Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Recht op wederhoor | Hoofdmenu | Digitale vernietiging VPRO? [+reacties] »

11 december 2011

Poëzierapport: Paul Demets

Demets

Een opmerkelijke recensie van Willem Thies, die uitmondt in deze oproep: "Ik grijp deze gelegenheid aan om te pleiten voor een herwaardering van de schoonheid in de (dicht)kunst. Een revival. Een comeback."

De bloedplek van Paul Demets problematiseert onze identiteit: waardoor worden we bepaald, hoe verhouden we ons tot de ruimte waarin we ons bevinden en bewegen, geven wij deze ruimte vorm, of is het andersom: geeft zij óns vorm?

Hébben wij een lichaam (behoort het ons toe), of zijn wij ons lichaam, vallen wij ermee samen?

In hoeverre determineren onze reflexen of onze zintuigen wie wij zijn? En als het de waarneming is die ons (mede) ‘construeert’, belanden we vanzelf bij onze directe omgeving, de ruimte die ons omgeeft: hetzij een contingente ruimte (waar wij ons op zeker moment nu eenmaal bevinden), hetzij een meer noodzakelijke, met ons verbonden ruimte: ons ‘thuis’.

De bloedplek handelt over zulke existentiële vraagstukken als vertrouwdheid en vervreemding, toe-eigening en onthechting, ‘misplaatstheid’ en ‘op je plek zijn’.

Talloze ruimtes passeren de revue: een kledingzaak, een fitnesscentrum, een kapsalon, een kamer, een wasplaats, een nieuw huis, een tuin, een spiegel. In laatste instantie kan natuurlijk het lichaam zelf als een ruimte worden gezien, onder te verdelen in subruimtes: ‘De kruipruimte van zijn buik, het gangenstelsel van zijn stem’.

Soms lijkt het lichaam ons te ‘ontglippen’, met ons aan de haal te gaan – lijken lichaamsdelen zelfstandig te opereren, alsof ze niet centraal ‘bestuurd’ worden vanuit een hecht geïntegreerde persoonlijkheid: ‘Mijn handen wandelen de randen af.’ Dit werkt vervreemdend.

Daarbij, wat is ons lichaam eigenlijk? Zijn wij er volkomen mee te identificeren? De woorden ‘Een lichaam sjouwen’ suggereren het tegendeel: het lichaam staat als het ware ‘buiten ons’, we vallen er niet mee samen, maar hébben het, torsen het mee, ervaren het als een last.

Paul Demets schrijft in een verleidelijke, verfijnde, elegante stijl. Zijn gedichten zijn rijk aan klankverwantschappen als middenrijm, binnenrijm, alliteratie en assonantie. Demets’ poëzie is bovenal móói en welluidend.

Hier en daar iets té mooi, naar mijn zin – dan lijkt zij een keurig op maat gesneden pak, een jurk van fijne zijde. Netjes en naadloos. Onberispelijk afgezoomd.

Te veel schoonheid wekt woede op. Je zou de jurk uiteen willen rafelen, aan flarden scheuren. Je zou poëzie willen lezen die steekt, wroet en wringt.

En tegelijk juich ik meer schoonheid in de poëzie toe. (Já, ik ben een ambivalent mens – de volmaakte melodie en compositie, technisch perfect versus het ruwe, ‘onafgewerkte’, het ‘oerkrachtige’, ‘punkrock’.) Want al te vaak wordt er minachtend gesproken over poëzie die ‘vooral mooi’ is of wil zijn, waarbij dat dedain obligaat vergezeld gaat van de programmatische en grijsgedraaide regels van Lucebert: ‘in deze tijd heeft wat men altijd noemde / schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand’.

