- een korte versie van dit stuk staat vandaag in de boekenbijlage van de Volkskrant - Door Ingmar Heytze
Yves T’Sjoen, een Vlaamse professor in de letterkunde, stelde een jaar of vijf geleden dat er twee soorten dichters bestaan: ‘believers’, ‘dichters die denken hun gevoelens, de gebeurtenissen, hun ervaringen probleemloos en direct in taal te kunnen omzetten.’ De ‘nonbelievers’, daarentegen, ‘gaan in hun schriftuur op zoek naar wat zich buiten de rationele kaders bevindt: (…) het onverstaanbare, het onzegbare. (…) Tegenover de eenduidigheid plaatsen zij de meerduidigheid, tegenover het statische de dynamiek, tegenover de orde het vrije spel van de organische woekering.’
Het is een aardig bedachte tegenstelling, en bij negen van de tien dichters weet je na het lezen van een half gedicht al in welke categorie ze volgens T’Sjoen thuishoren. Natuurlijk hangt er wel een zeker intellectueel dedain aan. Dat heeft veel te maken met de frase ‘probleemloos en direct’, en alles met de aanduiding ‘believers’. Je krijgt meteen medelijden met die malle, goedgelovige figuren: veel te ouderwets om te begrijpen dat het helemaal niet kán wat ze met hun versjes proberen. En dat je het ook niet moet willen. Meerduidig, dynamisch, vrij – dat is immers altijd beter dan orde en stasis (terzijde: Professor Tsjoen is gek als hij denkt dat er ook maar één behoorlijke dichter is die nietbegrijpt dat taal ontoereikend is om precies in uit te drukken wat je wilt zeggen. Elke dichter, van Jean Pierre Rawie tot Tonnus Oosterhoff, begrijpt dat een gedicht onvermijdelijk een forse dosis retoriek bevat. Ik wil niets omzetten in taal, ik wil dingen oproepen in taal die ik daartoe tot een gedicht probeer te ordenen. Ik heb, evenmin als een experimenteel dichter, geen idee wat ik eigenlijk wil zeggen als ik aan een gedicht begin – dat weet ik niet eens als het klaar is, en, met Rutger Kopland, desgevraagd weinig anders kan doen dan naar het gedicht wijzen en zeggen: ‘kennelijk dit.’ Einde terzijde).
Het is niet moeilijk om nog dozijnen van dat soort uitspraken uit de laatste tien, vijftien jaar te vinden. Ze komen allemaal neer op één geruststellende zekerheid: experimentele, onnavolgbare, ontregelend bedoelde poëzie is de best denkbare poëzie. Alle andere gedichten zijn leuk en aardig voor lezers die te stom zijn om zichzelf de juiste, academisch geschoolde leeshouding aan te meten. Belangrijk zijn ze in elk geval niet.
Onwetend van dit alles maakte ik eind vorige eeuw mijn entree in dit discours door aan een tijdschrift te vertellen dat poëzie volgens mij entertainment is. Als iemand dat platvloers vindt, voegde ik er behulpzaam aan toe, had hij volgens mij een te lage dunk van entertainment.
De uitspraak viel niet in goede aarde. ‘Elektriek versterkte podiumpoeet’ was zo ongeveer de aardigste kwalificatie die me destijds door Maarten Doorman, ooit treffend door Kees van Kooten omschreven als ‘hoogleraar-dichter-duizenddingendoekje’, werd toegevoegd. Goed, misschien had ik mezelf wat sterk uitgedrukt door te zeggen dat ‘academisch geneuzel’ indertijd de norm was, ‘poëzie die een normaal mens huilend van verveling in een hoek gooit.’ Ik wilde er vooral op wijzen dat de dichtkunst in haar ivoren toren zou blijven zitten als iedereen bleef volharden in de gedachte dat experimentele poëzie de belangrijkste poëzie op aarde is. We hebben het over een tijd dat je als dichter al werd verdacht van volksmennerij als je had ontdekt dat je, met het oog op de verstaanbaarheid van je voordracht, beter ín een microfoon kunt praten dan ernaast. Daarbij leek het me goed om in het oog te houden dat sommige lezers misschien wel van poëzie willen genieten (terzijde: dat kan trouwens ook prima kan met gedichten waar je geen touw aan vast kunt knopen. Ik ken verschillende mensen met zware, verantwoordelijke functies, die precies om die reden graag af en toe een dichtbundel ter hand nemen: omdat ze de hele dag al stapels papier moeten doorploegen en begrijpen, en zich daarvan even verlost voelen als ze bijvoorbeeld een bundel van Wouter Godijn of Frans Kuipers pakken – om maar eens twee dichters te noemen die je niet zomaar begrijpt, maar bij wiens gedichten je vele vermoedens kunt koesteren, zonder dat je verplicht bent om die vermoedens te reduceren tot een conclusie. Een goed gedicht is een mysterie, geen cryptogram. Einde terzijde).
