Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Ochtendnieuws: 11.3.2011 | Hoofdmenu | Avondnieuws: 11.3.2011 »

11 maart 2011

Het eerste gedicht (35): Bart Stouten

BartstoutenVandaag aandacht voor het eerste gedicht uit de nieuwe bundel van Bart Stouten: Tussen dood en herleven. Het eerste gedicht opent de cyclus 'Uurboek', waarin de dichter voor elk uur van de dag een gedicht opneemt, beginnend op de zaterdagavond om 19:00 uur; het laatste gedicht valt op zondag 18:00 uur. Alle gedichten zijn even lang, 12 verzen, je zou bijna gaan vermoeden dat dit met de tijd van uitstaan heeft. Stouten is overigens de eerste dichter die voor de tweede keer aan bod komt in deze reeks. Eerder behandelde ik het eerste gedicht uit Een boek van tijd
 

19.00u BAD

Mijn olifantengeheugen? Een badtobbe
met lauw water en eendje. Er drijft
goedkope afleiding mee tot ik de info
liever kwijt ben. Dan is het verstillen
zonder bodemvrijheid voor een verleden
dat onhoudbaar is. Het enige wat mij,
naakte God, na al die jaren nog ontbreekt,
is een trouw publiek. Draai mijn mengkraan
open van droom en fantasie -- niemand kijkt.
Water loopt weg. Schuim implodeert. Droog me
met een handdoek van schone schaamte.
Zal ik kwakend pronken in een holle kamer?

De dichter is nu eens geen koe, of een Unberührbare, nee, hij zit gewoon in bad. Is het de dichter "Bart Stouten", of is het de jonge jongen (met badeend, uiteraard) die "Bart Stouten" ooit was. De twee lopen door elkaar heen, vermoed ik.

Want Stouten begint niet met het badeendje, maar met een "olifantengeheugen". Zo'n geheugen is zo solide als de Bank van Engeland, in betere dagen, toen het Empire nog fier overeind stond (geen Van Bastelaere-grapje maken, CB) en de inlanders beschaving bracht, en onderdrukking. Maar hij zet er wel een vraagteken bij: "Mijn olifantengeheugen?"

Is die badtobbe dat olifantengeheugen? Dan valt het misschien allemaal mee. Veel meer dan lauw water waarin een eendje drijft, is het niet. Het is een beetje een verschraald gedoe, stel ik me zo voor. Herinneringen die niet veel waard zijn, lauwigheid uit de jeugdtijd.

Of niet? Voor hetzelfde geld is er niets meer aan de hand, dan dit: iemand zit in bad en denkt aan vroeger, zakt langzaam in dat vroeger weg. Maar: "Er drijft / goedkope afleiding mee tot ik de info / liever kwijt ben." Goedkope afleiding, is dat alles wat uit het verleden naar boven komt? Of gemijmer over het nu, over wat er bijvoorbeeld op de dag is gebeurd?

De dichter probeert de lezer een beetje in slaap te sussen. Hij gebruikt woorden als "goedkope afleiding" en die drijft, die dobbert, die is naar de aard van de zaak goedkoop. Tot hij ineens een wending gebruikt die eerder thuishoort in de analysie of de therapie, of in een onderzoeksrapport: "tot ik de info / liever kwijt ben."

Wat dan? Het lijkt erop dat het dobberende, de badeendjesachtige ontvankelijkheid uit de eerste regels ineens is weggevaagd. " Dan is het verstillen/ zonder bodemvrijheid voor een verleden / dat onhoudbaar is." Verstillen, diep vallen, bodemloos diep. Het bad wordt letterlijk een ravijn, een afgrond.

Een afgrond voor een verleden dat "onhoudbaar" is. Mooi woordgebruik, want het zegt dat het verleden zich opdringt, maar tegelijkertijd niet te behouden is. Dan zakt de dichter dus weg in iets dat er is, dat misschien zelfs wordt gemist, iets dat er óók niet is, en niet meer kan zijn.

Je zou bijna zeggen: hier maken we mee hoe het nemen van een bad bijna depersonaliserend werkt. De dichter wordt gedoopt in een hem aantrekkend, wegvlietend en misschien wel angstaanjagend verleden. De afgrond lonkt, hoewel hij voorlopig nog in bad zit, neem ik aan.

De afwikkeling van het gedicht is minder "zinkend" dan je na deze regels, waarin een situatie zo drastisch verandert, zoudt denken. 

(...) Het enige wat mij,
naakte God, na al die jaren nog ontbreekt,
is een trouw publiek. Draai mijn mengkraan
open van droom en fantasie -- niemand kijkt.
Water loopt weg. Schuim implodeert. Droog me
met een handdoek van schone schaamte.
Zal ik kwakend pronken in een holle kamer?

Waarom die overpeinzing over "een trouw publiek"? De naakte, badende dichter betreurt het, na al die jaren (al die jaren vanaf zijn verleden, alle jaren van zijn leven, en misschien ook alle jaren die hij nog te leven heeft?), dat hij alleen is, geen volgelingen heeft, niet meer is dan een "naakte God" (zij het wel een god met een hoofdletter). 

De naakte, zich herinnerende, wegzinkende dichter is een god, God, in een lege wereld. Hij kan fantaseren (scheppen?) wat hij wil, "niemand kijkt."

Dan gorgelt het water weg. Het (droom)schuim implodeert. Het universum, groot en beangstigend klein tegelijk, neemt weer de eigen proporties aan. Toch zorgt de dichter nog voor één wending. Hij zegt niet: "Ik droog me af met een handdoek van schaamte", maar "droog me met een handdoek van schone schaamte." Een zin die gebiedende wijs en vraag inhoudt. Hij twijfelt nog of hij deel zal gaan nemen aan het "gewone", met schaamte omklede leven.

De slotzin is, na dit alles, bijna vertederend van eerlijkheid. Ik bedoel dit minder zemelig dan het klinkt. "Zal ik kwakend pronken in een holle kamer?" De dichter vraagt het zich echt af. Zal ik pronken (zal ik gedichten schrijven, een hoge borst opzetten, zal ik net als Dirk van Bastelaere eens een filmpje opnemen, zal ik mijzelf groot maken) in een holle - niet lege, dus, maar holle: het universum is bijna een vacuum geworden - kamer. 

Zo herbergt een badsessie doop, afgrondsangst en relativeringsvermogen in zich. Maar of de dichter "schoongewassen" is van zijn verleden, dat blijft de vraag. 

Reacties

RHCdG

Leuke bespreking. Mag ik je er alleen op wijzen dat je nog meer lezers hebt dan alleen Gerrit Komrij.

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...