Of: Waarom ik bijna nooit een nummer van Awater koop
- Door Chrétien Breukers -
In zijn artikel 'Na de gouden jaren, Doet poëzie ertoe?', gepubliceerd in het onlangs verschenen jubileumnummer van Awater, gooit Herman Stevens een paar zaken uit de poëziegeschiedenis in de blender, duwt een paar minuten op de knop en serveert vervolgens een gladgestreken papje, waarin desalniettemin een paar vreemde, tamelijk grote klonten drijven. Die klonten wil ik graag even met u behandelen.
In zijn artikel, dat op vele gedachten hinkt, schetst Stevens eerst een beeld van de literaire wereld in de jaren tachtig, toen hij als beginnend schrijver samen met een collega-beginnend-dichter X (C.L. van Minnen) aan de grote mars richting de top van de Parnassus begon. Stevens was prozaïst, Van Minnen dichter (en later, veel later, nam ik werk van hem op in mijn Vette Breukers, maar dit terzijde). Dan schrijft hij:
"De Maximalen brachten een jonge-honderigheid terug in de poëzie, met als hoogtepunt, of dieptepunt, de avond waarop een teiltje oude vis over Michaël Zeeman werd gekiept, omdat hij zo'n negatief mannetje was. Dat was niet aardig, maar het was wel voor het eerst in tientallen jaren dat er iets gebeurde op een poëzieavond."
Dat er al "tientallen jaren" niets was gebeurd op een poëzieavond lijkt mij dus op zijn minst een geval van cocktailblindheid. Stevens ziet alleen de gebeurtenissen uit die goede oude tijd, toen hij zelf begon te schrijven, en raakt het zicht op "de" geschiedenis een beetje kwijt. Dat hij daarbij een "incident" rond Michaël Zeeman centraal stelt, is wel tekenend voor de harde jaren tachtig, waarin het respecteren van iemands lichamelijke integriteit (als ik ook eens een woordje jargon mag spreken) geen prioriteit had.
In een interview dat Sander de Vaan had met Joost Zwagerman (na te lezen op de website van Meander) kijkt de huidige plaatsvervanger van Pierre Janssen terug:
"Even over dat vis-incident. Dat was natuurlijk beschamend. Twee of drie maximale dichters moesten optreden in Delft. Daar zou ook Zeeman optreden, die toen inderdaad net een niet misse recensie over de bloemlezing Maximaal! had gepubliceerd. Ik dacht dat het Arthur Lava was die toen op het idee kwam om bij wijze van ludieke Dada-actie een teiltje vis over Zeeman heen te kieperen. Leuk om te verzinnen, maar heel vervelend als het je overkomt. Dat vond ik toen al, en ik vind dat nog steeds. Ik wist er ook helemaal niets van, van dat idee van die vis. Maar kennelijk had Michaël Zeeman redenen om aan te nemen dat ik de kwade genius was achter die vissmijt-actie, wat niet het geval was."
Tsja. Leuk om te verzinnen, maar heel vervelend als het je overkomt. Precies wat u zegt.
Stevens vaart voort: "De meeste Maximalen zijn inmiddels de vijftig gepasseerd, maar de poëziescene draagt nog steeds het stempel van die jaren. Een dichter moet street credibility hebben, en in de jaren rond de eeuwwisseling leek het er zelfs op dat dichters bankability hadden. Met de VSB-poëzieprijs en de verkiezing van de Dichter des Vaderlands kwam er een wedstrijdelement dat geregeld voor nieuwsmomenten zorgde."
Jammer genoeg verwart Stevens hier, in één alinea, street credibility, bankability en nieuwsmomenten... De meest recente winnaar van de P.C. Hooft-prijs, de generatiegenoot van veel Maximalen Tonnus Oosterhoff, bewijst in elk geval dat het niet bepaald op street credibilityaankomt, bij het winnen van prijzen en het aandacht trekken van een groter publiek (dan de gemiddelde 500-2000 lezers van een poëziebundel).
Eén VSB-prijs (van 25.000 euro, nog niet eens een modaal jaarinkomen) en één verkiezing maken echter nog geen hele beroepsgroep vet. Stevens lijkt zich hier te verkijken op de manier waarop de gemiddelde dichter zijn kostje bij elkaar moet scharrelen. Dat gaat niet met grote bedragen tegelijk. Toch schrijft hij:
"Belangrijk was dat er zoveel poëziefestivals en manifestaties waren (...) dat X gerust had kunnen doorgaan in de poëzie en dan had hij nog steeds meer verdiend dan een romanschrijver als ik. Ik verkocht dan wel meer boeken dan de meeste van mijn dichtende vrienden, maar sommigen van hen stapten wel twee keer per week op de trein om een stuk of wat gedichten voor te lezen. Alleen de best verkopende prozaschrijvers hadden zo'n drukke agenda."
