Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Starik: piepkleine demonstratie | Hoofdmenu | Nieuw gedicht Maarten van der Graaff‏ »

23 februari 2011

Poëzierapport: Krijn Peter Hesselink

Hesselink Krijn Peter Hesselink (1976) is een performer en uiterst productief dichter: in 2006 won hij het Nederlands kampioenschap Poetry Slam; medio 2008 debuteerde hij bij uitgeverij Nieuw Amsterdam met de dichtbundel Als geen ander; ruim een jaar later, eind 2009, verscheen Stil Alarm; en wéér ruim een jaar later, in januari 2011, kwam zijn derde bundel uit, De uitputting voorbij. Drie bundels in iets meer dan drie jaar, voorwaar geen slechte score.

Hesselink hanteert een losse, nonchalante stijl en lichte toon, waar de onvrede echter aan alle kanten doorheen schemert. In zekere zin zou je zijn gedichten 'eentonig' (één-tonig) kunnen noemen, daar hij deze zwierige niets-aan-de-handtoon, waar niettemin verdriet en ernst doorheen kieren, van begin tot eind van de bundel consequent volhoudt. De gedichten bestaan uit lange zinnen, met veel komma's, zinnen die zich eindeloos lijken voort te slingeren.

De uitputting voorbij 'gaat over' een relatie waarin de geliefden elkaar tarten, tergen en kwetsen, een moeizame, problematische relatie, waar geen van beiden schadevrij uit tevoorschijn komt.

In een interview op Meander Magazine zei Hesselink zelf over zijn jongste bundel: 'Het materiaal loopt uiteen van alledaagse observaties tot surreële, nachtmerrieachtige taferelen. (...) Met ontregelende beelden hoop ik mensen uit hun vertrouwde denkpatronen los te rukken.'

En de achterflap meldt: 'Surreële beelden en herkenbare situaties worden afgewisseld in een bundel die veel meer een geheel vormt dan Hesselinks eerdere werk.'

Dat van dat 'geheel' is waar (de gedichten zijn bijzonder gelijkvormig en 'eentonig'), dat van die 'ontregelende' of 'surreële' beelden níet. Het zijn veeleer slordige beelden, zelden raak of verrassend, krachtig of scherp, laat staan 'ontregelend'.

Neem het openingsgedicht, 'Exodus', tekenend voor toon, stijl en beeldgebruik van Hesselink:

Waar we ook gaan, we zijn altijd met velen
we hopen allemaal dezelfde laatste trein
nog net te kunnen halen, kijk
daar gaan we, zeulend met te zware tassen
met katten in reiskooien, tamme kraaien
op onze schouders, we zijn thuis zodra
we inzien dat doorlopen ons geen millimeter
dichterbij brengt, maar voorlopig
blijven we hardnekkig onderweg
 

Ik zou zo graag, al was het vijf minuten
alleen zijn met mijn meisje, maar hoelang
ik mij ook vastklamp aan haar hand en treuzel
terwijl de mensen een voor een verdwijnen
mijn schaduw blijft voortdurend aan ons plakken
ten slotte moet ik toestaan dat die ander
haar bij de hand neemt, voor mij uit loopt
naar waar het treinstation ons een voor een
weer aan de nacht onttrekt
 

Maar dat is straks, nu moet ik hier nog aanzien
hoe hij haar hand vastpakt, hoe zij haar hoofd
tegen zijn schouder legt, hoe hun twee silhouetten
langzaam vervloeien, als ik dichterbij kom
want als ik eenmaal loop dan loop ik sneller
en op dit smalle pad is het onmogelijk
hen te omzeilen, als ik dichterbij kom
probeer ik wat niet voor mijn oor is bestemd
meteen weer te vergeten, maar dan draait
die ander zich plots zo snel om dat ik
haast door hem heen gelopen was, hij vraagt me
van net iets te dichtbij om te herhalen
wat hij net zei, spuug mij in het gezicht
hoor ik mij prevelen, een antwoord
dat met een klodder speeksel wordt beloond

Mijn meisje zegt geen woord, haar blik dwaalt af
naar waar het speeksel traag mijn wang af druipt
 

Als ik mij later samen met de anderen
over het spoor buig, zoekend naar een teken
dat onze trein nog niet is aangekomen
laat staan vertrokken, voel ik soms heel even,
haar adem in mijn nek, ik kijk niet om

Ik probeer mij deze scène uit alle macht voor te stellen, maar krijg haar maar niet scherp. Kennelijk verkeert de ik, met zijn meisje, in grote haast, te midden van een meute, die al evenzeer in grote haast verkeert. Allen spoeden zich naar het spoor. 'Waar we ook gaan, we zijn altijd met velen / we hopen allemaal dezelfde laatste trein / nog net te kunnen halen' – laatste trein, nog net: dit impliceert haast, ternauwernood, op het nippertje, laatstesecondewerk.

In de tweede strofe treuzelt de ik echter. Heeft hij opeens geen haast meer? Heeft hij zich bedacht? Wil hij moedwillig de trein missen? Rechtsomkeert maken? Aanvankelijk was hij toch duidelijk één van de 'wij', een van de meute, en maakte hij deel uit van de massasprint naar de laatste trein, die op het punt van vertrekken stond.

Hoe dit ook zij, de ik heeft zijn handen meer dan vol, en dan is het natuurlijk ook moeilijk rennen. Hij zeult met een te zware tas (net als de anderen) en (wie weet) een kat in een reiskooi. Ergens vindt hij toch nog een vrije hand, om zich aan zijn meisje vast te klampen, en te treuzelen. 

De ik kan zijn schaduw niet van zich afschudden, sterker, de ik en zijn meisje kunnen zijn schaduw niet van zich afschudden: 'mijn schaduw blijft voortdurend aan ons plakken'. Voortdurend. Niet-aflatend. Aanhoudend. Continu. Constant. En: aan óns – niet: aan míj.

