinger hier voor een deel te volgen: 'Dat de afzonderlijke boeken van de Heilige Schrift, evenmin als de Schrift als geheel, louter literatuur zijn.' Je kunt namelijk deze zin ook lezen met als onderbelichte rest: literatuur. En hààr noodzakelijke heiligheid wordt door de dichter betracht. Met 'een mond vol Proust en Bloem.' En daarin wordt al aannemelijker dat die duivel er zelf om vraagt bezworen te worden, overgedragen tot de varkens. Het betreft hier zijn eigen wilsbesluit. Ook hier lijkt literatuur er op gebrand te zijn de menselijke soort te schaden en haar in het gezicht uit te lachen.
Kortom: de dichter heeft het allemaal aan zichzelf te danken. Dicke sult, eyge bult. Er moet maar weer eens kunnen worden gelachen in de poëziekritiek. Wigman toont zich hierin een groot dichter dat hij deze thematiek des eigen navels weet uit te vergroten en er het leven vollediger mee vangt, samen met het zijne ook dat van ons, want we kunnen er ons in herkennen. Wat bij een mindere bard vaak tot een soort noodlotstemming noodt zoniet helemaal om te huilen is, omzeilt Wigman, of beter overtroeft hij met regels die qua geestigheid en taalmuziek hoog scoren. Dit bijvoorbeeld: 'De regen, droever dan een roebel, praat hoogmoedig op je in.' Ook hier drie maal en drie maal met een soort vertraagde nadrukkelijkheid: oe oe oe.
Maar in geval van Menno Wigman gaat rijm ergens over, het gaat ergens naartoe, er is geen achteraf waarin nog altijd moet worden gebeden. Was het taak deze of gene demoon te bezweren dan is hij ook bezworen. Om het met een begrip uit de theologie te zeggen: het alsof Wigman er ook in slaagt over de eschatologische termen van ons bestaan te spreken, de leer van de laatste dingen voor een moderne stadsmens en zijn onlusten. En er mag dan wel veel dood in die verzen steken, ze worden onder onze neus ook zo geboren, zo echt bedoel, dat het is alsof je geheugen ze op de één of andere manier wil dopen, ze bestendigen in eigen naam. Wat ook niet erg machtig blijkt te zijn overigens of veel lijkt te betekenen, want met 'inkt van niks die zegt dat we bestaan.' In 'Lelijk zijn we' gaat het zo: 'Ik las / dat in het Paradijs geen spiegels waren.'
Voor Menno Wigman, wat zijn die laatste dingen nu al? Dat zijn moeder dood gaat, bijvoorbeeld. In 'Kamer 421' doet Wigman iets met rijm waarvoor het eigenlijk bedoeld is. Hij schrijft: 'Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,' Ik heb het geluk niet gekend mijn moeder oud te zien worden, te zien af takelen en op gezegende leeftijd te verliezen, maar ik heb wel eens gedacht dat ze als oud vrouwtje ineen zou zijn gekrompen als een kip, verkruimeld tot stukje gebak met een mantel, een haarnetje en een wandelstok. Dit alles lees ik in die regel. Alle moeders gaan kapot. En gedichten zijn misschien 'zwachtels voor de hersenstam'. Nog meer moderne duivels: Vuilstort, hiphop, 'Alleen een dreun die viert dat niets zichzelf uitziekt.' Massavaccinatie, Tuincentrum Osdorp. 'Ik weet het: iedereen zijn eigen hel. / In leven blijven, naar je werkplek tijgen.' In 'Slotsom' luidt het: 'Je sterft alsof een fruitkast geld uitkotst.' 'De waanzin zelf gaat goed gekleed.' 'De zieke adem van immens gespierde stenen.'