Dat gaat op, maar wel voor een kleine bovenlaag van dichters. Dichters die het overal goed doen, en die organisaties er graag "bij" hebben. De meeste dichters moeten zich behelpen met een enkel optreden, zo nu en dan, maximaal tegen "standaardtarief" van de SSS, een bedrag van plusminus 260 euro. Het lijkt heel wat, maar als je de voorbereiding, de reis heen en de reis weer meetelt, wordt het uurtarief een stuk lager dan dat van de gemiddelde klusjesman.
In deze passage ziet Stevens overigens nog een ander, tamelijk wezenlijk aspect van de manier waarop de Nederlandse literatuur is georganiseerd over het hoofd. Een auteur kan namelijk behalve door optredens, ook geld verwerven via het aanvragen van werkbeurzen van het Letterenfonds. In 2010 kreeg Stevens zo'n werkbeurs (het bedrag is me onbekend) en in 2007 ontving hij 40.000 euro voor een te schrijven roman. Deel die 40.000 euro eens door 260 en dan zie je dat Stevens het, ondanks alle klachten, nog niet eens zo slecht heeft met een werkbeurs die hoger ligt dan de VSB-poëzieprijs.
Dan neemt het artikel een wending richting de cri de coeur die Bas Belleman in 2005 in Passionate publiceerde, en die hier nog is na te lezen. Stevens verzucht dat de roep om "relevantie" die Belleman de wereld in zond hem verbaast: "Raakt de dichtkunst in de mode, is het weer niet goed. Dat ze zich niet in het brandpunt van (de intellectuele discussie, CB; de eindredactie van Awater is om te huilen) bevond, was eerder iets om blij mee te zijn. Want door de bank genomen is die intellectuele discussie een mallemolen van misverstanden."
Dit aspect laat ik verder liggen, want anders blijven we bezig. Ik neig ernaar het in dit geval met Stevens eens te zijn, al is het maar de vraag of de warboel die Bellemans "essay" óók is nu, bijna zeven jaar later, nog boven water moet worden gehaald. De weg naar een "mallemolen van misverstanden" kun je ook plaveien met citaten uit artikelen waarin iemand de klok hoort luiden, maar de klepel kwijt is, of iets dergelijks.
Ik spring door naar een opmerking die Stevens maakt na zijn verzuchting dat de "gouden jaren" voorbij zijn. "Ook uitgeverijen worden voorzichtiger. In 2011 verschenen minstens tien titels die mogen gelden als poëziedebuut, al telt Allard Schröders debuut als dichter daarbij ook mee. Maar in datzelfde jaar waren er steeds meer verhalen te beluisteren van dichters van een zekere leeftijd wier manuscripten op de plank bleven liggen zonder enig uitzicht op een verschijningsdatum."
Beginnend onderzoek van Bart FM Droog en mijzelf wijst op een heel ander getal. Dat betekent dat de redactie van Awater zich helaas beroept op cijfers die niet kloppen. Jammer, want een precies beeld van het aantal bundels dat verschijnt wordt zo, zelfs door de in het leven roepers van een "vakprijs", niet gegeven. Alweer is er een "mallemolen van misverstanden" aan het werk, - ook over die "dichters van een zekere leeftijd" overigens. Maar dat is voer voor een ander artikel, net als de opmerkingen die Stevens plaatst bij de discussie die Ann de Craemer losmaakte.
Tegen het eind van zijn artikel begint Herman Stevens over Jeroen Mettes. Ach ja, Jeroen Mettes! De Lodeizen, Van de Kerckhove, Perk, Rodenbach en T'Hooft van de jongste generatie. Maar laat ik Stevens citeren:
"Verleden jaar verscheen het nagelaten werk van poëziecriticus en poète maudit Jeroen Mettes in gedrukte vorm, een tweedelige uitgave die laat zien dat het boekenvak nog niet alle hoop heeft laten varen. Alom klonk de verzuchting dat het zoveel beter zou zijn voor de dichtkunst als er meer critici waren zoals Mettes. En dan neem ik aan dat het niet ging over diens gimmick om van elke dichtbundel alleen het eerste gedicht te pakken."
