Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Nieuw gedicht Daniël Vis | Hoofdmenu | Poëzierapport: Frederik Lucien De Laere »

23 december 2010

Delmotte over recenseren + reacties

Onlangs verscheen Watermerk, een doorslag van 10 jaar literaire passie; een bloemlezing van gedichten die in de loop van 10 jaar Dighter werden gepubliceerd. "Van elke geselecteerde dichter die gedurende de voorbije 10 jaar één of meerdere bijdrages leverde, werd één gedicht weerhouden. Deze dichters werden vervolgens in alfabetische volgorde in de bloemlezing opgenomen. Verder komen de redactieleden van DIGTHER aan het woord." Een van die redactieleden is Alain Delmotte, die een essay bijdroeg onder de titel 'De poëzierecensie die niemand ooit zal schrijven.'

Ik citeer uit zijn essay: "Als ik mezelf observeer dan merk ik dat het heel zelden gebeurt dat ik een recensie in een krant herlees. Bij het ontbijt, tijdens de middagpauze, op de trein. Ik lees een krant meestal onoplettend. Ik zoek er niet zoveel in. Ik wil te weten komen wat er onlangs aan nieuwe boeken is verschenen. Ik wil een eerste indruk over die boeken. ’s Avonds heb ik er al geen tijd meer voor over. De boekenbijlage is dan al uit mijn hoofd. Waarschijnlijk ook al uit het hoofd van wie de bijlage samenstelde. En zoals bekend: poëzierecensies staan er nauwelijks nog in."

Het hele stuk kunt u hier (in pdf) lezen.

We hebben een aantal recensenten om een reactie gevraagd. Willem Thies (Poëzierapport) en Luuk Gruwez (De Standaard) antwoordden.

Het antwoord van Willem Thies is hier te lezen, eveneens in pdf.

Luuk Gruwez schreef:

"[Ik las] het fraaie en heldere essay van Alain Delmotte gelezen. Ik ben het daar eigenlijk over de hele lijn mee eens. Ik verzorg in De Standaard der Letteren één keer per maand een rubriek die De Sirene heet. Daarin bespreek ook ik in principe enkel die bundels die ik het bespreken waard vind. In een tijd waarin de ruimte voor poëzierecensies hoe dan ook beperkt is, wil ik geen woorden verspillen aan gedichten die dit naar mijn smaak niet verdienen. Bovendien vind ik, rekening houdend met bovenstaande vaststelling, dat ik mij als recensent een zekere attitude moet aanmeten waarin ik afstand doe van persoonlijke voorkeuren. Ik ben namelijk nagenoeg de enige die in De Standaard Nederlandstalige poëzie bespreekt.

Ik heb altijd al een onderscheid gemaakt tussen de poëzie die ik respecteer en waarvan ik de kundigheid inzie enerzijds, en deze waarvan ik daadwerkelijk houd anderzijds. Natuurlijk heb ik mijn voorkeuren, maar de recensent Gruwez vindt het wijs dat hij de dichter Gruwez af en toe het zwijgen oplegt. Mij als het orakel van Delphi opstellen en één enkele zaligmakende poëtica propageren zou vanwege mijn monopoliepositie als enige recensent inhouden dat ik mij automatisch schuldig maak aan een falsificatie en een te eendimensionele inkleuring van het literaire landschap. Bijgevolg betracht ik een zekere nederigheid en probeer ik, mede vanwege het feit dat dit literaire landschap vandaag meer dan ooit een enorme diversiteit laat zien, elke vorm van dogmatiek te vermijden en verkies ik bewust de rol van spreekbuis boven die van predikant. Wij beleven, althans in de West-Europese cultuur, een tijd die nog maar weinig opheeft met canonieke dwingelandij. Gelukkig maar, want zelf weet ik het ook zo goed niet en karakterieel ben ik zo uitgerust dat het mij doorgaans nogal moeilijk valt te oordelen. Laten wij zeggen dat het belangrijkste oordeel dat ik vel te vinden is in het feit dat ik elke maand weer een keuze maak. Een keuze die vanzelfsprekend betwistbaar is. Een beperkte keuze ook die ik in een klimaat met meer ruimte voor poëziebesprekingen minder zou hoeven te maken."

