Eind vorig jaar verscheen de bibliofiele bundel De kerf in je wang, vijf gedichten van Luuk Gruwez met vijf etsen van Karel Dierickx, uitgegeven door Octave de Achtste in Gent. Tijdens de presentatie op 11 december in het gebouw van de KANTL, sprak Luc Devoldere (hoofdredacteur van Ons Erfdeel en essayist) de hieronder volgende, inleidende woorden:
Jaren geleden is Luuk Gruwez geëmigreerd uit het land van de handen –West-Vlaanderen – naar het land van de wangen – Limburg: van de harde handen die van aanpakken weten, van zwijgzaam werken - naar de zachte wangen die dienen om gestreeld te worden.
En nu komt hij naar Gent met diezelfde wangen, maar met een kerf erin.
We wisten het natuurlijk al: de beschadigde mens is zijn onderwerp, niet de geslaagde, maar de onaffe, de onvolmaakte, gefnuikte, mislukte mens. En dat deelt hij met de schilder Karel Dierickx voor wie kunst noch mens perfect zijn: er moet iets wringen, er moet een hoek af zijn.
Gemeenschappelijke vrienden hebben beiden samengebracht. De dichter schreef gedichten. De kunstenaar las ze en maakte etsen. Hij kerft lijnen. Maar die beelden zijn geen illustraties bij de verzen. Ze leiden een eigen leven. De etser is souverein. Daar kwam een boek van. En dat boek mag ik hier voorstellen, alhoewel ik het zelf nog niet gezien heb. Ik heb wel een proef gezien, en die is veelbelovend.
Gruwez wilde het in deze gedichten hebben over de mens die het niet gehaald heeft, die de top van de berg nooit bereikt. Die fascinatie kennen we van hem. Maar hij wilde ook aandacht vragen voor de habitat van de mens, een habitat die almaar wreedaardiger trekken vertoont. Nee, het worden geen opgewekte verzen. De dichter werpt ook de schuldvraag op: wie is verantwoordelijk voor de onvolmaaktheid van de schepping, voor haar gruwelijkheid?
Voorwaar geen tema voor een zondagochtend, en dan nog een zondag in de advent.
Gruwez zet stevig in met een gedicht over binnen en buiten, werkelijkheid en schijn. We bevinden ons in dorpen met Duitse namen die aan het dorp in Das Weisse Band (een film uit 2009 van Michael Haneke) doen denken: alles lijkt er vreedzaam en rustig, maar achter de façaden speelt zich misschien, je weet het nooit, gruwel af: kindermisbruik en geweld. De laatste zin van dit openingsgedicht slaat je als een slag in het gezicht:
Nog altijd doezelt ter plekke het volk. Vrouwen met ukkies / Op schoot schudden hun tepels bloot. Het is een zomermaand / Vol madeliefjes. Ventje van twaalf, van goeden huize, heel beleefd, / Heel bedeesd, mept binnenshuis zijn kleine zusje dood.
Daarmee is de toon gezet. Het misbruik, het geweld leidt tot geweld. Komt het ooit nog goed?
Karel Dierickx heeft bij dit gedicht een ets gemaakt: het is de eerste - onheilspellend, verontrustend kijkt een kop, een kale tronie, die lijkt te zweven tussen tralies, je aan.
De tweede ets toont een landschap, een bergpas waarin de toeschouwer zich niet durft te wagen. Kan een landschap schuldig zijn? Het is een vraag die mij perplex achterlaat. Ik staar in de donkere schacht van de bergpas, en weet niet waarom ik aan l’origine du monde van Gustave Courbet moet denken.
Gruwez heeft het dan in twee gedichten over de baby’s die op oorlogspad trekken, de hijgerige, vreesachtig met hun armpjes klapwiekende strebertjes die moeten en zullen naar de top van de berg:
Er dient bij tussenpozen een delict gepleegd met breinaald,
Rammelaar of giftig papje.
En er is altijd tijd te kort bij die Strebertjes: "hoeveel toekomt is er over?"
De baby’s kunnen flink marcheren, ook al zijn ze klein.
Zie ze daar lopen met zonnebrillen, woekerrentes,
Ridderordes. Brillantine op hun donzige koppen.
Twee etsen van Dierixkx volgen dan: de ene toont een schedel met holle oogkassen die opgroeit uit - ja, uit wat? een Rorschach vlek? Het vreemde is, dat als je de ets op zijn kop zet, je een gezicht lijkt te zien, een wilde haardos, een stevige neus, een knevel. Ik ben er niet uit wat de kunstenaar hier heeft gedaan, heeft willen doen. Maar we hebben blijkbaar altijd verschillende gezichten, we zijn iemand anders dan we lijken, je est un autre.