Deze uitspraak dient nu eens eindelijk gehistoriseerd te worden. Er staat niet voor niets ‘in deze tijd’. Ik durf te beweren dat anno nu weinig dichters nachtenlang badend in het zweet wakkerliggen, denkend aan de Holocaust, de verschrikkingen aan het oostfront en het moreel failliet dat de Tweede Wereldoorlog teweegbracht. Sterker, ik durf te beweren dat de meeste dichters jonger dan vijftig jaar nauwelijks ooit aan de Holocaust of Tweede Wereldoorlog dénken, laat staan dat deze episode hun mens- en wereldbeeld in aanzienlijke mate heeft gevormd en hun handelen tot op de dag van vandaag bepaalt.

Ik grijp deze gelegenheid aan om te pleiten voor een herwaardering van de schoonheid in de (dicht)kunst. Een revival. Een comeback.

Natuurlijk hoeft dit geen verheven schoonheid te zijn, goddank niet! Spaar me. Maar... een zekere schoonheid: duister, rauw, desnoods bruut of gruwelijk. Een zekere erotiek of sensualiteit van de (dicht)kunst, bij voorkeur een donkere sensualiteit.

Poëzie dient niet ‘alleen maar’ of ‘uitsluitend’ mooi te zijn, maar zij moet wel (of kán) op zijn minst mooi zijn.

Al te vaak is niet de schoonheid vrijblijvend (zoals ‘haar tegenstanders’ beweren), maar deze uitspraak van Lucebert in het huidige tijdsgewricht – ze wordt er aan de haren bijgesleept, volkomen misplaatst (met deze term doel ik ook op het feit dat de woorden van Lucebert in de context van de tijd moeten worden gezien, ofwel: ‘gehistoriseerd’ moeten worden). Net als de uitspraak van Adorno: ‘nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch’. Ook deze quote wordt te pas en te onpas gebruikt, en gepolitiseerd, ingezet tegen een bepaalde poëtica, of juist ten faveure van een andere.

Veel dichters ‘willen’ geen mooie poëzie schrijven, omdat zij geen mooie poëzie kúnnen schrijven. Zij beweren geen schoonheid te kunnen verdragen omdat zij geen schoonheid kunnen voortbrengen. Het is een gebrek en tekortkoming, listig vermomd als morele overtuiging.

Een groot deel van de dichters (een forse minderheid in ieder geval) is nu eenmaal een armoedig stilist (lees: géén stilist). Hun stijl is kreupel, krukkig en krakkemikkig.

Paul Demets is, godzijdank, een stilist. Dat zijn poëzie hier en daar neigt naar mooischrijverij doet daar niets aan af.

PS: Het is alleen jammer dat Demets er een handje van heeft de ene na de andere uitdrukking uit de kast te trekken, zodanig dat ze in die specifieke setting en context (ook) letterlijk gelezen kunnen worden. Uit het gedicht ‘Pak’, gesitueerd in een kledingzaak: ‘Jij de gewervelde, jouw op de mouw gespeld pak (...) Jij van je sokken, de rek erin. (...) Zij die aan haar laars lapt, zet tijd een hak. En uit het gedicht ‘Fitness’: ‘Wiegt de schoot die ontketent ijzer op ijzer en krijgt hij vaste voet, veegt de vloer aan met op zijn tellen.

Persoonlijk ben ik – een enkele, welgekozen en welgeplaatste, uitzondering daargelaten – geen groot liefhebber van dergelijk ‘spitsvondig’ taalspel.

Maar het is slechts een kleine smet op de fraaie, stilistisch sterke, vervoerende bundel die De bloedplek van Paul Demets is.     

Recensent: Willem Thies 

De bloedplek – Paul Demets
De Bezige Bij, Amsterdam, 2011
ISBN 97890 234 6529 4 - € 16.50

 

Reacties

Abe de Vries

"Veel dichters ‘willen’ geen mooie poëzie schrijven, omdat zij geen mooie poëzie kúnnen schrijven."

Een steen in den vijver. Bravo.

