Door Willem Thies
Fred Papenhove (1956) werkte onder andere als dienstplichtig marinier, boekverkoper, privé- chauffeur, verslaggever bij Het Haags Straatnieuws en de daklozenkrant. Voor zijn derde bundel, De hemel is vol zwaluwen, werd hem de Halewijn- literatuurprijs toegekend. Onlangs verscheen, bij Uitgeverij Van Gennep, diens opvolger: Zweep je beste been voor.
Zweep je beste been voor is een verzameling, meest korte (ten hoogste de lengte van een alinea in een roman), prozagedichten, consequent geschreven vanuit het perspectief van een kind (aangeduid als ‘je’), een opgroeiende jongen van een jaar of tien.
De jongen is in wezen een eenling: enig kind, zich solitair gedragend en opstellend, al heeft hij een enkele makker en zijn er buurjongens met wie hij speelt en (schijn)strijdt.
Het element strijd (of zelfs oorlog) doet zich al direct in het openingsgedicht gelden. Dit gedicht, een scène over een dag aan zee met de ouders, eindigt met de zin (daar het prozagedichten betreft zal ik eerder over ‘zinnen’ dan ‘regels’ spreken):
Je ruikt om je heen, er zit zout in de lucht, je wenst een bombardement boven zee. (p. 9)
De jongen wil actie, avontuur, spanning, spektakel. De strijder in hem staat op scherp – hij is alert, de zintuigen zijn gespitst, als was hij een dier.
Soms is de strijd betrekkelijk onschuldig, en gaat het meer om het spel. Maar ook dan is er sprake van competitiedrang, felheid en fanatisme. Het gaat tenslotte om de overwinning:
Op de stoep knikker je je een slag in de rondte, omringd door woede. (p. 10)
Ook kan de strijd zich ‘veilig’ in de fantasie afspelen:
’s Winters heb je zin in ridderverhalen. Tijdens het lezen rekken ze je uit, vooral de avonturen van de Onoverwinnelijke Ridder. Met je rechterhand trek je als eerste je wapen, je onttrekt je aan de gebeurtenissen van alledag. (p. 13)
Maar in Zweep je beste been voor wordt geen idylle geschetst, de lezer wordt geen valse romantiek voorgespiegeld, geen ‘plat’ jeugdsentiment. De werkelijkheid in deze bundel is vaak rauw en hard.
Uit onmacht, na een als afwijzing gevoeld negeren door een meisje uit dezelfde straat, wordt dit meisje venijnig getrapt:
Je schopt met de neus van je rechterschoen tegen haar schenen, huilend van de pijn ligt ze als een kleuter op de grond. De aanval zal ooit lonen. (p. 25)
(Ook) in deze situatie weet de jongen zich niet anders te uiten, niet anders te reageren op de gevoelde ‘nederlaag’, dan de strijd aan te gaan. Niet zijn trots slikken, niet het verlies aanvaarden (en de witte vlag hijsen), het verdriet (passief) toelaten – maar daadkrachtig optreden, agressie, de aanval is de enige ‘remedie’.
Papenhoves prozagedichten doen denken aan die van Tjitske Jansen, in Koerikoeloem, eveneens geschreven vanuit het perspectief van een kind – met dit verschil: waar Jansens poëzie ‘naïef’ te noemen valt, is die van Papenhove eerder ‘rauw’, misschien het mannelijk equivalent van ‘naïef’.