Dertien jaar later vraag ik me nog altijd af wat er toch mis is met het schrijven van gedichten waarin een lezer eventueel iets van zichzelf zou kunnen herkennen. Gedichten waarin je geen emoties uit – wie heeft toch bedacht dat zoiets mogelijk is? – maar ze oproept. Gedichten die communiceren met een lezer, omdat ze een wereld scheppen waar die lezer zich in zou willen verdiepen. Gedichten waar je als lezer plezier aan zou kunnen beleven, of die je ontroeren. Niet omdat je zo nodig moet begrijpen wat er staat, maar omdat het gedicht iets in je wakker maakt – en naarmate je vaker die ervaring hebt bij steeds meer gedichten, kom je wellicht steeds meer open te staan voor gedichten waarmee je vroeger niets had, en leer je steeds meer gedichten begrijpen door ze te ervaren.
Het is 2012 en ik ben inmiddels aan het publiceren van mijn tiende dichtbundel toe. Wat belangrijke poëzie is weet ik nog steeds niet. Eigenlijk vind ik dat de term ‘belangrijk’ niets te maken heeft met poëzie. En ook al heb ik een veel bredere smaak voor poëzie dan tien jaar geleden: ik wil nog steeds dichters lezen die me aanspreken op mijn gevoel voor verwondering. In mijn geval zijn dat meestal dichters die niet bang zijn voor een verhalende laag in hun poëzie. Je vindt ze veel in het Engelse taalgebied: Philip Larkin, Mark Strand, Charles Bukowski, Billy Collins, John Burnside, Raymond Carver, om er een paar te noemen. Zij schrijven gedichten die altijd meer zijn dan het verhaaltje – maar ze laten het verhaal in hun gedichten ook niet weg ten gunste van het onzegbare. Ze omarmen, net als ik, het verhaal als vehikel voor de overige betekenislagen, net zoals je rijm, ritme en klank kunt omarmen als gereedschap om je gedicht mee te vormen.
Mede door deze voorkeur word ik nauwelijks geïnspireerd door de meeste Nederlandse dichters die door 'kenners' voor belangrijk worden versleten, zoals Robert Anker, Arjen Duinker, Nachoem Wijnberg, F. van Dixhoorn en andere kwalitatief indrukwekkende leveranciers van ‘non-believing’ poëzie. Ik vind deze dichters niet slecht: ze zijn, in hun niche, geweldig. Blijf hen vooral overladen met alle prijzen en beurzen die er straks nog resten. Wat ik slecht vind, is het onevenredig grote belang dat aan hun poëzie wordt toegekend. Daar kunnen ze zelf niets aan doen, maar het is wel een feit.
De kenner zou kunnen tegenwerpen dat ik kennelijk te lui ben om me te verdiepen in experimentele poëzie. Daar heeft de kenner gelijk in. Ik schrijf en lees nog steeds gedichten voor mijn plezier. Dichters waarvoor je eerst een universitaire master moet volgen, vallen nog steeds buiten mijn lustbeleving. Om met wijlen Susan Sontag te spreken: ‘Our task is not to find the maximum amount of content in a work of art, much less to squeeze more content out of the work than is already there. Our task is to cut back content so that we can see the thing at all.’ Als ik een gedicht te ver moet ontleden en daar een halve boekenkast bij moet omgooien voordat me er iets van begint te dagen, zie ik het gedicht niet meer.
Ik vind het doodzonde van mijn tijd om me te verdiepen in de organische geesteswoekeringen van een dichter die me niets beters te melden heeft dan het niets, de leegte, het onverstaanbare. Het onverstaanbare heb ik thuis ook, als ik door de WC-deur heen probeer te praten met mijn vriendin. Het onzegbare, dat roeren wij thuis door de muesli. Ik wil poëzie die me meeneemt naar een wereld die ik nog niet ken, naar een inzicht dat ik nog niet had, naar een uitzicht dat ik nergens anders had kunnen vinden. Ik wil een gedicht dat zo goed is, dat ik bijna vergeet dat het, zoals elk gedicht, een taalbouwsel is – een volmaakt bedrieglijke travestie waar het grote niets doorheen schijnt, een van zijn eigen leugenachtigheid getuigende leugen van inkt. Ik wil een gedicht als een huis, dat me op één steen na laat geloven dat ik er werkelijk in zou kunnen wonen.