Reacties

Willem Thies

Met excuses voor de tikfouten hier en daar - de reactie is inderhaast, maar naar eer en geweten, tot stand gekomen.

Chrétien Breukers

Wijzigingen kunnen altijd worden doorgevoerd. Morgen.

RHCdG

Thies nog niet gelezen, maar lees ik dit van Gruwez nou goed? Dus omdat hij zo'n beetje de enige is in Vlaanderen die recenseert, vindt hij dat hij niet namens zichzelf mag spreken in zijn recensies, en betracht hij in plaats daarvan objectiviteit? Dat is dan wel een hele doorzichtige retorische truc, neem me niet kwalijk, bedoeld om zijn besprekingen meer gezag toe te kennen: 'dit is niet zomaar een particuliere mening, nee, u leest hier de waarheid'.

Maar nog afgezien daarvan: waarom toch ooit jezelf het zwijgen opleggen? Of je nou recensent bent of iets anders, wat voor goede reden valt daar voor te bedenken? En in dit geval: is het Gruwez' verantwoordelijkheid dat hij de enige recensent is? Ik zou in zijn plaats denken: wat een weelde, ik heb het rijk alleen, en als het de mensen niet bevalt, dan laten ze maar een ander geluid klinken ergens. In plaats daarvan krijgen we dit jammerverhaal over de beroerde stand van zaken, op basis waarvan Gruwez voor zichzelf goede zaken denkt te kunnen doen.

Paul van de Wiel

Wat een onzin! Gruwez probeert op een sympathieke manier de nederigheid te betrachten en nou is het weer niet goed. Al die dichters en recensenten zijn zo zeurderig kritisch tegenover elkaar en vaak ook hatelijk. (goede zaken, laat me niet lachen).
Paul

RHCdG

Het stuk van Willem is vergelijkenderwijs een toonbeeld van oprechtheid, liefde voor het vak en voor de poëzie, een blijk ook van eigen inzet, en zelfs van enig zelfinzicht wanneer hij zegt dat het "een ((semi)live) leeservaring" is.

Het lijkt inderdaad vaak alsof Willem direct opschrijft wat hij denkt of voelt, alsof hij mééschrijft. Dat is fantastisch en doet me denken aan uiteenlopende figuren als Derrida en Beethoven. En toch heb ik na lezing van zijn stuk het idee: OK dit waren de aantekeningen, maak er nu een artikel van.

Hans Smit

Eens met de lof én kritiek van RHCdG op het stuk van Willem Thies.

De kritiek op Gruwez vind ik wat vreemd. Hij zegt immers nergens dat hij zo'n beetje de enige is in Vlaanderen die recenseert. Wel maakt hij een onderscheid tussen poëzie die hij wel goed vindt en waarvoor hij warm loopt, en poëzie waarvoor hij misschien niet warm loopt, maar waarvan hij wel de kwaliteit inziet. Dat is iets wat volgens mij elke dichter doet, en zeker elke recensent. Gruwez beweert ook nergens dat hij de waarheid spreekt, hooguit zijn eigen waarheid - het is immers evengoed zijn mening wat hij voor kwaliteit verslijt en wat niet.

'Ik zou in zijn plaats denken: wat een weelde, ik heb het rijk alleen, en als het de mensen niet bevalt, dan laten ze maar een ander geluid klinken ergens.'

Dat is misschien wel de reden dat Luuk Gruwez voor De Standaard schrijft, en RHCdG op eigen gelegenheid een ander geluid laat klinken voor wie het graag hoort (en ik hoor het persoonlijk graag). Dat is dan toch mooi geregeld?

'In plaats daarvan krijgen we dit jammerverhaal over de beroerde stand van zaken, op basis waarvan Gruwez voor zichzelf goede zaken denkt te kunnen doen.'

RHCdG, wat bedoel je daar nu eigenlijk precies mee? Het klinkt een beetje paranoïde zoals het er nu staat, en dat is vast niet de bedoeling.