Martinus Benders


Beetje kort door de bocht, die opmerkingen over schoonheid. De basale ontwikkelingen in de 20e eeuw gingen niet over 'dat je geen mooie dingen meer mocht maken' maar juist over dat je het begrip 'schoonheid' veel breder kon definieren - niet alleen de schoonheid van topmodellen zien, maar ook de schoonheid in oudere vrouwen, de schoonheid in 'het lelijke' - daarom schilderde picasso vrouwen vaak als monsterachtige schepsels - het heeft te maken met een ANDER schoonheidsideaal, een ideaal dat zegt dat alles mooi kan zijn, niet alleen bloemen maar bijv. vuilniszakken ook.

Om dat nu te verkopen als 'dichters willen geen mooie poezie schrijven' - volgens mij wil iedereen dat wel, volgens zijn eigen schoonheidsdefinitie. Dat ze het meestal niet kunnen en dat de meesten stilistisch zeer hakkelend zijn klopt natuurlijk, maar dit hele 'terug naar de schoonheid' praatje is een beetje belegen.

Gert de Jager

Eens met Benders.

Bovendien: een minstens zo invloedrijk dichter als Lucebert was Faverey. Voor hem vielen waarheid en schoonheid, van sneeuwuil tot ijsvogel, op een bijna Platonische manier samen.

Er zijn vast matige dichters die te veel weerklank vinden. Ik zou wel eens aangetoond willen zien dat de adagia van Lucebert en Adorno daarbij een rol van betekenis spelen. Geldt het voor Lucas Hüsgen? Voor Armando? Voor Jacques Hamelink? Over hun stijl valt het nodige te zeggen, maar niet direct dat die ‘kreupel, krukkig en krakkemikkig’ is.

Buiten die drie ken ik maar eigenlijk één min of meer serieuze dichter die regelmatig de Tweede Wereldoorlog te berde brengt en dat is Thies zelf. Niet in zijn poëzie, maar in ellenlange verhandelingen op deze site. Te pas en te onpas en in zijn hoogsteigen hang- en sluitproza. Het komt vast niet vaak voor, maar in dit geval is het vooral de recensent die zijn stelling bewijst.

Case


Volgens mij wilde Picasso met die portretten van Dora Maar - de vrouw waarvan je zou kunnen zeggen dat hij die als een 'monsterachtig schepsel' heeft geschilderd - helemaal niet de schoonheid van het gruwelijke laten zien; volgens mij wilde hij het gruwelijke laten zien, of, als dat beter klinkt: het gruwelijke van het gruwelijke. Of het sadistische van het gruwelijke.
Op de een of andere manier zie ik hem nou niet bepaald als het type dat een beetje wazig naar een vuilniszak staat te kijken en dan een beetje verschoten gaat staan mompelen dat zoiets 'ook best mooi' kan wezen. Lijkt me meer iets voor de jongens van de Nul - weer een heel andere basale ontwikkeling.

Is er nog iets op NG?

Martinus Benders


Dingen laten zien is uberhaupt een schoonheidsmechanisme. Uiteraard zal een horrorfilmregisseur nooit zeggen 'ik wil de schoonheid van de gruwel laten zien'. Dat klinkt niet bijzonder stoer, en stoerheid is waar het uiteindelijk allemaal om draait, maar feit blijft dat die film gewoon past bij zijn idee van schoonheid: hij denkt dat het 'mooi' is de rauwe, naakte, lelijke 'waarheid' te laten zien. Net als Thies denkt dat het heel mooi is om gedichten over meoielijke onderwerpen als de tweede wereldoorlog te schrijven - het zijn allemaal primair schoonheidsdefinities. Piet Gerbrandy vindt het idee mooi dat je rauwe seks en poezie kunt combineren, Erik Lindner vindt het idee mooi dat je minimalistisch kunt doen met veel retorische camerabewegingen, etc etc iedereen hanteert zijn eigen schoonheidsdefinities, dus als je zegt 'terug naar de schoonheid' zeg je niet iets bijzonder nuttigs. Iedereen is al volgens zijn eigen definities met schoonheid bezig.

