Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Gerrit Komrij, teksten, verdienmodel | Hoofdmenu | De terugkeer van de kleine boekhandel? »

18 augustus 2011

Het eerste gedicht (42): Willem Jan Otten

Willemjanotten Vandaag in deze rubriek, die sinds 10 mei stil heeft gelegen, waarvoor mijn excuses, het eerste gedicht uit de nieuwe bundel van Willem Jan Otten, Gerichte gedichten. Otten is een dichter met een lyrische inslag, maar toch voorzien van een parlando waarin de bespiegeling nooit is geschuwd. Zijn essaybundels De letterpiloot en Het museum van licht (proza met de lyrische kracht van poëzie) mogen in geen zichzelf respecterende boekenkast ontbreken. Maar zijn dichtbundels eigenlijk ook niet. Helaas las ik te weinig van zijn proza om daar een boekenkast-indicatie over te geven. Maar dat eerste, titelloze gedicht, dus:

Ik ben gezegd en afgeduwd
en kom uw lezen ingedreven.
Biezen zinnen biddend riet.

Mijn vlechter is zijns weegs gegaan
de ongeschreven uiterwaarden in.

Geen idee hoe hij ten einde komt,
garanties zijn hier niet.

Hem spleet de vraag in drie:
ben ik niet u, ben ik fini,
plus waarom stond u alles toe.

Stroomafwaartse – zo u tot mij zweeg
dreef ik te vinden aan op u.

De bijbelse figuur Mozes is de grondlegger en een van de belangrijkste profeten van het jodendom. Hij, een thuisloze vondeling die een heel volk heel lang achter zich aansleepte, slavernij en vlucht overleefde, de wet van God kreeg overhandigd, maar de intocht van het beloofde land niet zelf mocht meemaken, want hij mocht het Beloofde Land alleen vanaf een bergtop zien, kort voor zijn dood, hij dus, speelt een grote rol in dit gedicht.

Mozes groeide op zonder ouders (al werd hij, via een tamelijk ingewikkelde omweg, door zijn moeder gezoogd) en zonder land, zonder fundament en toch legde hij de grondslagen voor een bindend geloof (dat nog steeds grotendeels wordt gekenmerkt door een zoektocht naar een thuis). Mozes was een merkwaardige figuur, een man van de daad én het woord. Het laatste zelfs letterlijk, want hij wordt gezien als de auteur van de Thora, en daarmee van de wetboeken waarop het jodendom zich tot op heden baseert.

Misschien is de mooie paradox van het Mozes-verhaal, waarin het streven naar (of het zoeken) centraal staat, 'exemplarisch' voor elke religie en daarmee, want dat is bij Otten nooit ver, voor het schrijven van poëzie, een bij uitstek 'zoekende' bedrijfstak. De dichter of schrijver is ook een thuisloze, die via het woord een 'nieuwe religie' grondvest.

Vroeger, tijdens de werkcollege's van Kees Fens, had die je na zulke opmerkingen even aangekeken, om daarna te zeggen: 'Ja ja.' Dan bedoelde hij: 'Nee nee.' Misschien zou hij vervolgens, via een omweg waarin het verhaal van Mozes was ingebed, uitkomen bij de poëticale aspecten van dit gedicht. Poëticale aspecten, die waren toen in de mode. (Nu nog wel, maar anders.)

Misschien had hij gewezen op het woord "lezen" in regel 2, maar vooral op regel 3: "Biezen zinnen biddend riet." Een zin die een taalvlechtsel is, én wijst op de manier waarop de schrijver het leven van de lezer binnen komt gedreven: in gewrochte, vervlochten taal. (Hoe kom ik hier nog uit, lieve lezer? Ik voel mij als een Israëliet in de woestijn, na 38 jaar.)