Maar dan wordt zijn meisje door een ander gekaapt. Wat gebeurt er dan met die schaduw, zijn schaduw, die, voortdurend immers, aan hen bleef kleven? Scheurt deze in tweeën? 

 De ik ziet met lede ogen 'hoe hun twee silhouetten langzaam vervloeien'. Dus twee schaduwbeelden lopen in elkaar over, met daaraan nog een halve schaduw, of misschien een flard, een restant, een staartje schaduw van de ik, de schaduw die immers hardnekkig bleef plakken, ook aan haar? 

'Maar dat is straks' – al heeft het zojuist in het gedicht plaatsgevonden. Ondertussen legt zijn meisje haar hoofd tegen de schouder van de kaper, kennelijk niet de schouder waarop een tamme kraai zetelt. 

Dan zet de ik flink de pas erin en nadert het tweetal ('want als ik eenmaal loop dan loop ik sneller'), hoewel hij hen kennelijk helemaal niet wil bijhouden of inhalen ('en op dit smalle pad is het onmogelijk hen te omzeilen'). Waarom maakt de ik dan geen pas op de plaats, als hij een confrontatie uit de weg wenst te gaan? 

Als hij op het punt staat hen te passeren, op een drafje, draait de kaper 'zich plots zo snel om dat ik haast door hem heen gelopen was'. 

 Dit is allemaal óf heel ingewikkeld, óf ronduit slordig, onoverdacht, lukraak. Het komt nogal warrig en willekeurig over.

Het ware beter geweest als Hesselink zich op enkele beelden had geconcentreerd, en deze helder had gekregen.

 Zo gebruikt hij, doorheen de hele bundel, vaak het beeld van de schaduw of schim, om aan te geven dat de geliefden, door elkaar zo te grieven, beiden krimpen of vervagen tot een sluimerend niet-bestaan. Woorden als 'vervalen', 'verbleken' en 'verdwijnen' komen herhaaldelijk voor, naast 'onzichtbaarheid', 'damp', 'mist', 'silhouetten', 'contouren'. Door elkaar wederzijds te schaden, maken ze zichzelf en de ander klein en doorschijnend, of niet meer dan een schaduw van zichzelf – een neigen naar een non-existentie.

Dit is een sterk beeld, maar Hesselink heeft het vertroebeld door het ene beeld over het andere heen te laten buitelen, slordige beelden die enkel ruis vormen en de enkele scherpe beelden ondersneeuwen. Zo zijn er meer voorbeelden van slordige beelden in de bundel te vinden.

Zo zijn er meer voorbeelden van slordige beelden in de bundel te vinden.

Het titelgedicht, 'De uitputting voorbij', opent met:

Ze weet wat liefde is, de kat die zij / achter heeft moeten laten bij haar ouders / had van zijn vroeggestorven moeder nooit / geleerd zijn klauwen uit te slaan, zijn prooien / konijntjes meestal, put hij uit totdat /  hun hart het van de schrik spontaan begeeft / (...)

Het beeld van 'het uitputten' en dat van het 'van de schrik spontaan' begeven van het hart staan haaks op elkaar.

'Schrik' suggereert een verrassingseffect, een hevige angst samengebald in één enkel moment, een fractie van een seconde, een plots en onverwacht 'gevaar'. Zo kan een prooidier, onvoorzien oog in oog met zijn belager, sterven aan een hartstilstand of verlamd raken van schrik.

'Uitputten', daarentegen, impliceert een bepaalde duur; kennelijk wordt het konijn achternagejaagd en gesard, zoals katten dat nu eenmaal doen met hun prooidieren.

'Voorlopig reisverslag' vangt aldus aan: Nog onderweg, we stappen uit, de vloer / voelt koel onder mijn voeten, zoals het licht / dat de gordijnen openrijt ons koel / omspoelt op weg naar douche, wc, ontbijt 

Wéér twee beelden die wederzijds exclusief lijken, die elkaar lijken uit te sluiten: licht als een mes, versus licht als water, een zee, een poel. Het eerste beeld is fraai: het licht snijdt, klieft. Er spreekt agressie uit. Het licht scheurt de gordijnen aan flarden. Het tweede beeld is óók mogelijk. Licht vult de ruimte als een vloeistof. Hieruit spreekt juist rust, kalmte, een omvangen-zijn.

Maar beide beelden tegelijk – dat kan niet, ze bijten elkaar. Het lijkt wel alsof Hesselink in dit soort gevallen niet kan kiezen, en dan maar simpelweg níet kiest, ze beide neemt, terwijl alles juist draait om de keuze van het meest adequate of aansprekende beeld binnen de context van het gedicht.

Het gedicht 'Visite' begint veelbelovend: Hij heeft over twee weken een begrafenis / en oefent zijn mimiek alvast een beetje

Dit stáát, het staat er precies goed, geestig, een tikje vreemd, tot en met het laconieke 'een beetje'; geen woord te weinig, geen woord te veel. Raak neergezet. Verderop gaat het echter alsnog mis:

We zijn twee wijntjes verder en de kist / staat lonkend in het midden van de kamer / het deksel ligt ernaast, de zwarte voering / weet keer op keer mijn blik te vangen met / haar lichte glans, zelfs de afwezigheid / van kleur wil haar bestaan bevestigd zien / ook onze gast heeft nergens oog meer voor / hij tast steeds mis als hij zijn wijnglas zoekt (...)

Eerst wordt ons omstandig en uitgebreid medegedeeld hoe de zwarte voering van de kist keer op keer de blik van de ik weet te vangen, hoe hij haar lichte glans opmerkt en aanschouwt. Waarop het gedicht doodleuk vervolgt: 'ook onze gast heeft nergens oog meer voor'.