Abe

Als ik me niet vergis, houdt Thies een notendop-pleidooi voor stijl. En als ik me niet vergis, signaleert hij dat er dichters zijn die stijl minachten, omdat ze er zelf geen hebben. Dan komen ze aanzetten met Adorno en Lucebert, willen ze "schoonheid" (lees: stijl) als passé zien en niet alleen uit hun, maar ook uit "de" poëtica verbannen. Thies' kritiek is interessant, al zou een aantal voorbeelden welkom zijn geweest.



Martinus Benders


Abe, je kunt toch niet zomaar woorden als 'schoonheid' en 'stijl' als synoniemen gebruiken? Dat zijn helemaal niet dezelfde zaken.

Gert de Jager

En Abe, die dichters die stijl minachten omdat ze er zelf geen hebben – hebben die iets bereikt? Bij welke lezers dan?

Heel af en toe kom je in sommige kroegen wel eens van die types tegen. Vijf jaar later werken ze in de ict en lopen ze achter de kinderwagen.

willem thies

Toch jammer dat hier uitsluitend, of met name, Martijn Benders en Gert de Jager reageren. De eerste reageert, doorgaans, niet eens om zijn gelijk te behalen, maar om tegen te spreken - ongeacht de naar voren gebrachte stelling.
De tweede heeft het charisma van... een bleke docent: een man, klein, dik, met onbemand gezicht, die keek alsof hij Ron of Gert moest heten. En alles wat hij dacht was mij bekend: belasting, voetbal, Emma, missverkiezing, broccoli, koffiefilters - heel zijn mond een dunne brief vol blanco levensdrift.

Zoals Abe zegt, houd ik een pleidooi voor 'schoonheid', en, daarmee verbonden, voor stijl.

Wat jij doet, Martijn, is 'schoonheid' zo ver oprekken, zo 'verbreden', dat ze geen betekenis meer heeft. Natuurlijk mag jij vuilniszakken, of een niet doorgespoeld toilet, ook scharen onder de term 'schoonheid', maar dan verwater je deze term tot iets zeer... slaps.

Je kunt dan ook zeggen: 'dingen', of 'alles', of 'willekeurig wat'.

Misschien had ik erbij moeten zeggen (en dat doe ik bij dezen) dat ik liefst 'schoonheid' zie in poëzie/kunst *tezamen met* 'kracht'/'intensiteit'. Schoonheid en kracht in één. Te vaak ontbreekt een van deze twee polen, en ontbreekt dus de spanning/spankracht in de poëzie - de erotiek, de sensualiteit. Zoals 'Todesfuge', van Paul Celan, een gedicht nota bene over de Holocaust. Celan maakt zeer effectief gebruikt van poëtische middelen, en hij is een groot stilist. Ook de poëzie van Lucebert, niettegenstaande zijn programmatische uitspraak, is natuurlijk bij uitstek móói, van grote schoonheid - én krachtig. Lucebert spreekt zichzelf dus (en gelukkig maar!) tegen.

Verder: Gert, bleke docent, als je de moeite had genomen om mijn bespreking van Armando's 'Ze kwamen' (enige tijd geleden op De Contrabas geplaatst) te lezen, had je kunnen zien dat ik niet vind dat dit voor Armando geldt - ik verwijt hem niet een gebrekkige stijl, of iets in die geest. Sterker, ik heb zijn poëzie welluidend genoemd, en en vind haar getuigen van grote schoonheid. Dat noemde ik juist een paradox van zijn werk - hij die een groot wantrouwen koestert jegens schoonheid (in de Natuur, het landschap, en ook de kunst/poëzie) schrijft juist heel mooie poëzie. En krachtige poëzie.

