door Koenraad Goudeseune; bij het verschijnen van Blinde gedichten van Delphine Lecompte
De vrouwelijke Charles Bukowski. Wie? Charles Bukowski. Je hebt mensen die er hun neus voor ophalen, maar wel en oprecht veel van W.H. Auden en T.S. Eliot houden. Charles Bukowski, op zijn beurt, hield niet van auteurs als Saul Bellow, Vladimir Nabokov. Maar wat het bloed achter zijn ogen werkelijk deed zieden, was de stoet intellectuele windbuilen, de cultureel correct denkende poortwachtertjes, de filosofische nuance zoekende operetteprofessoren en would-be-schrijvers die in zijn dagen het mooie weer maakten en waarvan de tijd en het stof geen letter zou sparen. De lijst van schrijvers waarvan hij niét hield is eindeloos en, nou ja, je kunt dat ook wel een beetje jammer vinden. Het betekent op zijn minst dat hij heel wat tijd heeft liggen verschijten met het doorgronden van al die inwisselbare oeuvres. Van wie hij wel hield: John Fante.
Wie houdt er niet van Charles Bukowski? Benno Barnard, bijvoorbeeld. Je meent het? Ja, heeft ie me zelf toevertrouwd, en ik vermoed dat ook iemand als Paul Demets niet veel met Bukowski op heeft. Het kan aan mij liggen, maar het is alsof je niet én van Jos de Haes én van Charles Bukowski kunt houden. Het is alsof die poetica's elkaar beledigen en het leven onmogelijk maken. Nu, in ieder geval beledigt Charles Bukowski. Heerlijk gênant soms, net zoals Herman Brusselmans. Kijk, als je iemand als Philip Roth vreselijk niks vindt, dan ben je niet goed bij je hoofd natuurlijk.
En in het grote oeuvre van Philip Roth is het vruchteloos zoeken naar de naam Charles Bukowski? Ik heb het daarop nog niet liggen scannen, hé, maar dat zal dan wel klasse heten. Enfin, wat ik wou zeggen: om over de gedichten van Delphine Lecompte iets te zeggen, lijkt het alsof ik mij eerst moet uitspreken over de poëtica van Charles Bukowski. Anders heb ik geen gezag van spreken. Die poëtica staat me geweldig aan. Ik zal proberen uit te leggen waarom. Die houding is er op gebeten de menselijke soort te schaden en haar in het gezicht uit te lachen. Van die houding zeg ik: wat een geweldige houding is dat om zo tegenover de wereld te staan!
Dat doet porno toch ook? Ja, maar je kunt je aan porno niet overgeven zonder dat je je daarbij als in een nauwe, vieze cabine voelt waar je in de gleuf van een automaat muntstukjes en briefjes van vijf euro propt; op kantoor ken ik niemand die tijdens de werkuren op zijn gemak naar porno kijkt, maar stop hem een boek van pakweg Rabelais of L.P. Boon toe en hij zal er geen graten in zien dat zelfs in zijn CV verborgen te houden. Dus is er bij literatuur die vanuit die anti-houding spreekt meer aan de hand en is er bij nadere beschouwing helemaal geen bruggetje tussen porno en het werk van Charles Bukowski.
Ik geef een ander voorbeeld. Als je, zoals ik, een anonieme alcoholieker bent en je leest enkele bladzijden Bukowski, dan heb je het weer vlaggen. Daar kun je gif op innemen. Serieus? Ik kan niet ernstiger zijn, ik lees sinds ik gestopt ben met drinken geen bladzijde Bukowski meer, en ik weet goed waarom. Al houd ik, misschien meer nog dan vroeger, van zijn poëtica. Je leest er de macho-taal van Flaubert en Céline in, het absolute misogene durven. Filosofen van dezelfde gezindte vind je in Schopenhauer en Cioran. Je leest er het krankzinnig bezig zijn in de eigen ziel te spellen, erg des dichters allemaal, het is er bij gratie van de megalomanie, ik bedoel daar niks verkeerd mee, nou ja, je zou van Eddy Merkx kunnen zeggen dat hij op zijn manier een megalomaan renner was omdat hij iedere wedstrijd zo ernstig nam en bijna altijd won. Een renner met de hamer, zo je wilt. Maar daar toeter je in de oren van een sportliefhebber geen vloek mee, integendeel.