De ik heeft juist wél ergens oog voor, sterker, hij heeft alléén maar oog voor de lichte glans van de zwarte voering van de kist.

Of wordt er bedoeld: 'ook onze gast heeft nergens anders oog meer voor'? Het zou kunnen, maar het staat er niet. Het komt op mij over alsof de gast nogal in de olie is door al die wijn, en überhaupt nergens oog meer voor heeft. Slordig geformuleerd.

De tweede en laatste strofe van 'Breuklijn' luidt: De rust is weergekeerd, hoelang staat zij /  daar nu al naakt, roerloos, onbewogen / op nog geen meter afstand, maar steeds vager / nu damp de douchekabine die ons scheidt / van binnen vult, nu ik steeds beter snap / waarom het warme water van mij af glijdt

Hoezo, de 'douchekabine' die ons scheidt? De wand van de douchekabine! En hoezo 'van binnen vult'? Ja, allicht niet 'van buiten'! Hoe wil je iets, wat dan ook, ánders vullen dan 'van binnen' – die toevoeging is volmaakt overbodig, redundant, feitelijk is de combinatie een contaminatie.

Een laatste voorbeeld mag volstaan. 'Bij wijze van geruststelling' eindigt met de regels: en bedaarde woorden tekenen zich af / op een leeg vel, haar bleek gelaat

Als 'bedaarde woorden' (of welke woorden dan ook) zich aftekenen op een vel (welk vel dan ook; of men dit 'vel' nu leest als 'blad papier' of 'huid'), is dit vel ipso facto niet (langer) leeg.

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Krijn Peter Hesselink in zijn tomeloze enthousiasme en productiviteit (drie bundels in ruim drie jaar) zorgvuldigheid, precisie en zelfkritiek heeft geofferd.

Nonchalance is prima, maar gemakzucht en slordigheid zijn de doodsteek voor de poëzie. In een volgende bundel zou Hesselink beheersing en beperking moeten betrachten. Als dit betekent dat er, nu en dan, beelden of zelfs hele gedichten moeten sneuvelen, dan is dat een prijs die het dubbel en dwars waard is te betalen.

Recensent: Willem Thies
De uitputting voorbij – Krijn Peter Hesselink
Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2011
ISBN 978 90 468 0888 7

Reacties

Hans van Willigenburg

Wil graag mijn bewondering uitspreken voor de doorwrochte manier waarop Willem Thies nieuwe poëzie recenseert. Er spreekt een groot respect uit voor de te recenseren dichters - en dat is bijzonder. Dat zijn recensies volstrekt humorloos zijn en opsommerig van karakter, neem ik graag op de koop toe.

Gert de Jager

Gemakzucht, slordigheid – toe maar. En dan ook nog een ‘doodsteek voor de poëzie’. Misschien is er een wat andere visie mogelijk.

Wat de recensent vooral parten speelt is zijn neiging Hesselinks gedichten te reduceren tot statische beelden. Wat hij niet ziet is dat zich in Hesselinks gedichten nogal eens een proces afspeelt. Een leeg blad waarop zich woorden aftekenen is inderdaad niet langer leeg. Voordat het met tekens gevuld werd, was het dat echter wel en een dichter kan het belangrijk vinden om de lezer van die kwalitatieve verandering te doordringen.

Hetzelfde geldt voor de douchecel die zich van binnen met damp vult en niet van buiten, zoals de recensent scherpzinnig opmerkt. Een stijlfout als een pleonasme – ik neem aan dat dat wordt bedoeld; de contaminatie ontgaat me – kan functioneel zijn en een eigenschap die eigenlijk al logisch ingesloten is, accentueren. De douchecabine als totum pro parte – ook dat kan ik me in de gegeven situatie voorstellen. Volgens mij gebruiken we ook in de omgangstaal nogal eens een totum pro parte als we over iets ruimtelijks hebben. Wanneer ik over straat loop, loop ik eigenlijk over het plaveisel; nee - eigenlijk over de stenen; nee – eigenlijk over de bovenkant van de stenen. Als we de taal ter wille van logische precisie ontdoen van stijlfiguren, blijft er weinig over.

Dan het eerste gedicht. “Dit is allemaal óf heel ingewikkeld, óf ronduit slordig, onoverdacht, lukraak. Het komt nogal warrig en willekeurig over.” Zo luidt de conclusie. De vele herhalingen – na het tweede ‘óf’ wordt vijf keer ‘ronduit’ hetzelfde gezegd – nemen niet weg dat we hier worden geconfronteerd met een valse tegenstelling. Wie het gedicht goed leest, ziet dat er precies één keer sprake is van een situatie in het heden: het ‘nu’ in strofe drie. Alles wat daarvóór staat, speelt zich later af – ‘Maar dat is straks’ staat er zelfs met zoveel (vier) woorden. Het betekent dat de ‘ik’ de neiging heeft zich het een en ander in het hoofd te halen. In de twee voorafgaande strofen haalt de ‘ik’ zich minimaal een laatste trein, een thuiskomst, een tête-à-tête en een afscheid in het hoofd. In strofe drie volgt al heel snel een spuugscène. Het mondt allemaal uit in een beeld van algemene verlatenheid.

Dat een dichter zich iets verbeeldt komt wel eens vaker voor in poëzie. Ik weet niet helemaal zeker of de verbeeldingen van Hesselink tot regelrechte wereldpoëzie hebben geleid; daarvoor zou ik zijn bundel moeten lezen. Voor relatiegedoe lijkt een titel als “Exodus” op het eerste gezicht nogal weids. Van een neiging tot overtrokken feitelijkheid getuigen niet alleen de maatstaven van deze recensent; dat doet ook zijn proza – ‘opsommerig’ is wel heel vriendelijk. Of deze recensent wereldpoëzie zou herkennen, vraag ik me af. Hoe dan ook verdient Hesselinks poëzie beter.