Mensen, wat een prachtige bundel is Mijn naam is Legioen! Je wordt vrolijk van Wigman. Hoe als in mineur slechts dit te lezen valt, ik word er toch vrolijk van: 'Soms voel je bijna dat je leeft. Je boekt / een vlucht, betreedt een stad, neemt kamers in / en waant je halfgod bij een kofferklik.' Er worden ook twee eenzame doden bij het graf uitgeleide gedaan, bij één vond men een kat op zijn borst in vergevorderde staat van ontbinding, zo ver zelfs dat het een stuk textiel wordt ter troost. Dit over de top zijn troost vreemd genoeg.
Wat je demonen ook moet nageven is dat ze leep zijn, dat spreekt voor zich. Als we Marcus mogen geloven, kunnen ze ook bidden. Biddende, bezwerende demonen die er zelf om vragen in zwijnen te mogen overgaan. De duivel, allemaal geestelijk, ziet die zielsverhuizing als een uitweg, niet gepijnigd te worden, en dat hij daarbij niet om zijn eigen dieronvriendelijkheid maalt, valt licht te begrijpen. Is dit wat Menno Wigman ook vraagt? Het zou al te makkelijk zijn daarop bevestigend te antwoorden, want ook 'literatuur' is in de wereld van Wigman een demoon en dan komen we tot de eigenaardige vaststelling dat literatuur er pas kan zijn als zij haar eigen zwijgen bevordert. 'Ik had vandaag een nieuwe pen gekocht' schrijft hij in het slotgedicht 'De weg van alle boeken', 'en zeven keer schreef ik mijn naam. / Toen moest ik huilen. God, wat huilde ik.' Is dit Menno Wigman goes Idha Gerhardt? Nee, daar blijft het te geestig voor en ter uitleg kun je er ook nog wat Reve tegenaan gooien misschien, maar ernstbiedend grappig is het zeker. Het is 'Iets met verdwaasde hoogmoed, dunne roem / en een goddelijk trauma dat ik niet noem.'
In 'De kant van Swann' schrijft Marcel Proust over het ontluikende dichterschap dit: 'En 's avonds, mijn hand vasthoudend, wees ze mij, als we voorbij de kleine tuinen van haar vazallen kwamen, op de bloemen langs de lage muren die hun paarse en rode trossen ertegenaan vlijden en leerde me hun namen. Zij hoorde me uit over de thema's van de gedichten die ik van plan was te maken. En door die dagdromen werd mij duidelijk, aangezien ik later een schrijver wilde zijn, dat het tijd was te weten wat ik dacht te gaan schrijven.' In die hoogromantische traditie lijkt het wel alsof Wigman een uitvaartvariant schrijft als hij zegt: 'Vannacht, ik was nog op, stond de literatuur / dronken aan mijn deur. Rot op, riep ik, rot op, / je hebt je kans gehad. Toen droop ze af / en keek ik weer wat grand old Google bracht.'
Van een fenomenologische geestigheid is dit: 'Zebra's zonder huid'. En hij is nergens sentimenteel, niet omdat hij aangaande gevoeligheden voortdurend als een ijspiek in het gelid staat, maar omdat hij er in slaagt die perfecte mix te brengen waardoor onze gemakkelijke tranen alsnog kunnen vloeien. Abortus, vruchtonderbreking, om maar eens een gevoelig thema aan te raken, en de mentale ellende die dat àltijd met zich meebrengt, zag ik glashelder in het gedicht 'Kernrot' en excelerend in deze regel geformuleerd: 'Soms schrijft het op de speelplaats van de maan / een naam die ik herken.'
Hoog tijd dat ik zijn 'Red ons van de dichters' ga lezen.
© Koenraad Goudeseune
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lees zeker 'Red ons van de dichters'! En daarna, in één adem, 'Het gesticht'.
Mooie, zeer persoonlijke bespreking.
En ja, ik denk dat de titel een opening biedt. Wigmans poëzie is inderdaad, denk ik, bezwering (van angsten, dreiging, nakende waanzin en wanhoop), wapening, EXORCISME. Mustafa Stitou had het eens over 'transparante bezweringen', meen ik.