En alles wat ik hier over Charles Bukowski te berde breng, geldt ook voor Delphine Lecompte. De vrouwelijke Charles Bukowski. Maar eerst dit. Voor wie er lang genoeg bij stil staat, is er iets vreemd met die kwalificatie. Wanneer men een kwalificatie van enig schrijver wil geven, poogt men gewoonlijk hem in te delen bij een groep, om hem alsdan met andere vertegenwoordigers van die groep te vergelijken. Eerder werd een schrijver als J.M.H. Berckmans de Vlaamse Bukowski genoemd en wereldwijd kun je een grote bibliotheek samenstellen met schrijvers die de nieuwe Bukowski werden genoemd en waarvan de tijd en het stof geen letter spaart, net omdat Charles Bukowski eigenlijk alleen maar met zichzelf vergelijkbaar is. Wat J.M.H. Berckmans betreft, die man heeft zich inderdaad doodgezopen, maar daar houdt het ook bij op. Heeft Delphine Lecompte iets met J.M.H Berckmans gemeen? Ik mag hopen van niet. Maar eigenlijk heeft ze dat wel. En dat maakt het ook zo verontrustend.
Niet alleen met Delphine Lecompte zelf is er iets vreemd, maar daarover gaat mijn beschouwing niet, ik wil het louter over haar gedichten hebben. Er is iets vreemd met de idee van een vrouwelijke Bukowski. Omdat die hele Bukowskiaanse poëtica er nu precies is bij gratie van het vrouwelijke. Het anti-vrouwelijke. Kort gezegd komt het allemaal hier op neer: vrouw en man benoemen liefde anders. Geven er een andere inhoud aan. En de hele ellende is dat de man, wil hij liefde krijgen, zichzelf en zijn denken moet opofferen. Hij moet zover komen dat hij van het vrouwelijke liegen (de wereld is mooi en deugdelijk en ze houdt op dezelfde achterlijke manier van jou) zeggen kan dat het helemaal geen leugen is en het tegenovergestelde van achterlijk. Ook al valt alles rond hem in duigen en voelt hij zijn eigen lichaam meer en meer in mekaar zakken, hij moet blijven geloven dat de wereld mooi en deugdelijk is en dat zijn geliefde van hem houdt, helemaal, onvoorwaardelijk. Hij moet zodanig in dat moeras van vrouwelijkheid afdalen dat hij geen steek meer voor zijn eigen ogen ziet, hij moet zonodig met de vrouw fuseren, en daartoe moet hij zijn persoonlijkheid vaarwel zeggen, zijn leven opgeven.
Allemaal blinde wil, allemaal niks aan te doen. Behalve schrijven.
Twee bewegingen, als bij touwtrekken, zo is dat schrijven. En dankzij dat schrijven, komt hij erachter dat de wereld nog veel minder deugt, dat het nog veel en veel erger is allemaal, kortom: de persoonlijkheid die hij, teneinde liefde te krijgen van een vrouw, had moeten opgeven, wordt erdoor vergroot en als hij er, door vrouwen, om wordt bewonderd, dan is ook dat verschrikkelijk fout en loopt ook dat gegarandeerd slecht af, want is in feite louter een zoveelste uitvergroting van het menselijk tekort.