Gelukkig doet God ("mijn vlechter") of een andere instantie, in regel 4 Zijn intrede. Deze God is, net als de schrijver van de bundel, een scheppende instantie. Het lijkt wel of Hij de dichter afduwt en vervolgens de "ongeschreven uiterwaarden" ingaat. Hij schept en gaat vervolgens verder - om die uiterwaarden te beschrijven, denk ik dan, te scheppen. Jammer genoeg laat de dichter God, of die scheppende instantie, in strofe 3 meteen gaan, zonder zich verder om zijn wel en wee te bekommeren. Hij geeft wel uitleg, in strofe 4:

Hem spleet de vraag in drie:
ben ik niet u, ben ik fini,
plus waarom stond u alles toe.

Lees je "Hem" weer als "God", dan is er hier iets moois aan de hand. God is weer die sprekende, levende figuur uit het Oude Testament geworden. Helaas is hij zijn wilde streken kwijt. Hij is namelijk een beetje, tsja, teleurgesteld, hij heeft, zou je in jargonees kunnen zeggen, een identiteitscrisis... Het lijkt wel of God het postmoderne stadium is ingetreden en het niet meer ziet zitten met zichzelf, iets wat hij vreemd genoeg koppelt aan zijn relatie met de mens.

Daarnaast is Hij rijp voor slachtofferhulp, want hij gaat niet, zoals in het OT, meteen met moord en doodslag tekeer, nee, hij vraagt zich af "waarom stond u alles toe." God is toe aan een goed gesprek aan de tafel van Knevel & Van de Brink. "Heeft U gebeden toen de dichter u losliet?" "Ziet U nog een toekomst voor Uzelf?"

De mooie, maar ingewikkelde slotstrofe draait alles weer om. De dichter drijft richting God, hij zoekt hem, ongeveer zoals een dichter óók een lezer zoekt. God zwijgt, natuurlijk, net als de lezer - voorlopig. Of definitief. Dat zijn van die dingen die je nooit helemaal zeker kunt weten.

Ondertussen is dit allemaal een spel. Misschien een existentieel spel, een spel waarin de woorden zelfs de vorm van "de wet" kunnen aannemen, maar een spel. De dichter en God en Mozes zijn allemaal naar iets, of iemand op zoek. Misschien wel naar een fundament. Die zoektocht begint bij alledrie op het moment dat ze worden losgelaten. Op een rivier, in de wet, in een boek. Net zoals Mozes ooit werd losgelaten.

Reacties

Gert de Jager

De Allerhoogste en het getal drie – je komt al snel in de verleiding om te denken aan de Heilige Drie-eenheid. Wanneer ‘ik’ inderdaad God Zelf is, zou ‘Ben ik niet u’ kunnen verwijzen naar de Vader die de mens naar Zijn beeld schiep en daarmee in zekere zin een duplicaat, ‘Waarom stond u alles toe’ naar de mens geworden Zoon die aan het kruis een soortgelijke waaromvraag stelde, ‘fini’ naar de Heilige Geest voor wie het in een godloze wereld over en uit is. De ‘vraag’ is dan de vraag van de eerdere ‘ik’ die het een en ander probeert te bevatten.

Hoe dan ook speelt de onbepaaldheid van persoonlijke voornaamwoorden een belangrijke rol in dit gedicht. Interpreteren wordt bijna een soort deiktische kabbalistiek. Behalve van paradoxen moet religieuze poëzie het misschien toch ook hebben van beelden. Wat dat betreft zie ik alleen iets intrigerends in die ‘ongeschreven uiterwaarden’.


Chrétien Breukers

Hem spleet de vraag in drie:
ben ik niet u, ben ik fini,
plus waarom stond u alles toe.

Zie ik letterlijk: God splijt in drie omdat hij zich vragen stelt over zijn "ik". Op het moment dat hij zich dat afvraagt, begint hij te "splijten".

Willem Thies

Uit de bespreking:

Hem spleet de vraag in drie:
ben ik niet u, ben ik fini,
plus waarom stond u alles toe.

Lees je "Hem" weer als "God", dan is er hier iets moois aan de hand. God is weer die sprekende, levende figuur uit het Oude Testament geworden. Helaas is hij zijn wilde streken kwijt. Hij is namelijk een beetje, tsja, teleurgesteld, hij heeft, zou je in jargonees kunnen zeggen, een identiteitscrisis... Het lijkt wel of God het postmoderne stadium is ingetreden en het niet meer ziet zitten met zichzelf, iets wat hij vreemd genoeg koppelt aan zijn relatie met de mens.