Gelukkig zijn er ook tientallen dichters in Nederland en België die daartoe in staat zijn. Ik zou dan ook graag zien dat de komende tien VSB-poëzieprijzen, afhankelijk van wie er toevallig een bundel uit heeft, worden uitgereikt aan Menno Wigman, Frank Koenegracht, Ester Naomi Perquin, Tom Lanoye, Tjitske Jansen, Jules Deelder, Luuk Gruwez, Sjoerd Kuyper, Gerrit Komrij en, alsnog, aan K. Schippers, want die had hem dit jaar al moeten krijgen.
© Ingmar Heytze | info@ingmarheytze.nl | www.ingmarheytze.nl
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Mooi Stuk. Ik wou dat ik het zó kon zeggen.
Geplaatst door: bart plouvier | 21-1-12 om 12:47
Ingmar +1
Geplaatst door: Nicolette Marié | 21-1-12 om 13:41
Is het een feit of is het gevoelstemperatuur of misschien oud zeer dat de zogenaamde nonbelievers veel te veel aandacht en erkenning krijgen? Wigman, Jansen, Komrij, noem maar op, sommigen staan met grote stukken in de krant, verkopen meerdere oplages. Vraag je iemand die nooit poezie leest een dichter te noemen, gegarandeerd noemt hij dan Deelder of Dijkshoorn.
Van wie mag het niet een beetje begrijpelijk zijn? Van 1 of 2 professoren? Ach..
Twee soorten dichters, ik geloof er niks van. De meeste dichters zijn misfits, schrijven poezie die niet helemaal begrijpelijk en niet helemaal onbegrijpelijk is. Dat vind ik zelf een prettig huis om in te wonen.
Geplaatst door: leo hermens | 21-1-12 om 13:57
Goed gesproken!
Geplaatst door: koenraad goudeseune | 21-1-12 om 14:06
Ach, canonieke waardering blijft een kwestie van dronken worden in de cafés die er toe doen.
Geplaatst door: Cees van der Pluijm | 21-1-12 om 19:12
Op Facebook zegt Rutger Cornets de Groot:
"Ik zeg niet dat dat stuk van Heytze nou zo kwalijk is, maar het eist het recht op om een ruimte in bezit te nemen, eenvoudig omdat men dat wil, zonder zich daarover verder enige rekenschap te geven. Het verhaal dat men te vertellen heeft is de legitimatie. Bovendien moet er herkenbare poëzie worden geschreven: poëzie die de mensen dus bevestigt in hun lot, die geen poging doet om structuren (in de samenleving, in de taal, in de literatuur) eens anders te benaderen. Poëzie als drug. Voeg daar nog bij het vooroordeel en ongefundeerde wantrouwen tegen de academie (alsof je die nodig hebt voor Van Dixhoorn: nou ik niet) en je ziet duidelijk de anti-intellectuele strekking die als paraplu dient voor de smakeloze uitingen van Pfeijffer, Nanet c.s."
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 22-1-12 om 15:24
Volgens mij (en corrigeer me als ik het mis heb) zegt Heytze vooral: er moet helemaal niets.
Dat 'moeten' zuigt RCHdG weer eens uit zijn grote... ja, wat eigenlijk?
Geplaatst door: Bart FM Droog | 22-1-12 om 17:29
Er moet gelukkig niets, maar enige verongelijktheid (gebrek aan aandacht , erkenning, waardering)spreekt er wel uit.
Is die terecht?
Geplaatst door: leo hermens | 22-1-12 om 18:08
Nou, dat lijkt me sterk - Heytze behoort tot de succesrijkste dichters van zijn generatie.
Geplaatst door: Bart FM Droog | 22-1-12 om 19:09
Wat mij persoonlijk verbaast is die eeuwige tegenstelling tussen "begrijpelijk" en "niet-begrijpelijk". Voor niet-geoefende poëzielezers is bijna elk gedicht onbegrijpelijk. Die scheiding is meer iets van "het wereldje", lijkt me, meer dan van "de lezers".
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 22-1-12 om 19:45
Dat begrijp ik niet.