Hamelink: nee, geen stilist, zijn poëzie neigt naar kitsch. Misschien is zijn stijl niet krakkemikkig, kreupel, krom, etc., maar het is... kitsch, hol, ijdel. Hamelink is, ik herhaal het, géén stilist.

Schoonheid én kracht/intensiteit: Ter Balkt.

Nog wat namen, van (in mijn ogen) stilisten: Menno Wigman, Mustafa Stitou (bij Stitou is vooral de *toon* van groot belang; bij hem is er geen sprake van een vermenging van registers, een afwisseling van toon; in zijn gedichten klinken vele tonen in één, tezelfdertijd, de 'sluipende' toon van Stitou, onmiskenbaar, eigen).

En nog enkele stilisten: Maurice Buehler, Eva Cox, Maria Barnas en ook wel Hester Knibbe.

Het zijn uitzonderingen:

Er zijn ook genoeg niet-stilisten (gebrekkige, armoedige stilisten; dichters die houterig, hoekig en onbeholpen schrijven): Wiljan van den Akker, Hesselink, De Jager.

Dan zijn er ook vele dichters die te vaak hetzelfde procedé volgen, hetzelfde trucje/kunstje vertonen, in de herhaling vallen: zelfs goede dichters als Arjen Duinker en K. Michel ontkomen hieraan niet. Ook F. Starik, helaas.

Overigens, schoonheid zónder die kracht/intensiteit vind ik ook... niks, dan is de schoonheid impotent, weerloos, week, zijig, te... timide. Maar enkel brute kracht, zonder enige schoonheid, waardeer ik evenmin. Liever een Muhammed Ali dan een sloper zonder enige stijl, charisma, elan, esprit. Maar schoonheid zonder... energie, robuustheid, kracht... is week en verwijfd. Is inderdaad enkel 'esthetisch'.

En, Gert, bleke docent, óók in mijn poëzie heb ik geschreven over de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust (debuutbundel), en ook de Eerste Wereldoorlog (tweede bundel); simpelweg omdat ik de Holocaust, en de wereldoorlogen, dé bepalende gebeurtenis vind - de allergrootste, gruwelijkste, huiveringwekkendste gebeurtenis. 'Actueel' engagement vind ik minder 'urgent' - dat leidt tot 'journalistieke' poëzie, gelegenheidspoëzie, 'Dichter bij de dag'-gedrochten.

De aanslag op de Twin Towers was... precies dat, een *aanslag*, zeer effectief, weliswaar, maar geen *aanval*, laat staan een 'aanval op zoiets abstracts als de democratie of vrijheid'. Het was een keiharde mokerslag, een zeer ernstige schending en krenking van Amerika's trots en gevoel van veiligheid, vergelijkbaar met 'de overval' op Pearl Harbour; het was geen ijkpunt, geen breukpunt, zoals de Holocaust en de wereldoorlogen; dát zijn existentiële gebeurtenissen, werkelijk mens- en wereldbeeld schokkend, de aanslag op de Twin Towers níet.

Spreek ik mezelf nu tegen? Nee, ik heb het in mijn stuk niet over mezelf. Daarbij heb ik geschiedenis gestudeerd, het is niet vreemd dat ik *historisch* geëngageerd ben, en niet 'in de waan van de dag' leef. Ieder zijn eigen, persoonlijke engagement. Ja, Gert, ik ben wel degelijk gepreoccupeerd met de Holocaust en de wereldoorlogen.

Martinus Benders

"Wat jij doet, Martijn, is 'schoonheid' zo ver oprekken, zo 'verbreden', dat ze geen betekenis meer heeft. Natuurlijk mag jij vuilniszakken, of een niet doorgespoeld toilet, ook scharen onder de term 'schoonheid', maar dan verwater je deze term tot iets zeer... slaps."