Ik, als je het aan mij vraagt, zou Delphine Lecompte eerder een vrouwelijke Jackson Pollock noemen en dat zal ik straks ook doen, het is vandaag niet voor niks zijn honderdste geboortedag en ze heeft het zelf ergers over een uit de hand gelopen Pollock. Volg je nog? Blijf nou maar even bij Bukowski en de vrouwelijke Bukowski waarvan je het vreemd vindt, of waarvan je er achter wil komen waarom zij, Delphine, er naar wordt genoemd. Goed, ik bedoel: een dergelijke poëtica, uitgedragen door een vrouw, kan haast niet anders dan in conflict zijn met het eigen wezen en voortspruiten uit een disharmonieuze zelfbeleving. En daar staan die gedichten dan ook bol van, vaak erg schrijnend, of liever: ik onderstreepte bij een eerste lezing net die zinnen, die oprispingen met een alcoholstift. Dat is tussen ons gezegd en gezwegen de enige alcohol die ik nog tot mij neem. Lul niet zo.
In het gedicht 'Mijn moeder poseert onbevreesd naast gedrochtelijke kroppen' schrijft Delphine Lecompte: 'Ze wil weten wat ik geworden ben / Een beroep? Een neurose? Een incest oogluikend toestaande moeder? Een fierheid? Een misdaad? Een uit verveling fretten folterende notarisvrouw?' Zij, Delphine, is in een ander gedicht 'anorectische dichteressen'. Ik weet niet of Delphine anorectisch is en dat doet er ook niet toe, maar ze kan er in ieder geval voor doorgaan, ze is in ieder geval niet mollig. Als zestienjarige had ik een tijdlang een liefje dat griezelig mager was en mijn vrienden noemden haar 'stok'. Welnu, dat is een woord dat haar allerminst opvrolijkt, schrijft ze in het gedicht 'Ik zoek naar bestemmingen voor mijn vrolijkheid'. Welke woorden vrolijken haar wél op? Hond, god, seks, ijs / Soms vlees en oog / Nooit hoorn of vuur / en nog minder vaak dan nooit stok.' Ergens anders luidt het: 'Mijn zevenjarig geitenlijfje klopt.' Haar huid, heet het in het gedicht 'Opgeruimd staat ontmoedigend kil', is ziek geboren en wat verder blijft de vraag waarom ze zichzelf uithongert met groot technisch vernuft bij wijze van spreken ongevraagd. Over een meisje en haar opties dit: 'Elk meisje moet beslissen wat ze wordt / voor het te laat is / en ze ten prooi valt aan atheïstische burgerlijkheid / of nomadische Aldizakken-zeulende hopeloosheid.'
Geen van beide invullingen biedt veel mogelijkheden of soelaas. Wie er zich bij neerlegt zo te moeten worden, zet ik in mijn vitrine, driekwart van de tijd sta ik daar dus zelf, als ik niet geworden ben wat ik in mijn gedichten ben. 'Zonder mijn lijf ziet mijn pyjama er niet belachelijk uit.' En in 'De middag ontvreemdt mijn prikkelende plannen' schrijft ze: 'Mijn benen vernijnige speldjes / Om de voodoopop van mijn moeder op te porren.' Dat komt dus ook niet uit de Bergrede van Jezus Christus. En: 'mijn borsten hardly there'. En: 'Toch voel ik mij onnozel / Alsof ik de vierde ben geworden in een jutezakloopwedstrijd.' En: Ik word getekend door de zonderlinge zwembadopzichter / Wat een gedrocht / Wanneer ik in de spiegel kijk zie ik trots'. Het is, om haar woorden te gebruiken: bittere folk.
Moet je niet tot een overzicht komen in je stuk over Blinde gedichten van Delphine Lecompte? Ja, en daar had ik nou Jackson Pollock graag bij. De vrouwelijke Jackson Pollock, veel liever noem ik haar aldus. Onlangs hoorde ik op de radio een wiskundige over de schilderijen van Pollock beweren dat ze geniaal zijn omdat de chaotische kleuroppervlakken in al hun vormwaanzin toch aan een patroon beantwoorden, een patroon waaraan we nog slechts mentaal kunnen worden herinnerd, een patroon dat Pollock, haast buiten zijn weten om, met een aan wiskunde grenzende exactheid in zijn werk tentoonspreidt.