Voorzichtig vink je de omgeving af, blaaspijp en kiezelsteentjes binnen handbereik. Het doelwit werpt stenen naar eenden, je beschutting is goed, hij kan je niet raden. Al dieper haal je adem, richt op een van zijn oren, plots blaas je de longen uit je lijf, de tegenstander reageert. Gehuil en gebrul vormen een schitterende melodie, eenden kwaken, bloed stroomt over de nek van de vijand. (p. 27)
Niet alleen is dit een nostalgisch feest van herkenning (zij het dat ik als kind wat minder onbesuisd en bruut te werk ging; ja, ook mijn speelkameraden en ik hadden een blaasroer, een stuk plastic buis, vaak deels ingetapet, maar daarmee vuurden we papieren pijltjes af, en we mikten zelden op de oren – maar het ‘soldaatje’ of ‘oorlogje’ spelen is iets wat jongens graag doen), hier herkennen we al de marinier die Papenhove later zou worden (al kun je de verteller, het lyrisch ‘je’, natuurlijk niet eenvoudigweg gelijkstellen aan de persoon Fred Papenhove, ik denk dat we mogen aannemen dat deze prozagedichten grotendeels gebaseerd zijn op authentieke herinneringen, weliswaar ‘bewerkt’, deels gefictionaliseerd en ‘verdicht’).
‘Tegenstander’ is overigens niet enkel een begrip waarmee men de opponent in het spel aanduidt, maar ook de eufemistische term die militairen hanteren voor ‘de vijand’.
Het kind kent vele benamingen voor opponenten: naast ‘de vijand’ en ‘de tegenstander’ is er sprake van ‘tegensprekers’ en ‘kleurloze kinderen’ of ‘kleurlozen’; waarschijnlijk worden de laatste twee benamingen in letterlijke zin gebruikt (zoals je zou verwachten bij een kind van pakweg tien jaar oud): de jongen woont allicht in een ‘zwarte buurt’ en neemt het met zijn donkere buurt- en bondgenoten op tegen de blanke jochies. Maar ook klinkt erin door: ‘saai’, ‘karakterloos’ – al lijkt mij dat deze betekenis er eerder aan toegekend zou worden door een (bijna)volwassene. Papenhove dekt zich echter in tegen een dergelijke dreiging van een perspectieffout (door het hanteren van een te ‘oud’ idioom) door het motto voor in de bundel: ‘Sommige mensen zeggen dat ik vroegwijs ben. Dat zeggen ze vooral omdat ze me te klein vinden voor moeilijke woorden.’ (uit: In het hol van de leeuw van Juan Pablo Villalobos).
De grootste vijanden zijn natuurlijk niet de kinderen van ‘het andere kamp’, maar de volwassenen:
Ieder kind groeit, je trekt je schouderbladen als twee soepele scharnieren vastberaden naar achteren: hieraan meedoen wil je niet, je wordt geen volwassene! Dit toekomstideaal schrijf je op in je gedachten. Wanneer je dit doorgeeft aan je ouders, plooien hun gezichten zich tot een valse lach. (p. 38)
Het is een complot: elk kind wordt ten slotte ‘overgenomen’ door de volwassenen, wordt tot ‘een van de hunnen’ gemaakt, geïnfecteerd door het volwassendomvirus. De ouders, álle ‘ouderen’, zijn body snatchers, die vroeg of laat bezit nemen van elk kind.
De enige volwassene die het kind dierbaar is, is zijn oma – maar juist omdat zij, kennelijk, iets ‘magisch’ heeft en in niets aan de ‘ouderen’ doet denken:
Laten we op ’t ochtendlicht wachten is je oma’s mooiste fluistering. Je voelt je oppermachtig als zij je bed omringt. Bij het mondzoenen ruik je de geur van versgemaaid gras; langzaam verdwijnt de dag in een gitzwarte nacht. Voor je gevoel ben je niet langer blootgesteld aan grote mensen, er daalt iets vredigs neer. (p. 17)
Die laatste zin is betekenisvol: de kindertijd staat in het teken van onophoudelijke strijd, behalve als de jongen zich niet langer voelt ‘blootgesteld aan grote mensen’; dan daalt er juist ‘iets vredigs’ (cursivering van mij, WT) neer.
Ontroerend is de reactie van de jongen wanneer deze oma is gestorven. Zelfs, of juist, op dit ‘ultieme’ moment, geconfronteerd met de dood van een dierbare, weigert de jongen de nederlaag te aanvaarden: geen doffe berusting, of zelfs maar verdriet, laat hij de boventoon voeren – maar daadkracht, opstandigheid, vechtlust. Hij wil de strijd aanbinden met, ‘de oorlog verklaren’ aan, ‘het kwaad’, de vijand, de tegenstander, in dit geval: de dood.