Willem Thies

@ Hans: maar volgens mij ligt de essentie voor Rutger besloten in het 'afstandelijk', los van persoonlijke voorkeuren (of, denk ik er dan bij, positie in de wereld, temperament, geschiedenis, etc.), bespreken. Als het ware 'objectief' inderdaad. Is dit wel mogelijk, is dit haalbaar, is dit wel wenselijk? Ik denk dat als je een werkelijk objectieve recensie zou schrijven, je je zou moeten beperken tot het zouteloos opsommen van: afmetingen, gewicht, aantal pagina's, papiersoort, lettertype, prijs, en zo nog wat onbetwistbare, meetbare zaken.

Volgens mij is de objectiviteitsclaim zeker sinds het historisme en narrativisme losgelaten. Zo ook bij een bespreking (je selecteert materiaal, brengt een ordening aan, een structuur in je betoog, je hebt een vertrekpunt).

Overigens wil dit niet zeggen dat Luuk Gruwez werkelijk afstand neemt van zijn persoonlijke voorkeuren, opvattingen, etc.

Ik heb meermaals recensies van hem gelezen, vooral die welke op de site Versindaba zijn geplaatst (en doorgaans ook in 'De Standaard' hebben gestaan)(en uiteindelijk ook op De Contrabas), en die zijn juist erg gekleurd door persoonlijke 'positie in de wereld', voorkeuren en afkeer, bewondering/aantrekking of ergernis, de persoonlijke beleving, kortom.

Uit 'Versindaba' citeer ik twee fragmenten, respectievelijk van zijn bespreking van 'De dingen de dingen de dans en de dingen' van Pim te Bokkel en 'Doodsbloei' van Pieter Boskma.

***
'Er doen over de gedichten van Pim te Bokkel (1983) meningen de ronde die mij aanvechtbaar lijken. Zijn zij echt, zoals men hier en daar beweert, zo vrolijk? Ik word niet bepaald vrolijk van vrolijke poëzie. Ik vind haar namelijk maar zelden poëzie. Maar deze gedichten vormen daar dan een uitzondering op. Bovendien staat in Te Bokkels bundel minstens één gedicht dat op het tegendeel van vrolijkheid lijkt te wijzen. De tweede helft daarvan gaat als volgt: ‘Er was een gat in de grond/ waar je kist in kon/ Er lag een mooie hoop zand in de zon/ Er ging een schep zand in het gat/ toen hup een steen erop/ een gat/ en dat was dat’. Het akelige aan geluk is dat iedereen weet dat het op een mooie dag op is.

Nog zo’n discutabele mening: de achterflap vertelt ons (misschien bij wijze van grapje) dat deze nieuwe gedichten ‘woest romantisch’ zijn. ‘Woest romantisch’: waar haalt men het? De dichter verminiatuurt dat woeste dan wel heel erg grondig; het krijgt een zuinige, Hollandse ondertiteling. Desondanks of misschien wel dankzij dit feit ligt hier een geslaagde bundel voor ons.'

****

Over 'Doodsbloei' van Pieter Boskma (ook verschenen in 'De Standaard'):

'Ik val maar meteen met de deur in huis: ‘Doodsbloei’ had een meesterwerk kunnen worden, maar is dit niet. (...)
Hoe komt het dat je als lezer niet snel geneigd bent af te haken, al bespeelt Boskma hier 283 bladzijden lang vaak dezelfde gedachten? Hoe komt het dat wat zo monomaan wordt herhaald niet navenant veel monotonie oplevert? Allicht omdat dit monomane, vanwege de omvang waarmee het beleden wordt, een zekere roes opwekt. Boskma kan zijn mond niet houden. Boskma weet niet van ophouden. Dit is tegelijk irritant en noodzakelijk. De dichterlijke verslaving intoxiceert in de meest geslaagde verzen ook de lezer. Elders dreigt de dichter hem te ergeren, vooral wanneer hij met regelrechte stoplappen, rijmdwang, pathos en versleten natuurlyriek komt aandragen. (...)
Boskma is zich ervan bewust dat hij de junkie van zijn eigen verdriet is geworden. En hij grossiert in de euforie van dat verdriet. Hij kan die pijn eigenlijk geen ogenblik missen, omdat hij dan voorgoed zijn geliefde moet ontberen. '


Ik vind dit twee goede, *juiste* besprekingen - maar dat vind ik mede omdat Luuk Gruwez juist wel zijn beleving, of dit nu vervoering is of ergernis, zijn bewondering/voorliefde of afkeer (bijvoorbeeld van zgn. 'vrolijke' poezie), toelaat in zijn recensie, deze juist wel een rol laat spelen in zijn oordeel.