Willem Thies

Maar, beste Gert, allemaal leuk en aardig, maar je verkondigt onzin.

Als iemand zich binnen in een huis bevindt, en een ander buiten, en beiden worden gescheiden door een raam/ruit/vensterglas, dan zeg je ook niet:

'we werden gescheiden door een woonkamer'.

Of: 'we werden gescheiden door een huis'.

Of: 'we werden gescheiden door een woonblok'.

Neen, je wordt dan gescheiden door een ruit, glas, waardoor je de ander bijvoorbeeld niet hoort spreken, maar enkel zijn/haar lippen ziet bewegen, enkel een mimespel.

Of: 'hij keek over de schutting naar de buurman'.

Volgens jouw sofistische redenering kan dit veranderd in: 'hij keek over de tuin'.

Dus dat 'totum pro parte' van jou zie ik niet, in dit (vergelijkbare) geval.

En het 'van binnen' is, nogmaals, volmaakt overbodig, hoezeer je ook spartelt in het douchewater. Dat had gewoon geschrapt moeten worden, klaar. Het is simpelweg impliciet in het 'vullen'.

Het openigsgedicht - lees het nog eens, zou ik zeggen, en dit keer bij de les zijn.

'Dat een dichter zich iets verbeeldt komt wel eens vaker voor in poëzie.'

Ik heb het niet over het wederkerend of reflexief werkwoord '*zich* verbeelden*, Gert, over: 'zich iets indenken'. Maar over *verbeelden*.

Ik heb het over het 'beeldend vermogen' van de dichter; het vermogen 'beelden' te gebruiken in zijn poezie, treffend, raak, juist, scherp, oorspronkelijk.

Wat mij betreft ben je een sofist, Gert. Lees eerst de bundel maar eens, en kom dan terug met al je 'slimme' rechtvaardigingen voor slordigheden - recht praten wat krom is, dat is wat een rechtgeaarde sofist doet.

Gert de Jager

De douchecabine die ons scheidt, het huis dat ons scheidt, de tuin die ons scheidt, het land dat ons scheidt. Het lijkt verdorie wel poëtisch taalgebruik.

Wat een dichter zich verbeeldt, zijn beelden. Zie de vorige zin, zie de volgende zin.

En een rechtgeaarde sofist? Die praat krom wat recht is. Zie... nee, laat maar.

Willem Thies

'Van binnen vullen' overigens als contaminatie van, bijvoorbeeld, 'van binnen innemen' (de ruimte innemen, de binnenkant innemen) en 'vullen'; 'van binnen in beslag nemen' en 'vullen'; 'van binnen bezetten' en 'vullen'.

Zie je?

'Vullen' is immers al 'de ruimte (doen) innemen', 'de binnenkant innemen', 'van binnen innemen'. Het overlapt dus, is redundant, overbodig. Dubbelop.

Daarbij is de contaminatie (of het pleonasme, voor mijn part) *niet* functioneel.

Gelukkig herken jij 'wereldpoezie' wél; als je tenminste je canon openslaat met op het omslag in koeienletters WERELDPOEZIE - en je leesbrilletje opzet, en je vingers laat glijden over de - in jouw editie ongetwijfeld glanzende - pagina's, en verlekkerd verzucht: 'Ah! Wéreldpoezie!'

Bespaar me je impliciet-zelfvoldane toontje, Gert, sofist, canonkenner.

Gert de Jager

Ach, gaan we weer schelden. Leve de zelfvoldaanheid dan maar!

Hans Smit

Stel dat je gelijk hebt, Willem.... Moet dat echt zo bevochten?

Hans van Willigenburg

Zelfs als ik complimenten uitdeel, komt er narigheid van. #onruststoker

Willem Thies

'Rechtgeaarde sofist' was inderdaad een woordspeling, beste Gert, een grapje - scherp opgemerkt! Maar laat dat maar aan Gert over, dit soort dingen opmerken.

@ Hans: het spijt, me, bij Gert wel - het zelfingenomen leraartje, dat zo goed 'op de hoogte is van de wereldpoëzie' en daarmee gaat schermen. Dit vraagt om de inzet van zwaar geschut.

Die míj gaat uitleggen dat een stijlfout als een pleonasme eventueel functioneel kan zijn! - en dus een (bewust toegepaste) stijl*figuur*. Alsof ik dat niet zou weten. Mijn hele punt is juist dat het hier *volmaakt overbodig* is, en níet functioneel. Gewoon slordig. Net zoiets als 'rakelings/vlak scheren langs de grond', terwijl 'scheren' al 'rakelings/vlak bewegen langs' is. 'Scheren langs' zou in dat geval voldoende en afdoende zijn, en poëzie is nu eenmaal ook de kunst van het geconcentreerd en compact schrijven; de kunst geen overbodige (want reeds gesuggereerde of genoemde woorden, of geïmpliceerde woorden) woorden te gebruiken. En, ja, Gert, 'rakelings scheren' kan gezien worden als een contaminatie: van 'rakelings bewegen' en 'scheren' dus.

Mijn belangrijkste bezwaar is dat Gert mijn recensie nauwelijks of slechts vluchtig heeft gelezen (en de bundel die ik bespreek, zelfs in het geheel niet) - zeer selectief erop ingaat, althans (ik noem méér voorbeelden van slordig beeldgebruik - en overigens ook van stérk beeldgebruik! Dit laatste vergeet hij voor het gemak), enkel om... ja, om wat eigenlijk? De recensent te gaan recenseren? Stuurlui aan wal... (Hiermee doel ik op Gert en - voorheen - op H.v.K.) En als zijn uitgever een veel hardere en ongenuanceerdere bespreking schrijft - van de jongste bundel van Anne Vegter, bijvoorbeeld, of Hagar Peeters; dan hoor je hem niet, de dappere dodo. Dan is het niet: 'Hoe dan ook, Vegter verdient een betere bespreking.' Kennelijk zoekt hij 'beef', keer op keer, en dan bedien ik hem op zijn wenken.