(De dood, die op een dieper niveau wordt geassocieerd met het volwassendom: ‘Volwassenen onderbreken je verhaal: het is stilte wat ze willen.’ (p. 20) Jongens zijn immers ‘activistisch’, roekeloos en luidruchtig, de dood roerloos en geruisloos. De dood is de uiterste consequentie van het volwassendom: passiviteit, tamheid, timiditeit, zwijgen.)
Zo gaan in Zweep je beste been voor onbevangenheid, rauwheid, leed, strijdvaardigheid, een ‘activistische geest’ en het geloof in magie (en daarmee de maakbaarheid van de wereld) hand in hand. Als je oma dood is, tik je haar tot leven, wek je haar met een klap.
Geloofwaardig is hoe het kind op uiterst lucide wijze over gruwelijke, morbide zaken kan fantaseren – want zo zíjn kinderen van de leeftijd vlak voor de puberteit, weet ik uit eigen ervaring. Ze kunnen met de wreedste en huiveringwekkendste beelden en taferelen op de proppen komen, maar op een of andere wijze heeft het voor hen niet de zware of duistere lading die volwassenen daaraan zouden toekennen. Het heeft bij kinderen altijd iets... speels, iets lichts, iets spannends ook, zonder dat er negativiteit aan kleeft.
Mensen wrijven zonnebrand op hun karkas. (p. 9)
Als logé ga je naar familie in een dorp. Nadat je bent uitgezwaaid beginnen je mooiste uren, zachtjes neem je plaats in de treincoupé en fantaseert rammelende skeletten om je heen. (p. 24)
Papenhove maakt gebruik van rauwe, rake beelden:
(...) wanneer je het klimdoel bereikt hebt komt de hemel zo dichtbij alsof je er met je hoofd tegen aan kunt koppen (...) (p. 18)
[Over een tante en met name haar kinderen, de notoir saaie neefjes en nichtjes van de jongen:]
Je wenst allen een kapotte mond toe. (p. 24)
[Over zijn ouders, die kippenpoten of ander gedierte tot op het bot afkluiven:]
Hun adem ruikt sterker dan de vuilnisemmer. (p. 29)
(...) de kou legt na enige tijd je vingers stil. (p. 33)
Slechts een enkele keer is een metafoor ‘scheef’. ‘Aan de voet van het raam blik je terug.’ (p. 10) Een zuil kan een voet hebben, een wijnglas, een berg, een boom. Maar een raam níet. Een voet staat tot een lichaam (zuil, wijnglas, enzovoort) als een (onder)deel tot het geheel. Hier wordt bedoeld: ‘onder aan het raam’. ‘Aan de voet van het huis’ of ‘Aan de voet van het gebouw’ zou mogelijk zijn. ‘Aan de voet van het raam’ is het equivalent van ‘aan de voet van het oog’.
Zweep je beste been voor is een verzameling prozagedichten, waarin Papenhove ons de wereld laat zien door de ogen van een tienjarige jongen – hij doet dat op overtuigende wijze. Deze wereld staat in het teken van de strijd, op alle fronten: in de fantasie, in het spel, en ‘menens’. De grote vijand zijn de volwassenen, voorafschaduwing van de dood. Deze gedichten zijn, vanwege het grondthema van de strijd, ook buitengewoon zintuiglijk: de krijger moet immers voortdurend alert en opmerkzaam zijn, op zijn hoede, al is hij nog maar klein.
© Willem Thies
Zweep je beste been voor – Fred Papenhove; Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam, 2011
Ook op deze site: het eerste gedicht uit deze bundel, besproken voor de rubriek 'Het eerste gedicht'.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Duidelijke en treffende analyse. Alles staat erin, net als in de bundel.
Geplaatst door: john schoorl | 13-2-12 om 16:55