Overigens ben ik het ook eens met Gruwez' oordeel in beide gevallen: 'Doodsbloei' van Boskma vind ik een groots, indrukwekkend en bewonderenswaardig project, buitegengewoon ambitieus in zijn opzet/inzet - maar slechts ten dele geslaagd in de (technische) uitwerking. Ik ben het eens met de kanttekeningen/bedenkingen die Gruwez plaatst, met zijn *realtiveringen*. En het is dapper om dit te doen: volgens mij is 'Doodsbloei' in Nederland unaniem bejubeld, en dat is mede vanwege sentimentele redenen - en natuurlijk vanwege die heroische poging, die grootse onderneming, die geweldige inspanning. Maar de ambivalentie tegenover dit werk verwoordt Gruwez goed - ik zou bijna zeggen: *juist* omdat hij persoonlijke overwegingen, ovedenkingen en bedenkingen toestaat in zijn besprekingen.

(En ook wat Te Bokkel betreft - nu ja, over zijn bundel heb ik zelf geschreven, Poezierapport. Mijn oordeel komt goeddeels overeen met dat van Gruwez.)

Willem Thies

Maar Alain Delmotte zegt natuurlijk veel meer in zijn betoog:

o.a. er bestaat een misnoegdheid ten aanzien van poezierecensies.

Hij heeft het over de (wat miserabele, meen ik; maar dat zou ik even moeten teruglezen, maar dat lukt nu niet - FATAL ERROR OCCURRED) staat van de poeziekritiek, nu zij overal teruggedrongen/verdrukt wordt.

Enzovoort.

Hoe hij zelf recensies schrijft en wenst te schrijven is slechts een onderdeel van zijn uiteenzetting (en ook van de mijne).

Willem Thies

Overigens zit dit hele dilemma al besloten in twee zinnen die Gruwez zelf uitspreekt:

'In een tijd waarin de ruimte voor poëzierecensies hoe dan ook beperkt is, wil ik geen woorden verspillen aan gedichten die dit naar mijn smaak niet verdienen. Bovendien vind ik, rekening houdend met bovenstaande vaststelling, dat ik mij als recensent een zekere attitude moet aanmeten waarin ik afstand doe van persoonlijke voorkeuren.'

'(...) die dit NAAR MIJN SMAAK niet vedienen. (...) een attitude (...) waarin ik FSTAND DOE VAN PERSOONLIJKE VOORKEUREN.'

Je volgt je smaak *en* doet afstand van je persoonlijke voorkeuren - dat bijt elkaar.

Doet er verder niet zoveel toe, het gaat uiteindelijk om de recensies, en die bevallen me - maar deze reflectie is niet heel handig of adequaat geformuleerd.

Maar goed, zoals gezegd, het gaat in het betoog van Delmotte om *zoveel meer*. Eigenlijk ook om de status van de poezierecensie - wekt zij werkelijk zoveel dedain of misnoegdheid, is zij werkelijk volledig gemarginaliseerd? Dat zijn eigenlijk de vragen/kwesties die Delmotte opwerpt.

Hans Smit

Okee, dat is een tegenstrijdigheid in het betoog van Gruwez, inderdaad. Wellicht bedoelt hij ermee dat zijn 'smaak' zijn 'persoonlijke voorkeuren' overstijgt, in die zin dat hij bij zijn 'smaak' ook de poëzie rekent die hij wel kwaliteit vindt hebben, maar persoonlijk niet tot zijn favorieten rekent. In elk geval staat het er hoe dan ook niet erg handig. Maar om op grond van die onhandigheid meteen te worden afgeserveerd als volbloed Machiavellist omdat je signaleert dat er (overal behalve hier :-) steeds minder ruimte is voor poëziekritiek...