***

Uit een commentaar:


Hem spleet de vraag in drie:
ben ik niet u, ben ik fini,
plus waarom stond u alles toe.

Zie ik letterlijk: God splijt in drie omdat hij zich vragen stelt over zijn "ik". Op het moment dat hij zich dat afvraagt, begint hij te "splijten".


Een mooie lezing, vind ik. Immers: termen als 'zelfbewustzijn' (maar ook 'zelfbeheersing', 'zelfvertrouwen', 'zelfkennis', 'zelfreflectie', etc.) zijn hybride noties: ze veronderstellen al een soort 'gespletenheid'.

'Zelfbewustzijn' (met alle twijfels en worstelingen van dien) veronderstelt (op zijn minst) twee instanties: een deel van het zelf dat kent en weet (of meent te kennen en weten), en een deel van het zelf dat *wordt* gekend. Met het zelfbewustzijn *ontstaat* pas een subject (kennend 'zelf') en een object (het gekend 'zelf'). Is er (nog) geen sprake van een zelfbewustzijn, dan is er sprake van een solipsistische entiteit (of fase). Deze 'zelven' kunnen noodzakelijkerwijs niet samenvallen; feitelijk gaat het (nogmaals) om *delen* van het zelf.

Welnu, als een bepaalde entiteit (bijvoorbeeld God) over een zelfbewustzijn beschikt (die hem in tweeen splijt), en hij verkeert ook nog eens in een DILEMMA over wie hij nu precies is; over waarin zijn 'gekende zelf' bestaat; als hij in een 'identiteitscrisis' verkeert (zoals Breukers oppert), dan bestaat hij (zijn zelf, zijn persoonlijkheid) uit DRIE delen of instanties: het 'subject' (of kennende deel van het zelf) en minstens twee delen 'object' (het deel van het zelf dat gekend wordt door - een ander deel van - het zelf).

Met andere woorden: iemand die worstelt met zichzelf, zijn 'plaats in de wereld', zijn identiteit, die in een dilemma verkeert ten aanzien van zijn zelf, bestaat uit 'drie delen' (op zijn minst).

Hier kun je echter ook nog eens 'Hem spleet de vraag in drie' (taalkundig, grammaticaal) op twee wijzen lezen:

'De vraag spleet hem in drie': dat wil zeggen: de twijfel/de zoektocht brak hem in drie delen (zie bovengaande).

Dan is 'de vraag' onderwerp en 'Hem' lijdend voorwerp.

Maar ook een mogelijke (heel simpele, en zeer letterlijke) lezing is:

'[Aan] Hem spleet de vraag in drie'.

'Hem' als meewerkend voorwerp, en 'de vraag' - wederom - als onderwerp.

Niet HIJ wordt in drieen gespleten (door de vraag, de zoektocht, de twijfel, de worsteling) maar (voor/aan Hem) wordt DE VRAAG in drieen gespleten.

Het staat er immers ook. Er is sprake van DRIE vragen.

[Aan] Hem spleet de vraag in drie:
1. Ben ik niet u?
2. Ben ik fini?
3. Waarom stond u alle toe?

Het mooie is natuurlijk: de zin kan op BEIDE manieren worden gelezen.

De zin over een gespletenheid in drieen is ook nog eens DUBBELZINNIG, dus wederom gespleten.

Heel filosofisch allemaal (zowel op religieus/theologisch niveau, als op kentheoretisch niveau als op taalfilosofisch niveau), maar daar nodigt deze poezie ook wel toe uit.

Gert de Jager

Ja, maar waarom stelt de Allerhoogst Gespletene zich juist deze vragen? Misschien is Hij een spontaan type en weet Hij het Zelf niet.

Chrétien Breukers

Misschien heeft Hij net het werk van Lacan gelezen? We zullen het niet snel weten.

Nanne Nauta

Wellicht wat ouderwets, maar wordt het niet eens tijd dat deze rubriek in boekvorm verschijnt?

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...