Nee, dit mannetje moet keer op keer reageren op mijn stukken, op zijn zeurderig-sofistische wijze, mijn recensies gaan recenseren, en zelf de toffe jongen uithangen die zo goed op de hoogte is van de wereldpoëzie (ach! ach!) -

ik zal Gert niet zélf gaan tarten, maar als hij mij tart, zal ik hem bevechten tot mijn laatste druppel bloed! Ik ben een vechter, een soldaat, ik zal de revolutie de kop indrukken, het taalterrorisme, de woordverloedering van Gert met Wortel en Tak uitroeien!

(PS Dank, Hans!)

Burns

...Ontregelende beelden dus. In die zin heeft Hesselink je precies waar hij je hebben wil, Thies.

Of dat een doel van schrijven moet zijn is dan weer een ander verhaal. Mijns subjectiefsgewijs geziene inziens.

Willen ontregelen en dus van dááruit 'dingen die niet kloppen' zeggen is... ontregelen om het ontregelen. Ik vind dat minder interessant dan beelden die ontregelen omdat de dichter ze zo zíet.

Gert de Jager

Ik ben in vijf jaar misschien drie keer tegen denkbeelden van de heer Thies ingegaan. Misschien vier keer. Het heeft blijkbaar nogal indruk gemaakt.

Verder snap ik niet wat mijn eventuele mening over de pennenvruchten van mijn uitgever ertoe doet. Wordt Thies' stuk er beter van? Zijn criteria - want daar gaat het om, bij hem en bij Chrétien -, worden die minder droogstoppelig?

Draag kritiek als een man, Willem. Oude vechter.

Willem Thies

@ Gert: 'Draag kritiek als een man, Willem. Oude vechter.'

Daarin heb je gelijk, mijn beste, al is het af en toe redelijk voorspelbaar (en derhalve vermoeiend) van wie de kritiek afkomstig zal zijn, en welke vorm zij aanneemt (Gert de Sofist, Harry de Haarklover).

Maar ik zou zeggen, Gert: ík een man, jíj een man.

Met kerst maakte je een goed voornemen voor het nieuwe jaar bekend: met veel poeha en drama verkondigde je dat je nóóit meer zou reageren op de Contrabas, na vier jaar lang regelmatig te hébben gereageerd, blablabla et cetera. Heel plechtstatig allemaal, en hartbrekend.

Ik zou zeggen: wees óók een man, Gert:

belofte maakt schuld - tijd om die schuld in te lossen.


Of, in jouw eigen woorden:

Inderdaad een prachtig stuk van Delmotte. Zijn ervaringen als lezer van recensies herken ik maar al te goed; zijn relativering van het belang ervan kan ik me voorstellen. En toch, hoe snel en vluchtig recensies ook gelezen worden: het is dankzij literaire kritiek in de breedste zin van het woord dat er fenomenen als literatuur en poëzie bestaan. Zonder kritiek zou er geschreven en gelezen worden; misschien niet minder dan nu. Maar wanneer er niet werd gekibbeld over maatstaven en eventuele meesterwerken bestond de wereld uit weinig meer dan publiekssuccessen en narcistisch gemijmer. Delmotte weet dat vast wel.

Gruwez’ taakopvatting lijkt me een bij uitstek professionele. Elke redacteur, uitgever, leraar, literatuurhistoricus heeft zichzelf ooit uit het paradijs verdreven en een variant van diens schizofrenie tot een tweede natuur gemaakt. Dat Rutger weigert afstand te nemen van zijn rol als toegewijd lezer is mooi en respectabel. Maar de instituties van de literatuur – ook hij heeft ze nodig.

Zo. Dat was de laatste keer dat ik op de reactieknop drukte. In de loop van drieëneenhalf jaar heb ik me gemengd in ruim tachtig discussies. Ik raakte gewend aan het format en ben op ideeën gebracht die ik anders misschien niet gehad zou hebben. Ik heb soms flink uitgedeeld en soms flink geïncasseerd. – Hé, mijnheer Sinatra!

Om allerlei redenen heb ik er nu niet zoveel zin meer in. Dames en heren, bedankt voor de aandacht en – af en toe - de complimenten. Tot ziens allemaal!


Geplaatst door: Gert de Jager | 26-12-10 om 17:13


Gert de Jager

Ach, je begint weer over iets anders. En verder dacht ik niet dat ik je ook maar iets schuldig was.

Voor wie wil weten wat de achtergrond hiervan was, zie de mallotige scheldpartij hiernaast onder Gentbrugge. Ook toen, het blijkt maar steeds weer, oordeelde Thies iets te snel. In een eerste alinea geeft hij, net als hierboven, een vergissing min of meer toe. Vervolgens begint hij te schelden. Een man, een man, inderdaad.

Interessant allemaal. Voor nu: Schluss.

Willem Thies

@ Gert:

O, dus dáárom uitte je dat 'dreigement', dat bij nader inzien loos bleek. Ik voel me vereerd.

De discussie onder 'Gentbrugge' is inderdaad tekenend - voor vele zaken. Allereerst de Haarkloverij van Harry, waar ik enkel op reageer. Jij meent daar overheen te moeten gaan, en stapelt boven op de Haarkloverij allerlei Sofismen van eigen makelij (zoals dat de grammaticale fout een stijlfout [sic] zou zijn), die ik stuk voor stuk weerleg. Dank voor het in herinnering roepen van dit incident, waarbij ik mij inderdaad in eerste instantie richt tegen Harry de Haarklover, maar waar Gert de Sofist zich graag in wil mengen, met allerhande onzinnigheden.

sodade

scheidt / schijt
uitgesproken onderschijt het zich niet.