De strakke vorm, maar toch volmaakt transparant, met die ijzeren, nee *stalen* regelmaat - die strakke vorm doet denken aan 'gewapend glas' (uit: 'Tot mijn pik'); alsof Wigman zijn gedichten optrekt uit gewapend glas, om de aanstormende demonen buiten te houden, te weren, te bezweren - dat metrum: alsof hij geen slag mag missen, alsof het bloed dan niet meer wordt rondgepompt in zijn lichaam, alsof er dan een hapering is, een haarscheurtje, een zwakke plek in het stalen pantser, het rooster van het glas. En een haarscheurtje wordt een barst - een barst een verbrijzeling.
Geplaatst door: willem thies | 3-2-12 om 14:38
Nem me niet kwalijk, maar voor een recensie is deze wel erg lang. In 20 regels moet toch duidelijk te maken zijn dat dit een verdomd goede dichtbundel is. Mensen die gedichten lezen houden juist van weinig woorden.
Geplaatst door: Paul van de Wiel | 3-2-12 om 19:10
Maar Paul, hoe beter de bundel, hoe meer woorden hij verdient. Daarbij, hoe beter de bespreking, hoe meer woorden ze mag tellen. Er zijn ook besprekingen van maar twee alinea's, die het lezen evenwel niet waard zijn.
Ik vond haar wat aan de korte kant, eerlijk gezegd. Tot slot: het is GRATIS content, wat wil je nog meer?
Enerzijds heb je gedichten, waarin liefst economisch met woorden wordt omgesprongen; anderzijds is er de bespreking, die soms een hermeneutische cirkel beschrijft rondom de essentie, en daarom best een flink aantal woorden mag tellen. Volg de bespreker in zijn overwegingen, associaties, connotaties, gedachtegang - dat is het mooie van zo'n persoonlijke benadering. Dat mag wat (woorden) kosten.
Geplaatst door: willem thies | 3-2-12 om 19:44
Wederom een top bespreking van meneer Goudeseune! Zeker niet te lang, precies genoeg voor een fors toiletbezoek.
Geplaatst door: Niels van der Tuuk | 3-2-12 om 20:44
Wat Van het Reve zei over auteurs en hun romans, blijkt in extensie ook voor recensenten en hun schrijfsels te gelden: "De opvatting dat de kunst ons de levensraadselen ontsluit leidt ertoe dat veel auteurs ernaar streven hun werk met zoveel mogelijk levensraadselen te omhangen. Een moderne roman is in het algemeen uitgerust met alle dingen die in de mode zijn. Die dingen zijn om te beginnen vaak allemachtig vervelend en kinderachtig."
En Ratzinger is volstrekt van het katholieke pad af, of hij heeft een gereformeerde vertaler aan het werk gelaten.
Geplaatst door: Jurgen Eissink | 4-2-12 om 12:12
Natuurlijk, beste Jurgen Eissink, alle dingen waarover ik schrijf zijn 'allemachtig vervelend en kinderachtig'. Zou dat misschien de reden zijn dat deze week de vierde druk van 'Mijn naam is Legionella' verschijnt?
Geplaatst door: Menno Wigman | 6-2-12 om 1:43
Van Legionella blijf je drukken.
Geplaatst door: Josse Kok | 6-2-12 om 7:47
Geachte Menno Wigman, hoe u mijn reactie anders heeft kunnen lezen is onduidelijk, maar - dus ten overvloede - de reactie betreft louter de recensie: die is toch niet van uw hand? Of bestiert uw dichterlijke taal gans 't literaire land?
Geplaatst door: Jurgen Eissink | 6-2-12 om 10:37
"en pal daaronder iets van de rockster Johnny Rotten met veel fuck, fuck this and fuck that / Fuck it all and fuck the fucking brat."
Dat gefuck is in het lied waaruit dit komt ("Bodies" van het album Never Mind the Bollocks) uiterst functioneel, want het gaat namelijk over een abortus.
Dit even terzijde.