Alom klonk? Waar dan? In een heel kleine kring, getrokken rond zeg drie of vier mensen die hun hoedje diep afnamen voor Mettes. Dat is iets anders dan "alom". Alom klonk er vooral helemaal niets over Mettes, wat niet zo verwonderlijk is: zijn proza is een kruising tussen de zangkunst van Bianca Castafiore en een zingende zaag en alleen geschikt voor "enkle fijne luiden", en dat zijn niet eens fijne luiden. Dat zijn mensen die er niet voor terugschrikken om Mettes met terugwerkende kracht tot hun intellectuele vuurtoren uit te roepen. Zelf kan de arme jongen zich niet meer verdedigen.
Door, we moeten door! "Anders dan de poëziecritici in dag- en weekbladen, ging Mettes in op de ideeënwereld van het gedicht. Dat was nieuw. Al tientallen jaren zien alle poëzierecensies in de reguliere pers er eender uit. Een lappendeken van citaten met een voice-over van de recensent, die het kennelijk niet aandurft om zijn eigen verhaal over de bundel in kwestie te vertellen. Dichters roepen al jaren om een poëziekritiek die meer is dan een APK-rapport, en het vreemde is, al die recensenten zijn zelf ook dichter. Toch verandert er niets."
Daar hebben we de "tientallen jaren" weer. Ik wil het best eens zijn met Stevens stelling dat de poëziekritiek in "de reguliere pers" naatje is, maar toch, maar toch... Ik herinner me van net voor en tijdens Maximaal! de kritieken van Wiel Kusters in de Volkskrant. Een groot Kusters-fan ben ik niet, maar zijn recensies waren wel degelijk vakwerk. Met een "eigen verhaal". Kees Fens schreef regelmatig over poëzie, zeker in de jaren tachtig nog.
De dichter H.H. ter Balkt was korte tijd poëzierecensent in Het Parool, en zijn stukken waren zeker niet doorsnee, of APK-gerelateerd. Zo kan ik nog wel even doorgaan, tot en met (zelfs) Ilja Leonard Pfeijffer, Philip Hoorne en ja, zelfs Peter de Boer. Volgens mij haalt Stevens hier twee dingen door elkaar: het gegeven dat de gemiddelde krant geen interessante poëzierecensent durft aan te stellen: voor je het weet worden die stukken driftig gelezen en kom je niet meer van deze passant af.
De "reguliere media" hebben de poëzierecensie nagenoeg geschrapt. Dat is wat er mis is met de relatie tussen "de" poëzie en "de" media. De situatie is verrassend eenvoudig op te lossen. Stel eens een eh... tsja, leuke, of interessant schrijvende chroniquer aan, en geef hem minimaal eens om de twee weken een redelijk podium om zijn zegje te doen. De lezers volgen, bijna zou ik zeggen: de lezers volgen vanzelf. Daar heb je geen Jeroen Mettes bij nodig.
Stevens eindigt zijn artikel zo: "Mettes liet al zien dat het internet de ideale plek is om poëzie op eigenzinnige wijze te bespreken. Dat zou een mooie toekomst zijn. De nieuwe poëzie blijft een papieren domein. Maar de nieuwe kritiek verhuist naar het net."
Of de nieuwe poëzie inderdaad een papieren domein blijft, is nog maar te bezien. Ik denk het ook, maar ik durf de toekomst van de papieren bundel niet te voorspellen. Een bundel vertegenwoordigt een zeer klein segment in de hele "retail", maar als eindproduct van een afgelegde dichterlijke weg is hij (voorlopig) inderdaad onvervangbaar.
Misschien komt er binnenkort meer ruimte voor e-bundels en andere web-gerelateerde initiatieven, maar dat vereist een nieuwe houding van het hele weefwerk van uitgevers, kopers én fondsen (die sommige dichters ondersteunen).
Dat de "nieuwe kritiek" naar het web verhuist, is voorlopig een gotspe. Alléén Poëzierapport, een initiatief dat vakkundig de nek om wordt gedraaid door het Vlaams Fonds voor de Letteren, volgt consuequent de Nederlandstalige poëzie, voor de rest zijn poëzierecensies op het web onderdeel van een digitaal weefwerk van mensen die hun literaire macht hebben getransporteerd naar een digitale omgeving, in de hoop op, ja, op wat?
Samenvattend: Herman Stevens probeert een overzicht te geven van hoe "de" poëzie er voorstaat. Hij doet dit met te weinig kennis van zaken en hij gooit te veel zaken op een hoop, of mixt ze samen in één blender. Dat is jammer. Nog jammerder is het, dat dit artikel verschijnt in een blad dat zich op poëzie zegt te richten: de redactie die het heeft opgenomen is blijkbaar niet in staat om de zwakke plekken in het stuk te signaleren.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Goed gesproken!
Geplaatst door: koenraad goudeseune | 16-1-12 om 12:04