Nee, dat denken bepaalde mensen die zo'n voorgeprogrammeerd nauw schoonheidsbeeld hebben. Het is overigens geen kwestie van 'definities' maar een van ervaring en het programmeren van ervaring. Het is zinloos 'schoonheid' even anders te definieren, omdat de achterliggende programmatuur hetzelfde blijft. Daarom kan bijvoorbeeld iemand die zijn hele levn al alleen blonde meisjes met sproeten en paardenstaarten 'mooi' vind niet direct de schoonheid van oudere vrouwen inzien, zelfs niet al 'definieert' hij even de definitie anders. Hier komt iets anders om de hoek kijken, namelijk dat je je wereldbeeld alleen kan wijzigen door intens te experimenteren. Juist dat experiment doet ter zake, maar bestaat niet meer. Het is vervangen door een klasse formalistisch-experimentelen die alleen op de meest formele wijze aan 'experiment' doen - zij bootsen feitelijk 'experiment' na, maar het is een hol vat. Het werkelijke experiment gaat altijd om het radicaal wijzigen van je eigen waarneming - beter leren kijken, het vernietigen van alle schoonheidsbegrippen om juist de echte schoonheid te kunnen waarnemen, niet die voorgebakken schoonheid in je hoofd. Dat zijn dingen die ter zake doen. Terugkeren naar een of andere nauwere schoonheidsdefinitie is niet alleen zinloos maar totaal contraproductief.

willem thies

Maar Martijn, ik heb het juist niet over dergelijke banale, platte of steriele schoonheid. Noch hanteer ik een 'enge' opvatting van schoonheid.

Ik zeg onder andere:

'Natuurlijk hoeft dit geen verheven schoonheid te zijn, goddank niet! Spaar me. Maar... een zekere schoonheid: duister, rauw, desnoods bruut of gruwelijk. Een zekere erotiek of sensualiteit van de (dicht)kunst, bij voorkeur een donkere sensualiteit.'

Etc.

Verder zeg je wel interessante dingen over het experiment - maar dat was niet mijn inzet. Ik heb het over schoonheid, en in hoeverre de stijl daaraan bijdraagt. Ik heb het niet over de *vorm*.

Gert de Jager

De stelling was dat beroerde stilisten een beroep doen op Lucebert en Adorno om hun manco’s te rechtvaardigen. Tussen alle scheldpartijen en haakjes door – ‘stijl’ – is dat nog steeds niet hard gemaakt.

Martinus Benders


Je stelling klopt niet omdat 'terug naar de schoonheid' onmogelijk is voor mensen die in de schoonheid leven, en als antigif tegen het postmodernisme is het ook nutteloos, omdat postmodernisme juist de toestand is waarbij er duizenden schoonheidsdefinities naast elkaar bestaan. Naar welke moeten we dan terug? Naar die van jou? Dat schiet natuurlijk niet op. Het enige antigif dat wel helpt tegen het postmodernisme is te stellen dat elke beperkte schoonheidsdefinitie in principe verwerpelijk is.

Gert de Jager

Het is, om er dan toch maar even uitvoeriger op in te gaan, meer dan zomaar een opinie die Thies verwoordt. Er zijn ‘veel dichters’ die volgens hem geen mooie poëzie willen schrijven omdat ze het niet kunnen. Die dichters ‘politiseren’ uitspraken van Lucebert en Adorno; ze gebruiken ze in een poëticaal debat. Gebreken en tekortkomingen worden ‘listig vermomd als morele overtuiging’.

Wanneer hij uitgedaagd wordt om zijn stelling hard te maken, gaat Thies niet alleen over tot zijn obligate scheldpartijen, maar noemt hij ook namen. Gezien het feit er veel hypocriete dichters zijn met een beroerde stijl moet dat niet moeilijk zijn. Hij noemt er drie: Van den Akker, Hesselink en De Jager. Verder is er nog een aantal dichters op wier stijl hij uitgekeken is: Duinker, Michel en Starik.