RHCdG

"Ik ben namelijk nagenoeg de enige die in De Standaard Nederlandstalige poëzie bespreekt."

Daar staat inderdaad niet in 'België' maar in 'De Standaard', maar dat doet er volstrekt niet toe: Gruwez heeft die constructie nodig om zichzelf onmisbaar te maken, zichzelf zogenaamd beperkingen op te leggen (hij leeft en lijdt voor zijn volk) en om zijn besprekingen vervolgens het odium van objectiviteit, d.i. waarheid, mee te geven.

Ik heb verder niks tegen Gruwez, hij zit mij niet in de weg, ik heb hiervoor nog nooit een letter van hem gelezen en ik vind het prima, ook als ik voor paranoïde moet doorgaan, maar deze tekst roept deze reactie in mij op. Ik ben blij dat ik RHCdG ben, die zo zwaar drukkende verantwoordelijkheid niet voel, en volstrekt mezelf kan zijn en blijven.

Eric Rosseel

Ik wens geen reactie achter te laten.
Is daar net geen redactie voor, die voor zo'n initiatieven van cultuurparticipatie subsidies krijgt?

Willem Thies

Beste Chrétien [een goede naam dezer dagen: 'Gezalfde', 'Drager van Christus'],

Wijzigingen waren altijd mogelijk, zei je hierboven. Welnu, deze zijn de volgende:

- Bovenaan op p. 2 van het PDF-bestand, de derde alinea, 3de regel: 'gewijd en' moet zijn: 'gewijd aan'

- Zelfde pagina 2, in de alinea door witregels geflankeerd, geef ik een opsomming van vijf (als zodanig aangegeven) punten: bij punt 3): 'haat' moet 'haar' zijn

- Pagina 3: vlak voor de eerste witregel: 'tunevisie' moet 'tunnelvisie' zijn

- Laatste alinea van pagina 6 - zesde regel van deze alinea: 'i' moet 'ik' zijn

- Pagina 7: derde alinea, 1e regel: 'mij' moet 'mijn' zijn....

Dat was het. Dank!

Chrétien Breukers

Die wijzigingen zijn al opgenomen hoor.

Hans Smit

Ha RHCdG! Dat klinkt heel autonoom en oprecht, maar ik heb je die Schwalbe een keer te vaak zien maken. Eerst kom je uit de hoek met een soort verbale Nigel de Jong-trap, daarna draai je een soort macrootje af als: 'ik ken [vul hier de tegenstander van het moment in] niet, en heb niks tegen [herhaal naam tegenstander], en trouwens ook niks van hem gelezen en ik hoop dat hij honderd jaar wordt en een miljoen boeken verkoopt, maar...'

Het enige wat ik daarvan geloof, is je oprechte afkeer van iedereen die een zekere positie heeft om poëzie te populariseren, en daarvan gebruik maakt - wat bij jou kennelijk de volautomatische reflex activeert dat zo iemand minstens uit is op zelfpromotie, zelfverrijking, literaire macht of weet ik veel wat. Mensen doen ook nog wel eens iets uit hun hart. Bovendien blijft bij dit soort verwijten altijd zo onduidelijk waar die 'goede zaken' dan uit bestaan. Ken jij een recensent die er van kan leven?

Die afkeer is ieders goed recht. De daaropvolgende reflex zal best vaak terecht zijn, maar in dit geval ben ik niet overtuigd, juist omdat ik wél vrij veel van Gruwez heb gelezen en niets van zijn werk herken in je oordeel, dat alleen op dit ene stukje tekst gebaseerd is. Voor mij hoort Gruwez bij mensen als Gerrit Komrij, wijlen Herman de Coninck en Guido Lauwaert; mensen die, in de woorden van De Coninck, 'de poëzie willen populariseren zonder haar ingewikkeldheid op te geven'.

Dat is in mijn ogen toch even een ander kaliber mensen dan de netwerkende, crossoverende, slammende multimediaal de CKV- smaak van de maand rappende poëten die die reflex wellicht ooit in je brein hebben geplant.