Geplaatst door: Bart FM Droog | 22-1-12 om 19:47
Misschien druk ik me wat ongelukkig uit. Wat ik bedoel is: Heytze kookt de aloude discussie over de verschillen tussen "moeilijke" en "gemakkelijke" poëzie nog eens op in dit stuk. Maar ik zie eigenlijk geen wezenlijk verschil tussen die twee. Veel "moeilijke" gedichten zijn (niet) prachtig, en veel "gemakkelijke" gedichten ook.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 22-1-12 om 22:03
Er zijn veel gedichten van bijvoorbeeld N. Wijnberg die ik niet begrijp. Soms 'begrijp' ik ze wel en dan vind ik ze prachtig. Ik 'begrijp' doorgaans alle gedichten van Heytze maar ik vind ze alleen maar soms prachtig. Volgens mij heeft de moeilijkheidsgraad daar niets mee te maken.
Geplaatst door: Niels van der Tuuk | 22-1-12 om 22:44
Heytze poogt hier academisch te schrijven tegen academisme in de poëzie. Het is voor beginnelingen in de deconstructie en anderen niet moeilijk korte metten te maken met zo'n pleidooi, maar ik ben geneigd het te laten rusten vanwege het entertainend gehalte. Anders zou ik zeggen dat Heytze onbewust doet wat hij anderen aanrekent: onderscheid ofwel stiefkinderen maken, goedbedoelende broeders en zusters in niches plaatsen. Onbewust, omdat hij niet weet wat belangrijke poëzie is, maar toch een voorkeur heeft komende laureaten (of krijgt-ie nog geld van ze?).
Interessant is de vraag of een dichter in staat moet worden geacht een gedicht te schrijven waarvan-ie zelf wakker wordt, zeg maar 'n gedicht dat staat als een WC-deur.
Geplaatst door: Jurgen Eissink | 23-1-12 om 0:56
Waar Heytze (en anderen) zich tegen afzetten, is elitaire poëzie waar slechts 'ingewijden' van genieten (omdat ze zich tot die elite rekenen). Laatst ben ik naar Perdu gegaan om nu eens te ervaren wat de poëzie van van Dixhoorn te bieden heeft. 'Men was lyrisch' en viel elkaar na afloop bijna huilend in de armen. Ik zat met een kater. Mij deed het allemaal denken aan het tehuis vol demente bejaarden waar mijn moeder toen zat: grote eenzaamheid, onbegrip en radeloosheid. Toen ik daar tegenover een aantal toeschouwers in de pauze een opmerking over maakte, werd dat een 'leuke opmerking' gevonden. Tja... Poëzie mag van mij best raken, maar als ik demente bejaarden voor mijn geest krijg en alle ellende van dien, valt er weinig te 'genieten' en voel ik mij na zo'n voorstelling allerminst verrijkt.
Poëzie is niet 'alleen' taalspel, je speelt ook met gevoelens. In het ene gedicht heeft gevoel de overhand, in de ander de taal, het woordenspel. Van mij mag het allemaal naast elkaar bestaan en dan het liefst 'ongekunsteld', door de maker zo gebracht dat het voor de lezer geloofwaardig is ongeacht of het helemaal te begrijpen is.
Geplaatst door: Ludy Roumen-Bührs | 23-1-12 om 1:20
Ja, Jurgen, ik vind van wel.
Geplaatst door: Bart FM Droog | 23-1-12 om 1:21
Volkomen zinloze discussie. Bepaalde poëzie spreekt de één wel aan, en de ander niet. Dat heeft evenveel te maken met het verschijnsel dat mensen elkaar wel of niet begrijpen in een discussie, in een beslissing, of wat dan ook. Natuurlijk zijn er bepaalde eisen voor goede poëzie, maar als deze eenmaal ingewilligd zijn, rest er niets anders dan een kwartje dat wel of niet valt. En zoals je sommige mensen beter begrijpt, en zelfs voelt, zo kun je soms ook geen touw vastknopen aan iemand, op welke manier dan ook. Ik zie poëzie dan ook meer als een literaire manifestatie van een bepaalde persoon. Uiteraard kun je taal-technisch dingen aanmerken op poëzie, verder is het simpelweg een kwestie van (o, het cliché) smaak. Critici die zich buigen over een dichter of bundel staan dikwijls lijnrecht tegenover elkaar, terwijl ze beiden hetzelfde verwachten van een goed gedicht. Dat moet dan wel puur zitten in het verschil aan opvoeding, referentiekader, gevoeligheid, ratio etc. Euh, wat mensen onderscheidt van elkaar, zeg maar.
