Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Het Vlaams Fonds voor de Letteren... | Hoofdmenu | Wat is literatuur? Het antwoord. »

22 januari 2012

Het eerste gedicht (47): Herlinda Vekemans

HerlindavekemansVandaag het eerste gedicht uit de derde bundel van Herlinda Vekemans, Schrikdraad geheten. Het gedicht heet 'Ariadnes klaagzang'. Dat verbaast niet, na bestudering van de flaptekst, die onder meer zegt dat de hele bundel "losjes is gebaseerd op de mythe van Ariadne en het labyrint waarin haar geliefde zich laat opsluiten om een moordzuchtig monster, de minotaurus, half mens, half stier te doden. (...) De bundel begint met een klaagzang van Ariadne nadat ze achtergelaten werd, en duikt dan in een flashback opnieuw het labyrint in."

Het gedicht werd eerder gepubliceerd als 'Gedicht van de week' in 2007, doorschoten met links naar allerlei websites - een toevoeging die in de papieren versie uiteraard moet ontbreken; maar het interessant om nog eens terug te bladeren en hier en daar inderdaad eens door te klikken. Vekemans gaf in 2007 een eigen richting aan het gedicht, dat door de links ineens leek te "gaan" over het geweld tegen vrouwen, maar daar kan ik nu, binnen deze reeks, niet a priori in meegaan. Ik ga proberen te lezen wat er volgens mij staat:

Ariadnes klaagzang

I
als bloed in natte sneeuw
verwatert in wit,
als in een vergiftigde rat
darmen in de buikholte doodbloeden
inwendig met ondergronds rot verwant
zo wist ik al
zo doorboorde jij mijn honger
met je vleugelwijde ogen
en woekerde je jezelf
mijn buikvlies in
licht dat sterft
als ieder als elk als ik

II
als water bij water
in oogneerslag verdunt
en sluimer in diepe slaap oplost
striem jij met riemen de zee
zing je tot de gordel van golven
als was ik niet
als was ik van ieder van elk

III
als sintels van verteerd vuur
van smeulend bewegen
hun licht legen
en zich als as aan de wind geven
doof dan ook mijn gedempte stem
elk weten is al ingesneeuwd
alle stiltes al gestelpt
en zachter dan jij is elk wild dier
opgekruld in het nest van elk van hen
had ik veiliger geslapen dan aan
jouw borst

De reeks doet me denken aan het gedicht 'Een kus in Ter Kameren' van Jos de Haes. Voor de Nederlandse lezers is het misschien niet slecht om Ter Kameren even te specifiëren. Het is een park in Brussel, dat daarom bos heet, want in Brussel pakken ze alles groot aan, een park dat ooit bij een abdij hoorde. Vandaar dat De Haes het in zijn gedicht kan hebben over "abt of abdis", maar ook over een "gelobde waterhoen". 

De Haes beweegt zich in het gedicht via een "splinterende lucht" en "alle onthalsden en verstikte pories" naar een "heilige pest der geschiedenis" om te eindigen met de magistrale strofe:

Bewegend lipvlees tegen been, 
aan alle kanten duwt het, 
jouw koude speeksel zuig ik, 
als het gaat gisten zal ik, 
het kan niet dat ik

Grammatica en woordkeus desintegreren, terwijl er toch sprake is van een zekere eenheid, of "zen". Het vers eindigt juist in het tegedeel van dat "splinterende", maar valt ondertussen wel uiteen. Het "bewegend lipvlees" en "het been" (het skelet?) raken elkaar, in een onmogelijke aanraking. Of misschien ligt het anders, en is de definitieve samensmelting pas op dát moment mogelijk. Ik weet het niet, maar het heeft er wel iets mee te maken allemaal.

Het gedicht van De Haes gaat, als je dat zo kunt zeggen, over wat de dichter onuitsprekelijk acht, hoewel hij er heel dicht bij komt, of lijkt te komen. Het park en de erbij horende abdij (die voor de religieuze kleuring zorgt) worden een labyrint, een weefsel van betekenissen en verbintenissen waarin hij verloren loopt, maar toch tot een versplinterde eenheid lijkt te geraken.