De tweede ets toont opnieuw een landschap: een vlakte, een hoogvlakte? En dan is Gruwez daar weer (ik blader verdre in mijn proef): de dreigende babyeskaders hebben de zeer verbeide top van de berg bereikt.
Daar staan de winderige bedden klaar
Met al hun anonieme ultieme geliefden.
En in het volgende gedicht lees ik:
De bedden van de wereld in het dal staan allemaal
In lichtelaaie al. Laken smeult, plastic smelt,
Rookpluim wenkt.
En nu zie ik inderdaad een rookpluim op de ets: in de verte verheft hij zich, een sinistere windhoos. Kan een landschap schuldig zijn?
De dichter eindigt in elk geval zijn vers genadeloos:
Het is de lente, vriend,
Het is de lente, de tijd van het verflensen.
In de lente zit inderdaad al het verval ingebakken, in het leven, de dood. De etser was de dichter voor met zijn verflenst landschap, zie ik nu.
En dan zijn we al aan de laatste ets en het laatste gedicht: vijf van elk zijn er in dit boek. Dat is niet veel. Maar net genoeg.
De dichter keert terug naar zijn Duitse dorpen, naar zijn kindertijd. Hij vraagt zich af of hij daar echt geweest is, echt geleefd heeft: misschien vraagt hij zich af of hij er als kind misbruikt is.
Maar dan daagt een gruwelijker besef:
verbleven wij, mijn vriend, niet allemaal in Lilienthal,
Lag Langenbruck niet overal?
Is –kortom- de hele werkelijkheid niet gruwelijk?
En Gruwez legt dan, zijn cyclus afsluitend, de link met de berg en het dal:
(…) Er hangt iets breekbaars
Boven het dal. Het hangt daar maar te wachten op zijn val.
En als het valt, gegarandeerd op het verkeerde uur,
Is het noch min of meer de schuld van de natuur
Het gedicht heet 'mijn vriend'.
En de ets die het voorafgaat toont een portret, een kop die zicht lijkt te ontdubbelen. En dan zie ik -eindelijk- op de wang de kerf.
Dames en heren,
Het zal u duidelijk zijn geworden. Dit is een verontrustend boek, een verontrustend tweeluik van woord en beeld. Het stemt onbehaaglijk. Het blijft wringen. Het geeft zich niet direct prijs.
Ik stel voor dat u het op een tafel laat liggen. Niet de koffietafel. Dit is geen koffietafelboek. Maar laat het liggen. Sla het open: op een ets. Op een gedicht. Op een witte pagina.
Zwerf van gedicht naar ets. Van beeld naar vers. Beiden geven zich niet direct gewonnen.
Enkele weken geleden zei Arnon Grunberg hier bij zijn dankwoord voor de vijfjaarlijkse prozaprijs van de Academie voor zijn roman Tirza dat de taak van de schrijver erin bestaat de fundamentele onbewoonbaarheid van de werkelijkheid zichtbaar te maken. Het universum is absurd en onmenselijk. De massamedia tonen dat universum niet. De litereratuur moet de verschillende vormen van onbewoonbaarheid bezingen. Waarom zouden we dat niet van de beeldende kunst ook kunnen zeggen?
Deze dichter en deze kunstenaar masseren ons vandaag niet, ze hebben het u niet makkelijk gemaakt. Maar wie heeft ooit beweerd dat de kunst het ons makkelijk moest maken?
De kerf in de wang is altijd zichtbaar. Men kan ze niet verbergen. Men toont ze altijd. Ze is de scheur in de werkelijkheid, de snede in de dingen, het stigma dat ons zwijgend toeschreeuwt.
© Luc Devoldere, Gent, 11 december 2011
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
In 1988 verscheen van mij de dichtbundel'Rorschach' bekroond met
de Yang Poëziereeks Prijs.Uitgeverij Yang.
Piet Brak.
Geplaatst door: Pietbrak@hotmail.com | 10-1-12 om 11:58
Ja, dat klopt. Maar wat heeft het precies met dit artikel van doen?
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 10-1-12 om 12:07
Dag Chrétien, ik bedoel hiermede dat de 'Rorschach'test een gelaagdheid bezit wat bij poëzie ook dikwijls het geval is. Deze test wordt in de psychologie-praktijk dikwijls argwanend bekeken zoals ook de poëzie. Ik was vroeger werkzaam in een psycho-sociale dienst voor leerlingenbegeleiding waar deze test werd gebruikt(nu niet meer). Ook wordt deze test(inktvlekken) dikwijls in de beeldende kunst gebruikt. groeten,Piet.
Geplaatst door: Pietbrak@hotmail.com | 11-1-12 om 12:13