RHCdG

Ik ga hier niet heel lang op door, maar ik zeg dit: ik wijs juist op de feiten in het stukje - ik haal er verder niks bij, en er kan dus ook niks worden vertroebeld daardoor. Dat stukje stinkt, dat heeft niets met popularisering te maken en met wat ik daarvan zou vinden - ik word daardoor ook in een soort ontoegankelijkheidshoek gezet zonder dat ik daarom vraag - en voor de rest wens ik iedereen de criticus toe die hij verdient.
De 'zaken' waar ik het over heb zijn natuurlijk niet direct financieel; we hebben het over poëzie. Maar juist daarom: waarom denk je dat mensen naar de poëzie trekken? Omdat er ander kapitaal te halen valt. Je kunt er de Jezus uithangen, en sommige lezers hebben daar waardering voor. Ik niet.

Willem Thies

@ Hans:


Ik denk niet dat status of kwaliteit van het dichterschap van Luuk Gruwez hier ter discussie staat. Noch van zijn recensentschap, overigens. Ik haalde voorbeelden aan van praktijkvoorbeelden, prima recensies.

Maar: is het mogelijk te zeggen wat zonder meer (los van eigen oordeel, voorkeur of smaak) *goed* is, 'het bespreken waard', welke bundel het 'verdient' gerecenseerd te worden - en nogmaals: zonder daarbij eigen oordeel / voorkeur etc. te volgen?

Kortom: kun je *weten* (als recensent) wat onweerspreekbaar en onbetwistbaar goed IS, OBJECTIEF goed dus, ongeacht je eigen voorkeur of afkeer. En kun je je zo'n ABSOLUTE kennis toe-eigenen, kun je zo'n objectiviteitsclaim rechtvaardigen - is het geen onhaalbare kaart, een vorm van aanmatiging?

Wie BEPAALT dan uiteindelijk welke bundels goed en het bespreken waard zijn - die een recensie verdienen? Welke bundels hebben kwaliteit genoeg, los van het eigen oordeel.

Wie bepaalt dat alles? Wie maakt de afweging?

Uiteindelijk - in laatste instantie - toch die recensent, i.c. Luuk Gruwez.

Nogmaals: het maakt mij niet uit, ik lees zijn recensies graag, en het is maar reflectie op het eigenlijke schrijven, en het *gaat* om het eigenlijke schrijven (van die recensie), niet om de overpeinzing daarover, de 'verantwoording' erbij. Maar dit is wel waar Rutger op reageert. Een zekere objectiviteitsaanspraak, die je uiteindelijk denk ik niet hard kunt maken.

Zoek maar eens naar voorbeelden:

Rijtje dichters, en laten we zeggen, dit zijn de 'beste' dichters (for argument's sake):

Wijnberg, Schaffer, Duinker, Brassinga, Pfeijffer, Nasr, Wigman, Esther Jansma, Oosterhoff, Michel, Ter Balkt, Lampe.

En dan noem ik slechts enkele namen, waarvan toch wel vrij algemeen wordt aangenomen dat zij daar inderdaad toe behoren.

Nu vind ik zelf al 1 van bovengenoemde dichters verre van goed, een ander vind ik ook niet tot de beste dichters behoren, maar wel aardig, en dan zijn er wel vier dichters van wie ik wel de kwaliteit inzie maar die mij niet aanspreken (maar goed, hierin maakt Gruwez wel duidelijk onderscheid; en wat dat punt betreft - daar kan ik wel in meegaan).

Maar hoe kun je beweren dat je je particuliere bepaaldheid overstijgt en spreekt vanuit een soort 'objectieve positie', een positie van 'absolute kennis', Alwetendheid? Is dat geen geval van hybris? (Jezelf het vermogen toe te kennen niet namens jezelf te spreken maar 'objectieve' schoonheid/kwaliteit etc. te herkennen.)

Is het wel haalbaar/mogelijk, en vooral: is het wel wenselijk?

Hans Smit

Ha Willem! Twee keer nee, denk ik, onwenselijk en onmogelijk. En RHCdG, dat is natuurlijk waar, van dat hokje, en niet mijn bedoeling. Excuseer.

RHCdG

Willem, bedankt.