In zijn door Abe de Vries hartelijk verwelkomde artikel veronderstelt Thies dat er veel dichters zijn die hun onmacht verhullen door zich te verschuilen achter de grote tragedie van de twintigste eeuw. Van Van den Akker, Hesselink en De Jager heb ik wel eens wat gelezen. Noch in hun poëzie, noch in hun poëticale uitspraken is me ooit opgevallen dat ze zich op het verbrande gezicht van de schoonheid of het schrijven van poëzie na Auschwitz beroepen. Voor wat dan ook. Ook in lovende kritieken op hun werk kwam ik zoiets niet tegen. Het is ook onzin. De enige bij wie het opkomt om een Godwinnetje te plegen voor een poëticaal gelijk is Willem Thies.

Met zijn scheldpartijen, met de beroerdste prozastijl van Nederland, met de morele modderpoel die onder zijn hersenpan schuilgaat, is Willem Thies misschien niet de eerst aangewezene om een pleidooi te houden voor een herwaardering van de schoonheid. Of misschien juist wel.

willem thies

@Gert.

1. Mag ik je eraan herinneren dat jíj in je reactie begon met beledigen. Nodeloos, en... stijlloos.

Ik citeer: 'Buiten die drie ken ik maar eigenlijk één min of meer serieuze dichter die regelmatig de Tweede Wereldoorlog te berde brengt en dat is Thies zelf. Niet in zijn poëzie, maar in ellenlange verhandelingen op deze site. [Met name: het volgende:] Te pas en te onpas en in zijn hoogsteigen hang- en sluitproza. Het komt vast niet vaak voor, maar in dit geval is het vooral de recensent die zijn stelling bewijst.'

2. Verder zeg je: 'Wanneer hij uitgedaagd wordt om zijn stelling hard te maken, gaat Thies niet alleen over tot zijn obligate scheldpartijen, maar noemt hij ook namen.'

Ik was niet van plan namen te noemen, dat leek me niet nodig; maar Abe vroeg erom, en een verzoek van hem wil ik wel honoreren.

3. Het is van belang onderscheid te maken tussen recensenten/critici en dichters. Ik beweer dat veel dichters *onmachtig* zijn; geen mooie poëzie kúnnen schrijven, geen stilisten zijn; én er zijn recensenten/critici die lelijke, 'rauwe' poëzie toejuichen, regelmatig - inderdaad - met als argument een verwijzing naar die regel van Lucebert; of iets in die geest: na de Tweede Wereldoorlog/de Holocaust wordt schoonheid niet meer 'gewaardeerd', 'mág' schoonheid niet meer; zou schoonheid onethisch, onkies zijn, en 'lelijke' poëzie beter.

Ik weet niet precies welke recensenten/critici, het was niet mijn opzet een geannoteerd essay te schrijven.

In ieder geval valt te denken aan Piet Gerbrandy.

Volgens mij hoorde ik ook dergelijke geluiden bij de receptie van 'gemraad slasser d.d.t.' van Robert Anker, 'eigentijds-"lelijke"' poëzie.

Misschien dat een andere recensent/criticus die zoiets wel eens gezegd zóú kunnen hebben, Pfeijffer is, al denk ik dat hij daar, net als Lucebert, dubbelzinnig in zijn geweest. Pfeijffer wil juist taalvuurwerk.

Ik heb het meermaals gehoord, die waardering van 'lelijke' poëzie, en regelmatig met referentie aan Lucebert/Adorno, bij wijze van argument.

Maar, Gert, gelieve onderscheid te maken tussen de gebrekkige stijl van veel dichters; en de waardering van 'lelijke' poëzie bij enkele critici/recensenten.

willem thies

Zelf ben ik overigens helemaal niet tegen 'rauwe' poëzie, ik waardeer haar juist. En evenmin ben ik tegen 'mooie' poëzie, an sich.

Maar liefst zie ik het spanningsveld, zoals ik al opmerkte, tussen schoonheid aan de ene pool en ('ruwe') kracht, intensiteit, energie aan de andere. Géén eenzijdig (uitsluitend) mooie poëzie, evenmin enkel krachtige, rauwe, 'lelijke' poëzie.