Tiens, wat een rotlucht hangt hier. Maar ga vooral verder.

Willem Thies

Goed, nog één dan - voor jou, Sodade.

'De indiaan holde een boom VAN BINNEN uit en maakte er een kano van.'

En laten we er nog een 'totum pro parte' in gooien.

'De indiaan holde een bos VAN BINNEN uit en maakte er een kano van.'

Misschien moeten we in dit geval spreken van een 'totem pro parte'.

Willem Thies

Dat is poëzie, inderdaad: 'De indiaan holde een bos VAN BINNEN uit en maakte er een kano van.'

Nietwaar?

sodade

Een hollende indiaan. Hm, die ruikt stront aan de knikker.
Ik hoef geen bos van binnen, geef mij maar een blad van klein. Bijvoorbeeld.
Zonder lek bladerdek.
Usw.Pfff.

Willem Thies

indianen hollen stammen
hollende indianenstammen
indianen stampvoeten rond kampvuur
jagen op de magistrale stralende bizon

RHCdG

Als ik het goed heb gelezen, dan werpt Gert tegen dat het allemaal wel meevalt met de fouten die Willem opmerkt, terwijl die Willem reden geven om deze bundel af te wijzen.
Gert praat hier recht wat krom is, wat mij betreft. Willem vertoont meer verwantschap met Harry K. dan hem lief zal zijn. Emma zit natuurlijk op het goede spoor wanneer ze zegt dat de dichter precies zijn doel bereikt wanneer de lezer in zijn val trapt.

En toch zou ik, als ik Hesselink was, een andere strategie kiezen. Ik zou mijn lezer nooit op déze manier in verwarring willen brengen. Wat een dichter schrijft aan poëzie mag 'ontregelend' zijn, maar ik zou mijn stoornissen, aberraties, fouten, verhaspelingen en noem maar op willen stileren, dwz op willen nemen in het geheel van mijn poëzie, om die er steviger door te maken, coherenter, meer het werk van een persoonlijkheid. Nu lijkt het alsof die persoonlijkheid via de fouten weglekt, en dat is zonde. Wat dat betreft geef ik Willem gewoon gelijk met zijn kritiek. Alleen de hoeveelheid bewijsmateriaal kan met 80% worden ingekort. Probeer zo'n stuk nou eens in 800 of desnoods 1000 woorden, Thies, al is het bij wijze van stijloefening.

Willem Thies

@ Rutger en de anderen:

Naar aanleiding van deze discussie heb ik nog eens nagedacht over het gebruik van 'slordige beelden', redundantie, overlappingen, verhaspelingen, etc.

Het gaat mij er ook (en vooral) om dat twee beelden (ieder op zich genomen misschien sterk of fraai of indringend, etc.) elkaar in de weg kunnen zitten, teniet kunnen doen, afbreuk kunnen doen aan elkaar. En dat er dan blijkbaar één beeld te veel staat, dat er één beeld zou moeten wijken.

Ik vind wel degelijk dat Hesselink, nu en dan, sterke beelden gebruikt, maar wat mij betreft raken ze 'ondergesneeuwd' in een lawine of 'aardverschuiving' van andere beelden, die deze beelden ondergraven of om zeep helpen (Gert noemt dit een 'proces' maar ik zie annihilatie van de sterke/mooie beelden door andere, zwakkere, verkeerd gekozen (of in enkele gevallen zelfs óók mooie) beelden, maar beelden die elkaar in ieder geval niet 'verdragen'.

Bovendien vind ik dat je soms beter 'om iets uit te drukken' enkele raken beelden kunt nemen, dan nóg een extra beeld om het 'helemaal duidelijk te maken'; en liever suggereren dan expliciteren. Is iets afdoende/voldoende 'duidelijk', dan is zo'n extra toevoeging juist storend. Een 'teveel', een overbodigheid.

Neem, nogmaals, het voorbeeld van de badkamer. In mijn recensie heb ik juist aangegeven dat ik het beeld van 'de schim', of 'het vervagen', 'verbleken', 'verdwijnen' een mooi/sterk beeld vind, voor de geliefden die elkaar ontglippen, 'kwijtraken', 'wegdrijven' in een soort non-existentie.

In 'Breuklijn' (dat speelt in die badkamer) schrijft Hesselink:

'De rust is weergekeerd, hoelang staat zij
daar nu al (...)
op nog geen meter afstand, maar steeds vager
nu damp de douchecabine die ons scheidt
van binnen vult, nu ik steeds beter snap
waarom het warme water van mij af glijdt'


De (geestelijke, mentale, existentiële, emotionele) afstand tussen de twee wordt wat mij betreft veel te vet aangezet: er is alleen al het woord 'afstand' (al is die vrij gering, het wóórd staat er); er is de wand van de douchecabine die ons scheidt; en dan is er ook nog eens damp die de douchecabine vult; en dan ook nog eens VAN BINNEN.

Daarom zei ik, naar aanleiding van dit gedicht (maar het was slechts één van de vele voorbeelden): 'van binnen vullen' is een contaminatie (namelijk een verhaspeling van 'van binnen' en 'van binnen innemen'; zoals 'rakelings scheren langs' een verhaspeling is van 'rakelings gaan/bewegen langs' en 'scheren'; en 'van binnen uithollen' van 'van binnen leegmaken' en 'uithollen'; in al deze gevallen is het deel dat *expliciet* genoemd wordt al *impliciet* in het kernwoord; ik zie het als een verhaspeling/vermenging, Gert als een pleonasme. Dat doet er niet veel toe; de essentie is: het is redundant, overbodig, 'te veel', er is een overlap).