Fractaal, fractale eigenschappen, zo heet dat geloof ik. Hij, die professor, vergeleek het in ieder geval met een bloemkool. Vergroot een klein stukje bloemkool uit en en je krijgt meteen een nieuwe bloemkool, qua vorm en (omdat het om een bloemkool gaat) qua inhoud. Ieder deeltje lijkt op het geheel, is bonsaibloemkool zo je wilt. Daartoe, volgens de professor, is er een onder- of achterliggend patroon voor nodig, een soort meetkundig net dat je ook over een stad, een bos, een landschap, een lijn kan gooien en aan de hand waarvan je de ingewikkeldheid en de volheid meetkundig kunt vaststellen. De fractale eigenschappen van een lijn bijvoorbeeld zijn bepaald arm te noemen in vergelijking met die van een boom waarvan iedere tak, ieder twijgje op zichzelf een nieuwe boom vormt, net zoals iedere fractie van een lijn een nieuwe lijn is.
Nou hebben ze dat dus ook met het werk van Pollock gedaan en daaruit blijkt nu zonneklaar dat diens fractatie geniaal overeenkomt met wat je van de natuur en haar manier van zijn het opperste zou kunnen noemen en waarvan het uitgegooide meetkundig net mooi illustreert dat alle parameters maximaal geactiveerd worden. Hoewel dat patroon de bloemkool schept in wat de bloemkool tenslotte is, is het als een soort god overal aanwezig, maar nergens zichtbaar. En dat mentale zien van wat, hoe goed we ook kijken, onzichtbaar blijft, ontroert ons. Is grote kunst.
Gooi zo'n net uit over de muziek van Bach en je krijgt een kathedraal en duizende gelijkaardige bouwmeesters die Bach allemaal in zijn eentje is. Gooi dat net uit over het overvloedige dichtwerk van Guido Gezelle en je krijgt iets gelijkaardigs. Ik hoor je al komen. Wat heeft dat allemaal te maken met de gedichten van Delphine Lecompte? De bundel bevat een goeie honderd gedichten. De bundel is weliswaar opgedeeld in vier blokken, maar wat het ene blok nou net van het andere doet verschillen, behalve in de afzonderlijke gedichten, is me een raadsel en althans voor mijn leesplezier onbelangrijk. Dit fragmentje is een wereld op zich: 'vandaag ben ik vastberaden / Om een gedicht te schrijven dat / Niet met 'IK" begint / Een gedicht zonder oude kruisboogschutter / Zonder gevilde haas, zonder kleptomanie, / Met komma's en een loodgieter die zich van buis vergist'. Of dit juweeltje: 'Het is een rode tulp /ze ziet er preuts uit / alsof ze met een te kort rokje in een tandartszetel zit.' Ieder gedicht van Delphine Lecompte is meteen de hele bundel, haar hele oeuvre, je kunt het overal openslaan, je kunt het van achter naar voor lezen, elk gedicht bevat haar hele poëtica. Ontwikkeling heeft ze niet nodig, ze is al wijs genoeg van zichzelf.
Dit stuk is niet van de hand van Delphine Lecompte natuurlijk, maar ik geloof graag dat het dat had kunnen zijn. En daarmee sluit ik me aan bij wat door critucus Paul Demets eens 'een appendix' werd genoemd,- een beschouwing die in het verlengde ligt van het te bespreken werk, in deze de gedichten van Delphine Lecompte, en die tot doel heeft de intrensieke waarde van dat dichterschap te illustreren en waarin dus hoofdzakelijk goedkeurend wordt geciteerd. Spreken dus als vanuit eenzelfde stronk, was, is mijn betrachting. Het is erg onorthodox in een poeziebeschouwing die zich nu net buigt over anti-literatuur. Het vloekt eigenlijk tegen het genre.