Om het in muziektermen te zeggen: ik houd van de 'ruwe', energieke, vitale, 'rauwe', 'oerkrachtige' punkrock, maar ook van een mooie melodie, wie weet de volmaakte melodie, de welluidendheid van de perfecte popsong (of een klassiek stuk); noem het voor mijn part appolinisch en dionysisch, béíde polen, die dialectiek of spanning.

Martinus Benders


Niet om het een of ander, maar de mensen die beweren dat Adorno schreef dat het onmogelijk is om na Auswitz poezie te schrijven zijn halve gares die niet kunnen lezen. Doet me denken aan dat nepcitaat van Churchill waar die subsidiebeweging de relevantie van zichzelf dacht mee te kunnen aantonen. Wat Adorno echt schreef is:

"The critique of culture is confronted with the last stage in the dialectic of culture and barbarism: to write a poem after Auschwitz is barbaric, and that corrodes also the knowledge which expresses why it has become impossible to write poetry today."

Hij zegt dus dat de kultuurkritiek in zijn laatste fase is gekomen, en nu geconfronteerd wordt met die houding, dat poezie na auswitz onmogelijk is geworden.

Dat krijg je nou van die 'knip en plak' cultuur. Geen cent instoppen, is mijn advies.

Gert de Jager

Omvang en haak- en sluitwerk zijn feitelijkheden, helaas. Ik karakteriseer je proza zoals jij andermans poëzie karakteriseert. Beroep, gelaatskleur, lengte, dikte zijn aangelegenheden van een andere orde. Als je dat niet snapt…

En verder had je het toch echt over dichters die zich listig vermommen. Massaal. Je had je blijkbaar vergist. Maar dat dacht ik al.

willem thies

Lees wat je wil lezen, Gert, en ga vooral niet op mijn reacties in, waar ik een en ander uitwerk, het kan mij niet in het minst interesseren wat jij waar dan ook over denkt. Heb het daar morgen maar in de kantine over, met je sectiegenoten.

Groet, gegroet dus, vale oom!

Gert de Jager

Werk het eens uit, zou ik zeggen. Inderdaad.

Case


Schoonheidsmechanisme. Over dat woord heb ik een hele tijd na lopen denken; of het nu op adequaat-overdrachtelijke wijze het compromisloze karakter van het proces weergeeft of dat het simpelweg poëtische omslachtigheid is waarmee moet worden gecamoufleerd dat het een filosofie is op poppenkastniveau; ik kwam er niet uit.
Een woord voor de sponsor, wellicht.
Aan mijn kijk op de zaak verandert je horrorregisseur in ieder geval niet zo veel; dat een ontzagwekkend bedoeld schilderij als de Guernica, na alle geshocktherapiede schoonheidsopvattingen, een decoratieve poster hangt te wezen in diverse moderne interieurs, dat is eigenlijk gewoon sneu. Alsof alle demonen er uit zijn geslopen en in centreparcs naar onthoofdingsdvd'tjes zitten te kijken.
Schoonheid is volgens mij niet het scheppende principe - het scheppende principe is de juxtapositie; schoonheid is het zeldzame epifanische moment dat ontstaat wanneer in een juxtapositie elk element afzonderlijk zijn waarde behoudt en er toch, of juist daardoor, een onontkoombaarheid in het geheel ontstaat. In die zin maakt het dus niets uit wat je samenvoegt; in poëzie of welke kunstvorm dan ook. De schoonheid waar Thies het over heeft, het mooi, elegant, stilistisch verfijnde schrijven, is, net als rauwe seks, WO 2, wat heb je, een onderdeel. Overheerst het, dan mis je het moment.
Maar dat zegt ie zelf ook al, geloof ik.
Enfin. Ik ga een potvis tekenen.

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...