Die expliciet genoemde scheiding door de douchecabinewand én het vervagen van de ik, het aan het zicht onttrokken worden door de damp, de stoom, visualiseert de afstand tussen de twee méér dan afdoende. Alles wat daar boven op komt is niet enkel overbodig - het doet afbreuk.

Dat 'van binnen' is dus in het geheel niet functioneel, of je het nu een contaminatie noemt of een pleonasme. En precies daarom is dit 'excuus' van Gert een sofisme, omdat je het wel áltijd kan tegenwerpen: 'ja, dat is om het te benadrukken': 'witte sneeuw', etc. Ik wilde de nadruk leggen op de witheid van de sneeuw. Het zou kunnen maar in dít geval (en daar hebben we het over) is het 'te veel' - het moet eruit.

Zelfs de (expliciet genoemde) scheidingswand is al wat veel - juist dat beeld van het aan het zicht onttrokken worden door de damp, dat *vervagen* - dát is sterk.

Dan, in aansluiting hierop, over het eerste gedicht: ik zou willen dat Hesselink verbeeldt/visualiseert/aanschouwelijk maakt (of voor mijn part invoelbaar) hoe de twee geliefden *vervagen*, van elkaar vervreemden, langzaam maar zeker een schim worden van zichzelf -- maar hij doet de protagonisten niet 'vervagen', hij maakt *het gedicht* vaag.

En ik houd juist wel van gedichten die in zekere zin rauw zijn, of (o cliché) 'rafelig', of 'onaf', ruw - in die zin slordig. Maar soms moet nu eenmaal het éne beeld wijken voor een ander, soms heb je een prachtig beeld of een schitterende regel, maar die past niet in het gedicht, sterker: die helpt het gedicht om zeep: dan moet dat beeld/die regel sneuvelen...

Enzovoort, enzovoort.

@ Rutger: Ik denk óók dat ik meer verwantschap vertoon met Harry dan mij lief is - en dat is een enge gedachte. Toch moet ik zeggen: mijn 'key focus' ligt echt op de *beelden*, dáár ben ik speciaal alert op: of de dichter aanschouwelijk kan maken, een sterk beeldend vermogen heeft, en - zoals gezegd - of hij die beelden 'op juiste wijze' inzet, of ze elkaar niet in de weg zitten, etc.
Harry is echt volledig gefocust op de taal, tot en met (letterlijk) de plaatsing van een komma.

Zo was het inderdaad het geval dat er in het debuut van Lieke Marsman een aantal taalfoutjes zat, op grammaticaal niveau, op betekenisniveau. Bijvoorbeeld Adriaan Krabbendam heeft daarop gewezen, Chrétien Breukers ook in zijn rubriek 'Het eerste gedicht' laatst. Dat is jammer, dat is zonde, maar ik stoorde mij daar niet heel erg aan. 'Ik neem ze voor lief.' Want ik vind Marsman vooral een behoorlijk getalenteerde dichter, met een sterk beeldend vermogen - haar gedichten 'kloppen', ze stáán.
Evengoed zou een redacteur die fouten eruit moeten ziften.

Maar ik vind het werkelijk onzin om bij een gedicht dat *nog in wording* is, en dat hier op het forum geplaatst wordt, zo fanatiek-paniekerig op spelfoutjes te gaan zitten jagen, en beginnen te roepen naar de redactie als zo'n foutje niet binnen twee dagen wordt gecorrigeerd. Het gedicht staat nog niet in een bundel, is nog in ontwikkeling - geen paniek!

Toch, er zíjn raakvlakken, er ís verwantschap - kennelijk zoek ik ook een bepaalde 'zuiverheid' of 'precisie' of 'weloverwogenheid' en 'overdachtheid' -- óók als het 'eindresultaat' rauw is, losse eindjes heeft, of een zékere slordigheid zijn.

Die slordigheid moet op precieze, weloverwogen wijze tot stand zijn gebracht, en niet door - bijvoorbeeld - opzettelijk *vage* gedichten te schrijven. Niet door 'maar wat te doen'. Niet door de zelfkritiek de mond te snoeren. Niet door dan maar allerlei rare kronkels in een gedicht te leggen. En niet door te besluiten 'niet te kiezen'. Om enige voorbeelden te geven, niet noodzakelijkerwijs op Hesselinks poëzie van toepassing.
(En, inderdaad, van redundantie/overlap/'te veel' houd ik nu eenmaal niet zo; en van beelden die elkaar ondergraven of tenietdoen evenmin.)


Wat betreft je laatste punt, Rutger: ja, dat ga ik doen, al is het inderdaad enkel bij wijze van stijloefening/proef, dit beloof ik, al denk ik daarbij in eerste instantie aan een woord of 1500, en dan langzaam afbouwen tot uiteindelijk 1200-1250; wie weet een keer 1000! Ga ik doen.

Marein Baas

Geen tijd en zin om deze lappen discussie door te nemen, dus wellicht is dit al aangesneden, maar: een scene niet goed scherp kunnen krijgen, is dat niet juist ontregelend?

`

Wel, Marein, je wil je mengen in de discussie zonder je erin te verdiepen c.q. voordien het reeds gezegde te lezen (en ook al hád je tijd, dan had je nog geen zin) - niet onvriendelijk bedoeld maar: welk nut heeft dat? Misschien wel tekenend voor deze tijd, overigens; ergens een flard van opvangen, en toch je mening willen verkondigen.

Maar laten we die filmische vergelijking eens nader beschouwen (en hier voeg ik aan toe: Rutger is veel beter in staat om iets te zeggen over film, en de stilistische middelen van dit medium, etc. etc. Zie zijn beschouwingen over films op zijn weblog): eenvoudig een beeld 'blurren' , of er een filtertje overheen gooien, of gebruikmaken van rare jumpshots, schokkerige camerabewegingen, discontinuïteit in de verhaallijn -- dit is natuurlijk verre van ontregelend, zeker niet meer sinds de postmoderne film (en Rutger zal bijvoorbeeld zeggen: niet meer sinds Godard).