Gert de Jager


Inderdaad een prachtig stuk van Delmotte. Zijn ervaringen als lezer van recensies herken ik maar al te goed; zijn relativering van het belang ervan kan ik me voorstellen. En toch, hoe snel en vluchtig recensies ook gelezen worden: het is dankzij literaire kritiek in de breedste zin van het woord dat er fenomenen als literatuur en poëzie bestaan. Zonder kritiek zou er geschreven en gelezen worden; misschien niet minder dan nu. Maar wanneer er niet werd gekibbeld over maatstaven en eventuele meesterwerken bestond de wereld uit weinig meer dan publiekssuccessen en narcistisch gemijmer. Delmotte weet dat vast wel.

Gruwez’ taakopvatting lijkt me een bij uitstek professionele. Elke redacteur, uitgever, leraar, literatuurhistoricus heeft zichzelf ooit uit het paradijs verdreven en een variant van diens schizofrenie tot een tweede natuur gemaakt. Dat Rutger weigert afstand te nemen van zijn rol als toegewijd lezer is mooi en respectabel. Maar de instituties van de literatuur – ook hij heeft ze nodig.

Zo. Dat was de laatste keer dat ik op de reactieknop drukte. In de loop van drieëneenhalf jaar heb ik me gemengd in ruim tachtig discussies. Ik raakte gewend aan het format en ben op ideeën gebracht die ik anders misschien niet gehad zou hebben. Ik heb soms flink uitgedeeld en soms flink geïncasseerd. – Hé, mijnheer Sinatra!

Om allerlei redenen heb ik er nu niet zoveel zin meer in. Dames en heren, bedankt voor de aandacht en – af en toe - de complimenten. Tot ziens allemaal!


Hans Smit

Tot ziens, Gert. Ik zou je wel achterna willen, maar vrees dat ik het nog niet kan laten.

RHCdG

Het spijt me, en met alle sympathie voor Alain, maar ik vind zijn stuk helemaal niet zo sterk. Het heeft de verdienste dat het wat handvatten biedt voor discussie, maar ik zou niet kunnen zeggen wat nou de inzet ervan is, hoe die wordt gevolgd en tot een uitspraak leidt. Daarom ben ik ook niet ingegaan op Chrétiens uitnodiging om erop te reageren.

En Gert, God mag weten waarom je er geen zin meer in hebt hier, maar stuur wat studenten deze kant op als je wilt, want zonder vers bloed kan het hier ook niet vloeien.

Gerard Scharn

Gert,

ik zal je bijdragen missen!

Harry J.M. Kleinhoven

@ Chrétien. Waarom staat in de titel van dit stuk het woord 'recensenseren'? Is dat een neologisme? De betekenis ervan ontgaat mij. Of is het een tikfout? Het stuk gaat immers over *recenseren*? Of wil het woord een verbinding leggen met gevoeligheden (en dus: sensibiliseren)?

Harry J.M. Kleinhoven

Het staat er ondertussen verbeterd, zie ik.

Chrétien Breukers

Ik deed het niet expres, het was gewoon een fout.

Rene Huigen

De waarheid houdt zich niet op in het oordeel, maar in de ontdekking van de betrekking. Voorbeeld: als een schilderij scheef hangt, dan is het feit dat het scheef hangt niet zozeer de waarheid, als wel het feit dat door een waarnemer deze ontdekking wordt gedaan. Zogezegd is er in de verbondenheid tussen de subjecten onderling altijd sprake van intersubjectiviteit; daarbij echter dienen de objectieve criteria, op basis waarvan men elkaar verstaat, niet vergeten te worden. De ontdekking dat het schilderij scheef hangt gaat vooraf aan de vaststelling dat het scheef hangt.

Is een criticus niet iemand die in elke bespreking weer opnieuw soortgelijke ontdekkingen doet, maar niet zonder dat hij daarbij aan objectieve criteria gehouden is?