Geplaatst door: Josse Kok | 23-1-12 om 1:51
Het hele onderscheid valt voor mij weg wanneer ik naar poëzie luister: dan blijft er voor mij enkel 'ondergaan' over en is het mij als het ware gelijk of ik Ingmar hoor of Dixhoorn (gebiedt mij de eerlijkheid te zeggen, dat als het op lezen zelf aankomt ik ineens niets meer met Dixhoorn kan -- maar ik herinner me een voordracht in Nijmegen van hem die mij al luisterende zijn werk deed begrijpen en waarderen (en onnodig deed maken het te lezen)).
Ik denk dat Ingmar hieraan refereerde toen hij voor een zaal/gezelschap eens zei (ik parafraseer, want ik hoorde het alleen, ik kan het niet nalezen): het gaat er mij niet om of mensen (mijn) gedichten begrijpen of niet, ik wil dat ze meegenomen worden.
Geplaatst door: Ruben van Gogh | 23-1-12 om 10:11
Blijkbaar wordt er in het begrijpelijkheidsspectrum wel hard onderscheid gemaakt. Ingmar noemt de ene poezie niet beter dan het andere, volgens mij, maar heeft wel zijn voorkeur. En lijkt vooral te vinden dat de onbegrijpelijken teveel eer toekomt.
Geplaatst door: leo hermens | 23-1-12 om 11:06
Heytze creeert hier wel een pracht van een stroman.
Geplaatst door: Joost van Baalen | 23-1-12 om 11:22
Het doet mij een beetje denken aan een willekeurig kruispunt in Nederland waarvan de stoplichten het niet meer doen. Kán iedereen es lekker voor zichzelf uitzoeken wanneer en hoe welke kant op te gaan, komt er voor je het weet een enthousiaste verkeersregelaar de hoek om scheuren die het verkeer gaat staan regelen.
Geplaatst door: Johanna Geels | 24-1-12 om 8:17
Heytze schrijft (in het eerste terzijde): "Ik heb, evenmin als een experimenteel dichter, geen idee wat ik eigenlijk wil zeggen als ik aan een gedicht begin." Ingmar, ik heb evenmin geen idee wat je in deze zin wilt zeggen. Je hebt je dertien jaar geleden in "het discours" over poëzie gemengd.
"...dat poëzie volgens mij entertainment is..." schrijf je en twee regels verder weer "volgens mij"; ja, volgens wie anders?? Je hebt al tien bundels geschreven (!) en en repeteert maar: "nog steeds, nog steeds, nog steeds, en steeds meer, steeds meer, ...
Je noemt een paar dichters en vindt ze niet slecht, maar de "kenners" die zulke dichters goed vinden zijn slecht.
Ik hoop dat je je gedichten zorgvuldiger schrijft dan dit slordige stuk proza.
Geplaatst door: wim zijlstra | 24-1-12 om 12:18
Er staat: 'Wat ik slecht vind, is het onevenredig grote belang dat aan hun poëzie wordt toegekend.' Dat is iets totaal anders dan: 'de "kenners" die zulke dichters goed vinden zijn slecht.' 'Slecht' slaat immers terug op 'belang'. Als ik het goed begrijp wil Wim Zijlstra me de les lezen over mijn 'slordige stuk proza', terwijl hij zelf niet in staat is om een zin van vijftien woorden te ontleden.
Geplaatst door: Ingmar Heytze | 24-1-12 om 15:09
Je hebt het in diezelfde alinea, Ingmar, over Nederlandse dichters die door kenners voor belangrijk worden versleten. En daarna schrijf je: "Wat ik slecht vind, is het onevenredig grote belang dat aan hun poëzie wordt toegekend." Door wie? vraag ik je. Door "de kenners" dus. En dat vind je toch slecht? Op de andere opmerkingen ga je voor het gemak niet in. Ik kan nog wel een poosje doorgaan.
Ten troost: Ik heb vandaag een mooi Utr-echt - gedicht van je gelezen. Eerlijk is eerlijk.
Geplaatst door: Wim Zijlstra | 24-1-12 om 21:37
Een beetje laat, maar dan toch.Een kleine redactionele suggestie m.b.t. het originele stuk. Daarin staat:
'Mede door deze voorkeur word ik nauwelijks geïnspireerd door de meeste Nederlandse dichters die door kenners voor belangrijk worden versleten.'
Mijn voorstel is dat de auteur hierin 'kenners' tussen aanhalingstekens plaatst/laat plaatsen. Dat zou heel veel verduidelijken en overbodige discussies voorkomen.
Geplaatst door: Bart FM Droog | 25-1-12 om 0:30
Dat lijkt me prima.
Geplaatst door: Ingmar Heytze | 25-1-12 om 1:25
Dan gaat dat bij deze gebeuren.
Geplaatst door: Bart FM Droog | 25-1-12 om 9:13