Net zoals Charles Bukowski nooit in de buurt is gekomen van wat je een essay zou kunnen noemen (Hugo Claus overigens ook niet), net zomin zie ik Delphine Lecompte een beschouwend stuk schrijven, en al helemaal niet over haar eigen poëzie. Dat moet dan maar worden gedaan door collega's die haar bewonderen en in haar een grote dichteres zien. Door collega's die houden van dat unieke en onnavolgbare kunnen van Delphine om van binnenuit het absurde, grillige, onmogelijke, onbegrijpelijke te spreken, het niet alleen meedeelbaar te maken, maar dat ook nog eens kraakhelder te doen, en niet a rato van halfjaarlijks èèn miezerig gedichtje, maar dagdagelijks, van kindsbeen af.
Door collega's die ervan doordrongen zijn dat er heel veel humor nodig is om iets ernstigs te zeggen en die een voordracht van Delphine niet louter zien als een avondje lachen. Toen ik voor het eerst gedichten van Delphine Lecompte las, had ik het gevoel alsof ze er altijd al was geweest. Als een vaste ster, steunend op niks behalve zichzelf. Ze bracht me met haar onstuitbare grilligheid ('kaasgefilmde tong') naar mijn eigen jeugd, naar mijn eigen obsessie met van dieren en objecten de verborgen, verontrustende, absurde mededelingen waaraan de rede, naarmate ik ouder werd, geen touw meer vast kon knopen en dat eigenlijk nooit had gedaan, maar die niettemin hun geldigheid blijvend demonstreerden in de absurditeit die het leven nu eenmaal is.
Daarbij helpt, misschien af en toe net iets te gratuit, de waaier aan exquize woorden en atonale gelijkstellingen: plastic sherriffsterren, kiwisorteerder, fopartikelenwinkel, lijmfabrikanten, dove lommerdhouders, sponzenverkopers, tondeldozen, geweien, motten. Maar je vergeeft haar die soort tics makkelijk. Wie zich werkelijk verdiept in de levens van hen die op deze aarde iets gepresteerd hebben, wordt telkens getroffen door het verschijnsel dat de eigenlijke kracht van die mensen een gebrek is geweest dat tot een kwaliteit werd omgebogen. Net zo bij Delphine Lecompte.
© Koenraad Goudeseune
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Dit is nu een typisch geval van een stuk tekst dat geschreven is na het lezen van een kwart bundel Bukowski, gevolgd door zes bellen whisky waarbij je Bukowski luisterkijkt op youtube. En toch geschreven zonder alcohol? Ik moet ineens denken aan Obelix die als kind in de ketel toverdrank is gevallen.
Geplaatst door: Niels van der Tuuk | 31-1-12 om 10:52
Fraai geschreven tekst. Maar een beetje overbodig om eerst een vergelijking op te roepen, om die later krachtig te ontkennen. Begin dan gewoon met het vergelijk met Pollock...
Geplaatst door: Mark van der Schaaf | 31-1-12 om 11:28
Meeslepend geschreven en doet daadwerkelijk zin in het werk van Lecompte krijgen. Ik zou graag meer van dergelijke bevlogen stukjes te lezen krijgen in plaats van duffe beschouwingen.
Geplaatst door: arno bontjager | 2-2-12 om 10:09
Bedankt voor het compliment, waar wij het namens de auteur Goudeseune geheel mee eens zijn; ook wensen wij u veel succes bij het uitzoeken van een leesbril (want hoezo, "duffe beschouwingen"?).
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 2-2-12 om 10:23
Ik weet niet goed wat ik daarop moet zeggen, Chrétien. Ik vond dit stukje bevlogen en dat mis ik dikwijls bij de andere items. Misschien was "duffe beschouwingen" niet zo goed verwoord. Het zou leuk zijn meer van dit soort dingen te lezen. Een beetje animo, geestdrift, verontwaardiging, bevlogenheid, afwijken van het gangbare...
En opbouwende reacties natuurlijk ; )
Geplaatst door: arno bontjager | 3-2-12 om 13:01
U vraagt, wij draaien!
Geplaatst door: koenraad goudeseune | 3-2-12 om 13:28