Ariadne uit het gedicht van Vekemans zit niet in het labyrint, maar ze weeklaagt over de persoon die in het labyrint is, - een persoon die haar niet heeft meegenomen. Anders dan De Haes eindigt niet elk deel van het gedicht met het woord "ik": Ariadne is meer gericht op de ander, op de persoon die haar achter laat, dan op zichzelf. Lijkt het. Ze eindigt met de wooden "ik", "elk" en "borst".  Hoewel deze strofe wel lijkt te wijzen op de wens om met de ander te versmelten:

zo doorboorde jij mijn honger
met je vleugelwijde ogen
en woekerde je jezelf
mijn buikvlies in

heeft dat versmelten meteen ook met woekering van doen, met wegvreten, met iemand ten eigen bate opvreten. Het is kannibalisme, ondanks die fraaie "vleugelwijde ogen".

In het gedicht zit beweging die Vekemans maakt, van "bloed in natte sneeuw" naar "water bij water" en "sintels van verteerd vuur". Bloed en water en vuur gaan allemaal op in iets groters, raken verdund, verspreiden zich; ze gaan in iets groters op. Dat maakt dit gedicht bij uitstek "vloeibaar", of misschien wel "splinterend": niets ligt vast. Bloed verdunt, water smelt en de vonken van het vuur regenen in as uiteen. Net als het gedicht, lijkt Vekemans ons (subtiel) onder de neus te willen wrijven, of net als de liefhebbende mens.

Ariadne klaagt of weeklaagt in dit gedicht, maar ondanks de beweeglijkheid van het gedicht is het geen weke of passieve klacht. Naar het einde toe haalt Vekemans de teugels eens flink aan: 

als sintels van verteerd vuur
van smeulend bewegen
hun licht legen
en zich als as aan de wind geven
doof dan ook mijn gedempte stem
elk weten is al ingesneeuwd
alle stiltes al gestelpt
en zachter dan jij is elk wild dier
opgekruld in het nest van elk van hen
had ik veiliger geslapen dan aan
jouw borst

"Hell hath no fury like a woman scorned" wil het gevleugelde woord, maar hier is iets anders aan de hand. Hier neemt de om een afwezige geliefde rouwende persoon het heft (opnieuw) in handen en vormt de geliefde om tot iemand bij wie je niet veilig bent. Door een bijna-agressieve daad van Ariadne kan de zichzelf tot dapperheid aanzettende held worden weggedaan, uit het systeem gestoten, net als bloed en water en vuur worden verdund; misschien kun je zelfs zeggen dat Ariadne Theseus definitief opsluit in het labyrint, door hem met woorden te slaan.

De mythologie (en dit gedicht) zeggen dat de held haar, ondanks een trouwbelofte, liet zitten. Dat versplintert (alweer een vorm van verdunning) haar wezen, maar tegen het eind van de klacht neemt de hoofdpersoon (en de dichter) het heft in eigen handen. Waar De Haes eindigt met een uitroep van machteloosheid, geeft de Ariadne in dit gedicht de held een trap na. Hij móét weg.

Dat doen beide dichters in een taal die wankelt op haar fundament en zoekt naar de grenzen van wat nog zegbaar is, maar toch voldoende gefundeerd is om tot in de puntjes en met groot vakmanschap te worden bestuurd. 

Reacties

Gert de Jager

Zelden ben ik het meer met je oneens geweest.

Ik zie in dit gedicht de taal absoluut niet wankelen op haar fundament – integendeel, ik zie een rotsvast vertrouwen in grote woorden en overgeleverde beelden. Van vergiftigde rat via honger naar licht dat sterft, van sluimer en diepe slaap naar een met riemen gestriemde zee, van sintels, as in de wind, gedempte stem en sneeuw naar slapen aan je borst. Niets in dit gedicht maakt de indruk te berusten op iets als een persoonlijke waarneming. Vekemans vereenzelvigt zich niet met Ariadne, maar met clichématige theatraliteit.

Bij Jos de Haes stokt de taal, stokt het gedicht en stokt er nog iets. Bij Vekemans zie ik in de eerste twee strofen een doordachte opsomming die probleemloos van interpunctie had kunnen worden voorzien; hetzelfde geldt voor de laatste strofe. Wat bij De Haes aangrijpend is, is bij Vekemans wat de titel van haar bundel suggereert: effectbejag.

Runa De Moudt

Ja, ik ga helemaal met Gert de Jager mee. Dit gedicht is zo nep als de pest. Dat van de Haes helemaal, helemaal echt.

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...