Relevant in dit verband is het om te lezen dat Luuk Gruwez elke vorm van dogmatiek zegt te willen vermijden. Onbedoeld wellicht schaart hij zichzelf hiermee achter een denkrichting die in de filosofie als het scepticisme bekend staat. Anders dan in de dogmatiek, waar stellingen worden betrokken en verdedigd, wordt het scepticisme gekenmerkt door een met name descriptief karakter, uit oogmerk waarvan men, om tot het wezen der dingen door te kunnen dringen, juist het oordeel probeert op te schorten.

Zij die beweren dat objectieve kritiek niet langer mogelijk is, zouden idealiter gesproken en aldus geredeneerd nooit tot een oordeel kunnen komen.

Is dat niet de paradox, of beter nog: de impasse waarin de algehele literatuurkritiek zich tegenwoordig bevindt?

RHCdG

Je formuleert een opvatting als een vraag en dat beneemt me al bijna de moed om erop te reageren. Anyway, je vergelijking is wat opgeblazen, want scepticisme en dogmatiek staan niet als elkaars alternatief tegenover elkaar. Het gaat om het moment waarop je tot een oordeel besluit. Ook sceptici oordelen, neem het van me aan, en dogmatici zullen ongetwijfeld wel eens twijfelen.

Wat Gruwez misschien door elkaar haalt, is het verschil tussen niet dogmatisch te werk willen gaan, en zeker zijn van jezelf: niet van de onfeilbaarheid van je oordeel, maar van jezelf. Ontbreekt dat laatste, dan krijg je vaak de grootste flauwekul te horen.

Rene Huigen

Rutger, je hebt gelijk wanneer je stelt dat de vergelijking die ik maakte enigszins opgeblazen is, maar ik meende beide standpunten wat verder uiteen te moeten drijven, om aldus het contrast te vergroten en mijn punt duidelijk te maken. Natuurlijk ontkomt de scepticus niet aan een oordeel, en ja, ook de dogmaticus twijfelt wel eens. Wat ik wilde zeggen is dat wie oordeelt – en dat doet een criticus – per definitie objectiveert en een waarheids- en dus objectiviteitsclaim doet gelden. Alleen hanteren beiden andere opvattingen over wat waarheid en objectiviteit is. De een doet het in graduele, en de ander in absolute zin.

Waar de een het oordeel zo lang mogelijk opschort om zijn betrekking tot het object door dat object te laten bepalen, toetst de ander dat object aan een reeds ingenomen standpunt dat samenvalt met wat hij als waarheid vooronderstelt.

Als ik het me goed herinner – en nu moet ik uit mijn geheugen putten – schreef Willem Thies in reactie op deze 'post' ergens dat hij vaak al een oordeel heeft over een bundel voordat hij er een kritiek over gaat schrijven.

Wat me aan de houding van scepticus bevalt is dat die niet vooringenomen is. Als het goed is doet deze niet alleen ontdekkingen terwijl hij leest, maar ook terwijl hij zijn leeservaringen onder woorden poogt te brengen – wat weer iets heel anders is, omdat het oordeel dat hij zich tijdens het lezen vormt zich niet zomaar in de vorm van de kritiek laat formuleren. Hij doet derhalve twee ontdekkingen, die niet noodzakelijkerwijs in elkaars verlengde liggen. Zo kan een kritiek tot verbazing van de criticus negatiever uitpakken dan hij had gedacht, of andersom.

Hoe dan ook, waar het om gaat is dat in die ontdekkingen niet een oordeel, maar een bevindelijkheid besloten ligt, niet in religieuze, maar in ontologische zin. Het gedicht maakt zogezegd, in de verbinding met de lezer, een zich bevinden in de wereld mogelijk, sterker nog: het constitueert die. En daar wil ik graag over lezen.

Bij de andere houding weet de criticus zich voornamelijk tegenover een object geplaatst. Hij vindt iets van het gedicht, legt het zijn smaak, mening of discours op, meer dan dat hij zijn smaak, mening of discours door het gedicht laat bepalen.

Zo schreef Guus Middag bijvoorbeeld in het NRC over de laatste gedichtenbundel van Alex de Roode: ‘zo gaat het vaak bij De Roode: de melancholie wordt overwonnen in en door de vorm – zoals in alle goed poezie.’

Kijk, hier is een dogmaticus aan het woord.

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...