Hoe dit ook zij - een scène of beeld (in poëzie) vertroebelen of *vaag* maken, vind ik al helemáál niet ontregelend: een scène vaag maken is een scène vaag maken, kennelijk in de veronderstelling dat dit ontregelend zou zijn?

Ontregelend, ach, het is zo'n mooi modewoord - ik denk dat het zoiets is als: er wordt een bepaalde verwachting gecreëerd, dan wordt die onderuit gehaald; het verstoort je perceptie, je beleving, op taalkundig niveau of middels beelden. Wat in de jaren '50 ontregelend was, hoeft nu niet meer ontregelend te werken, omdat de 'ontregelingsmechanismen' grotendeels geïnstitutionaliseerd zijn, of gangbaar geworden; wat in de jaren '90 ontregelend was, ... et cetera

Als een scène 'blurren' al ontregelend zou zijn - dat is wel een erg platte 'betekenis' die dan aan 'ontregeling' gegeven wordt, erg inflatoir.

Hoe dat ook zij, in deze discussie doet het weinig terzake: het ging om 'slordige' beelden, redundantie, overlap, 'teveel', suggestie versus explicatie, 'fouten', en niet zozeer over ontregeling.

Maar over die letterlijke 'vervaging'. Ik denk dat je hiermee juist een vooroordeel omtrent poëzie voedt: zij zou 'vaag' zijn, of 'mystiek', of 'zweverig'.

Nee, dat denk ik niet, ik denk dat het een zwaktebod is als een gedicht 'vaag' is... Het kan iets heel onbestemds of onzegbaars of vreemds of zelfs 'vaags' tot inzet ('onderwerp') hebben, maar dat toch zo scherp mogelijk proberen te verwoorden -- en dan wellicht toch falen, tekortschieten, dat maakt niet uit, dat is poëzie. Het gedicht over het onzegbare schiet áltijd tekort; toch is het een heroïsche poging, om het zo scherp en adequaat mogelijk te zeggen. (Gesteld dát een gedicht het 'onzegbare' tot inzet heeft; dat is maar een klein deel van de poëzie.)

Is er een bepaalde stemming, een gevoel, waar je maar héél moeilijk de vinger achter kunt krijgen, in woorden wil vangen, moet je dit niet óók nog eens 'vaag' gaan doen/maken.

Terug naar dat openingsgedicht van Hesselink: ik zou het mooier en effectiever en beter vinden, als hij aanschouwelijk zou maken dat de twee geliefden zouden 'vervagen', langzaam verglijden in een soort non-existentie, en dat niet *het gedicht* vaag werd gemaakt. Of door op een of andere wijze dit proces van 'krimpen' of 'deformatie tot schaduw van zichzelf' te tonen, maar niet door een scène (al dan niet opzettelijk) warrig en vaag te maken...

Enfin, hoe dit ook zij, het ging niet zozeer om ontregeling, maar om 'fouten' (met een zwaar woord), om 'inadequate' of slordige beelden, en om: te véél beelden.

Willem Thies

Dat was ik, `is mijn pseudoniem.

Krijn Peter Hesselink

Misschien zou ik als dichter niet moeten reageren op een bespreking van mijn eigen werk. Toch wil ik kort iets zeggen. Ik ben het met Willem Thies eens dat je als dichter alles altijd zo helder mogelijk moet formuleren, ook als je zoals ik probeert om in woorden te vangen wat normaliter aan de taal ontglipt. Het is aan de lezer om te beoordelen in hoeverre ik daarin ben geslaagd. En het is aan de recensent om publiekelijk ruchtbaarheid te geven aan zijn bevindingen. In die zin heeft Willem Thies gedaan wat hij moest doen (al komt hij niet echt toe aan de vraag in hoeverre de bundel ook echt iets te zeggen heeft).

Van de vele onnauwkeurigheden die Willem Thies meent te ontwaren, werd ik het meest getroffen door de eerste die hij aanstipt. In de eerste strofe van ‘Exodus’ wordt gemeld dat een groep waartoe de ik-figuur zich rekent, hoopt om ‘dezelfde laatste trein / nog net te kunnen halen’. In de tweede strofe wordt gemeld dat de spreker staat te treuzelen. Willem Thies merkt terecht op dat de in strofe één veronderstelde haast strijdig is met het tijdrekken in strofe twee.

De vraag is hoe ernstig deze tegenstrijdigheid is, of nauwkeuriger: in hoeverre deze tegenstrijdigheid functioneel zou kunnen zijn. In ‘Exodus’ heb ik (net als in de verwante gedichten ‘Rood sein’ en ‘Bestemming ongewenst’) geprobeerd om een droomachtige fluïditeit te bewerkstelligen. De waarheid van het moment geldt slechts voor het moment. De haast en het gebrek daaraan zijn twee verschillende tendensen waar de ik-figuur op verschillende momenten in verschillende maten aan onderhevig is. Als ik de lezer daarin mee weet te krijgen, is er geen probleem. Dat mij dat bij Willem Thies niet is gelukt, kan ik slechts nederig aanvaarden.

f.starik

tsja. en dan merkt de dichter zelf iets verstandigs over zijn eigen poëzie op, dan is de discussie inmiddels gesloten. zijn al die met zoveel hartstocht beleden standpunten alweer vergeten. jammer.

RHCdG

Zo gaat het met internetdiscussies: wie er niet bij was, is een loser. Maar afgezien daarvan: hoe wil Starik dat op deze reactie van de dichter nog gereageerd zou moeten worden?

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...