Geplaatst door: Joost van Baalen | 6-2-12 om 11:27
Het beste is dat gesteggel over deze uit de hand gelopen recensie te staken en gewoon de dichtbundel te kopen. "Red ons van de dichters" was ook een zeer lezenswaardig boek waarin het geworstel van Wigman met zijn gedichten (en trouwens ook met zijn leven) op boeiende wijze wordt beschreven. De titel spreekt trouwens voor de bescheidenheid van deze dichter/schrijver. Ik heb de recensie nog eens proberen te lezen maar KG haalt veel te veel overhoop.
Geplaatst door: Paul van de Wiel | 6-2-12 om 15:55
Paul, doe me een lol, en schrijf jij eens twintig regels. Wat loopt er uit de hand? Wat wordt er veel te veel overhoop gehaald? Beperk je tot die vragen. Twintig regels. Kom, je kunt het.
Geplaatst door: koenraad goudeseune | 6-2-12 om 18:17
Koenraad, ik neem de uitdaging aan, maar ik ben nog even bezig met hout hakken, schaatsen en ijstransplantaties. Maar Maandag valt de dooi in....
Geplaatst door: Paul van de Wiel | 7-2-12 om 21:24
Al een keer verwijderd, nog maar eens proberen.
Met de gedichten van Menno Wigman maakte ik kennis door de bloemlezing "Ik ben een bijl" van Erik Jan Harmens. Ik vond ze niet direct mooi maar wel keihard en origineel en ze sloegen inderdaad in als een bijl. Een paar jaar geleden kocht ik Menno Wigmans boek met de beste titel ooit van een dichter die verkocht wil worden: Red ons van de dichters. De opvallendste eigenschap van deze dichter is zijn eerlijkheid. Je gelooft onvoorwaardelijk wat hij schrijft. Hij lijdt oprecht en vraagt "inleving" en "medelijden " (gedicht I-3), voor zichzelf, de lezer en voor zijn onderwerpen. Alles bij elkaar reden genoeg om zijn nieuwste bundel "Mijn naam is Legioen" te kopen. Deze bundel bevat 39 gedichten waarvan er 7 voorkomen in de boven genoemde bundel en boek. Dat is geen bezwaar want ze behoren tot de beste. Menno Wigman dicht overal over maar is vooral gefascineerd door de negatieve kanten van het leven, laat ik zijn overwegende stemming maar Weltschmerz noemen. Toch schroomt hij niet enkele maanden naar Berlijn te gaan om daar te schrijven. (Red ons van de dichters). Hij springt als de IJsman van de Nederlandse dichtkunst in het wak van de melancholie, want Berlijn is niet de stad met het vrolijkste verleden om je depressie te lijf te gaan. Hij schrijft over de holocaust, over de Tiergarten, Hitler, Eva Braun en Marinus van der Lubbe, Freud en Google en over zijn Seroxat maar ook over Nederlandse dorpen, steden en wijken. Je krijgt door zijn variërende stijlen en onderwerpen associaties met Moravia (HIJ en IK), Baudelaire, Reve en Komrij, zelfs met Simon Carmiggelt (Man in supermarkt). Maar alles krijgt de authentieke toets en sfeer van Wigman, het is sterke poëzie die vaak heel humoristisch is. En het is niet allemaal even zwartgallig, de twee voorlaatste gedichten geven blijk van een zekere geluksbeleving, een ervan heet zelfs Promesse de Bonheur.
P.S. Ik ben ingegaan op de uitnodiging van Koenraad om een recensie in 20 regels te schrijven; de bovenstaande bevat 21 regels in Word, lettergrootte 11. Alvorens deze recensie te schrijven heb ik alle gedichten drie keer gelezen. Ik heb me niet verveeld.
Paul van de Wiel.
Geplaatst door: Paul van de Wiel | 17-2-12 om 23:12
Dank, - wij hebben overigens geen reactie van je verwijderd.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 18-2-12 om 0:22
Goed gesproken, Paul.
Geplaatst door: koenraad goudeseune | 18-2-12 om 2:47
Dan moet ik zelf een fout gemaakt hebben. Excuus.
Geplaatst door: Paul van de Wiel | 18-2-12 om 10:48