Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Nieuw gedicht van Willem Thies | Hoofdmenu | Ich sage Ihnen, ich werde hier verehrt »

06 maart 2011

Orpheus zijn, of niet

Jansmaorpheus Gisteren las ik de titelbeschouwing uit Esther Jansma's nieuwe boek met korte beschouwingen, rijkelijk weids 'essays' geheten: Mag ik Orpheus zijn?

Jansma beklaagt zich er hierin over dat een Orpheus-gedicht van haar automatisch zó gelezen wordt (onder meer door die ellendeling van een Piet Gerbrandy), dat de "ik" de Eurydice is, en de man in het gedicht automatisch voor Orpheus doorgaat.

De schrijfsters is immers een vrouw, dús Eurydice.

Jansma vindt dit bevooroordeeld lezen. Is de dichter een vrouw, dan zal de "ik" altijd samenvallen met "de vrouw". Ze claimt dat lezers óók moeten zien dat de "ik" de Orpheus kan zijn, vrouwelijke auteur of niet.

Het gedicht is nummer één uit een tweeluik en gaat zo:

Ik droomde van een lange man
die in het donker stond en keek
of ik al kwam. Maar ik werd
opgehouden.

Hij was heel mooi en stil
en om te aaien. Ik hield van hem
maar hij stond daar alsof
hij rouwde.

Toen zond ik vogels van papier
die op hun vleugels woorden droegen
naar hem toe, maar ze vervaagden
in een lange val door tijd
door nacht en regen aangeraakt
tot vegen in zijn wit gezicht.

Ze beweert hier, dat de lange man in haar gedicht Eurydice is, terwijl het lyrische ik de stem van Orpheus vertolkt. Dat de besprekers de 'ik' automatisch de rol van Eurdyce opdrongen, vindt ze vreemd, en ze vindt het gedicht er zelfs saai van worden; ze claimt het recht om Orpheus te mógen of kunnen zijn.

Haar goed recht. Dan gaat ze er echter, helaas, van uit dat de lezer niet alleen denkt in termen van 'gender', maar ook is geconditioneerd door het oeroude, mythische verhaal dat in de bloedbaan van de hedendaagse cultuur is gaan zitten; dat verhaal zal hij, al dan niet bewust, altijd als leidraad gebruiken.

Het verhaal staat als het ware tussen het gedicht en de lezer in; het maakt, meer nog dan het geslacht van de schrijver, een onbevooroordeelde lezing, in eerste instantie, onmogelijk (of moeilijk).

Dat Jansma in een essay uitlegt hoe het precies zit, maakt het gedicht achteraf interessant, maar ik vind de lezing met de man gewoon als Orpheus niet per se saaier dan de door Jansma voorgestelde lezing.

Mij bekoort die witte, dodelijk witte man, die vogels van papier krijgt toegeworpen eigenlijk wel; hij is niet erg daadkrachtig, en Eurydice, die in het dodenrijk moet blijven, is dat wel. Een omkering van het origineel, waarin degene die in de dood blijft, het voortouw lijkt te nemen.

Aan de andere kant: de man staat erbij "alsof hij rouwde"; je leest dan al snel: alsof hij rouwt om Eurydice, die moet achterblijven. Die man vraagt zich bovendien af of de 'ik' al kwam, opnieuw een aanwijzing dat hij wacht op iemand die gehaald moet worden.

Als Jansma schrijft: 'Ik was er indertijd van overtuigd dat ik een leesbare tekst had geschreven. De lezers zouden wel snappen dat ik de mannelijke, actieve rol van Orpeus liet spelen door het "lyrisch ik". Het verhaal van Orpheus en Eurydice kent immers maar één relevant personage, Orpheus zelf, en die is niet belangrijk omdat hij mannelijk is, maar omdat hij de menselijke ervaring symboliseert.' en dit laat volgen door:

'Een belangrijk mechanisme in het oordeel over door vrouwen geschreven gedichten is de identificatie van het door hen opgevoerde "lyrisch ik" met een "vrouwelijk ik". Omdat vrouwelijke personages in veel literatuur pas op de tweede of misschien honderdste plaats verwijzen naar "de mens", raakt men bij dat veronderstelde "vrouwelijk ik" in de war. Dat 'vrouwelijk ik, denkt men, moet toch beslist een vrouwelijke boodschap hebben, maar welke dan? Om een eind te maken aan de verwarring koppelt met het als vrouwelijk opgevatte "lyrisch ik" vervolgens aan het "ik" van de dichter, dus aan de kleine, zeer individuele biografie van de vrouwelijke auteur.' 

- dan denk ik: wat vreemd dat de dichter hier een eis aan de lezers stelt, daar waar ze zelf de tragiek van het klassieke verhaal niet helemaal doorziet, of niet van een nieuwe lading kan voorzien, en tegelijkertijd een leeswijze voorschrijft die niet per se spannender is dan die van (zelfs) Gerbrandy. Wat maar weer bewijst, dat een dichter niet altijd geloofd hoeft te worden op zijn theorie.

Gedichten doen toch wel wat ze zelf willen. De auteur mag, ondertussen, de rol spelen die hem (of haar) het beste schikt.

Reacties

Gert de Jager

In de loop der eeuwen is veel poëzie weggezet als damespoëzie. Ongetwijfeld. En terecht. Maar toch geloof ik niet dat het ‘lyrisch ik’ van vrouwen door mannelijke of vrouwelijke lezers meteen met een vrouwelijk ik wordt vereenzelvigd - dat het, zoals Jansma beweert, een mechanisme zou zijn. Het werk van Sappho, Dickinson, Plath, Vasalis, Gerhardt – werd dat alleen maar mooi gevonden omdat het gekoppeld kon worden aan een ‘kleine, zeer individuele biografie’? Het is poëzie die soms overloopt van ‘lyrisch ik’; het is poëzie die furore maakte in een tijd dat het literaire systeem – het ‘veld’, de apenrots – volledig door mannen werd gedomineerd. De biografische gegevens kwamen soms pas decennia later beschikbaar en zijn wat mij betreft exact zo vervelend als biografische gegevens dat altijd zijn.

Jansma’s mechanisme lijkt me lichtelijk beledigend voor generaties toegewijde, gepassioneerde, erudiete, sentimentele, cerebrale, luie, levendige lezers en lezeressen van poëzie die voor die lezers en lezeressen blijkbaar van belang was. Dat de genderverhoudingen in de Orpheusmythe in eerste instantie het uitgangspunt zijn als naar die mythe wordt verwezen, lijkt me bij dat alles niet een heel sterk argument. Dat het in tweede instantie helemaal niet hoeft bewijst Mulisch’ Twee vrouwen. Nogal wat lezers hebben weinig moeite gehad met de dubbele heropvoering van die mythe bij een mannelijk en een vrouwelijk homoseksueel koppel. Eén ondubbelzinnig signaaltje, mevrouw Jansma, en uw gedicht wordt meteen ondubbelzinnig gerecipieerd. Als u dat wilt.

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...