Vandaag in deze rubriek het openingsgedicht van de bundel Wie wij schuilen van Sasja Janssen.
Om het even helder te stellen, voor alles en iedereen: in deze rubriek lees ik openingsgedichten van onlangs verschenen bundels, zonder gebruik te maken van bronnen en zonder de gedichten te plaatsen in hun context, zijnde de rest van de bundel.
Verlaat
Wij verlaten ons. Wij geven ons niet terug, kom nou.
Er staat nog wat hondenmelk in de ijskast, vergeet
dat niet, we zijn zo zonde en hangen ons op aan de
donkergroene dag.
Als er niets over is, dan spijt dat ons niet meer.
O, kijk ook nog even in de dekenkist, daar lag een keer
een hert. Als het leeft, blieft het géén hondenmelk, alleen
wij weten hoe gezond dat is, wat weet een hert daarvan.
Zeg het dat wij niet meer weten wat het lust om
te leven, dan kunnen wij er niets aan doen.
Sommigen zullen denken dat wij in de zuilen van de bomen
verblijven, wie zoiets denkt heeft te veel verhaaltjes gelezen.
Dat is niet meer van onze tijd.
En ja, wij komen terug zonder ons.
Dag hemel in cipressenrouw. Dag hemelende cipres.
Regel twee, idem. "Wij geven ons niet terug, kom nou." Ja. Wij verlaten ons, en geven ons niet terug. Aan wie? Aan elkaar? Is het dat? Worden "wij" vreemden voor elkaar? Dat zou kunnen.
Dan verder. De hondenmelk in de koelkast is verklaarbaar, zij het dat we nog geen hond zagen. Misschien is die er niet, misschien is er alleen hondenmelk, in de koelkast. Alleen gescheiden door een komma weer een mededeling die niet meteen te bevatten is.
"Wij zijn zo zonde" kan een echo zijn van die hondenmelk; dat het zond is om die te laten staan, "en hangen ons op aan de / donkergroene dag" is zowel letterlijk (kan niet) als figuurlijk ("het is een donkergroene dag en nou ja, vooruit dan maar") niet meteen helder.
Toch is het een mooie strofe. Muzikaal, geheimzinnig, uitnodigend om de tweede strofe te lezen. Kortom, het is poëzie.
Strofe twee zet in: "Als er niets over is, dan spijt dat ons niet meer." Dit gaat, als we de rest van deze strofe lezen, niet over de hondenmelk. Want die mag je weer niet aan het hert geven, stel dat het hert in de dekenkist ligt. Waar het vroeger wel een keer lag. Het is een beetje een dom dier, het hert.
De strofe besluit weer met twee botsende en knarsende regels: "Zeg het dat wij niet meer weten wat het lust om / te leven, dan kunnen wij er niets aan doen." Een actieve vorm van herteneuthanasie, lijkt me; wat kan dat beest in hemelsnaam zeggen, nadat hem dit is toegevoegd? Veel te eten zal het niet meer krijgen.
De slotstrofe schakelt door naar baldadig. Tot regel vier. Dan is het ineens weer: "En ja, wij komen terug zonder ons." Wij, almaar wij. Dát is het natuurlijk. Wie wij schuilen – dat zijn allerlei vragen (wie? wie schuilen? wie, wij? {als: "wie zijn wij?}) en een paar mededelingen (wij schuilen, wie wij {laten} schuilen) in één.
Dit gedicht, met een eveneens nogal meerduidige titel, is een variatie op dat motief. De dichter goochelt met woorden als "wij", "verlaten" en "wie" – waaraan je, als je de titel een beetje in het Limburgs leest, ook nog kunt toevoegen: "Hoe wij verlaten."
In dit gedicht, verbonden met "herinneringen" aan bijvoorbeeld een dekenkist, een hert, hondenmelk, de zuilen van bomen, en misschien zelfs aan een "dode" vakantie ("Dag hemel in cipressenrouw. Dag hemelende cipres.") wordt afscheid genomen, of juist niet, maar er wordt wel weggegaan, verlaten.
Ik vind het vooral een mooi gedicht, mooi van sfeer, muziek en inhoud, dat ik zonder mijn eigen leesverslag anders zou hebben gelezen, maar niet minder graag. Het gedicht stelt daarnaast iets interessants aan de orde: begrip is niet altijd noodzakelijk, bij het lezen van poëzie, hoewel een poëzielezer altijd zoekt naar iets dat hij kan begrijpen.
Dit gedicht zal zich onttrekken aan de dorre klauw van literatuurwetenschappers en recensenten, omdat het in zichzelf iets is, omdat het een poëtische kern heeft. En daar kan een literatuurwetenschapper of een recensent niets mee.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Om met je laatste alinea te beginnen: ik ken haast geen groter cliché dan dat literatuurwetenschappers en recensenten, critici kortom, dor zijn. Dus: Van Deyssel, Vestdijk, Rodenko, Cornets de Groot, Komrij, Vaessens, dat zijn allemaal dorre mensen. Er zijn een hoop mensen die hun liefde voor poëzie juist aan dit soort mensen te danken hebben. Zullen we daar dus een keer mee ophouden en begínnen met de hand in eigen boezem te steken als we ook zelf kritische stukken schrijven?
Als ik over honden en herten lees, moet ik denken aan de Aktaion-legende (te vinden in de Metamorfosen van Ovidius) en dan vooral aan de roman 'Aktaion onder de sterren' die Vestdijk erop baseerde. Daarin maakt de centaur Cheiron, half mens half paard dus, aan het eind van de roman van zijn pupil Aktaion een beeldhouwwerk van marmer, dat de hemel in zweeft en 'onder de sterren' wordt opgenomen, een apotheose dus. Aktaion is even daarvoor nl. ongelukkig aan zijn einde gekomen. Op jacht met zijn honden stuitte hij op Artemis, badend met haar nimfen. De kuise godin ontsteekt daarop in toorn en verandert de voyeur in een hert, waarna Aktaion door zijn eigen honden wordt verscheurd en opgevreten.
Als je deze mythe erbij sleept kom je als 'poëzielezer [die] altijd zoekt naar iets dat hij kan begrijpen' zoals je zegt - als iemand dus die graag critici leest - een heel eind met dit gedicht. Een mens bestaat niet uit één stuk, maar uit een intelligent en een dierlijk deel: half paard half mens, of half hert en half mens. Het dierlijke deel sterft, het beste deel overleeft en vergoddelijkt. ('Een paard loopt om zijn begeerten heen, en wordt een mens. Een mens loopt om zijn liefde heen en wordt een god, en zijn verkeerde helft is een hert geworden', schrijft Vestdijk).
Alleen: wat blijft er over van dit verhaal in het gedicht? Niet veel. 'Sommigen zullen denken dat wij in de zuilen van de bomen/ verblijven, wie zoiets denkt heeft te veel verhaaltjes gelezen' staat er. Er treedt in dit gedicht dus géén apotheose op: 'Wij geven ons niet terug, kom nou.' Maar wel: 'wij komen terug zonder ons'. De 'donkergroene dag' waar men zich aan ophangt is dezelfde als de 'hemelende cipres': symbool van eeuwig leven om zijn permanent groene tooi. Er wordt dus wel gestorven, maar daarmee wordt nog geen afscheid genomen van de lust zoals in de legende en bij Vestdijk: als er iets wordt veredeld, dan is het juist die lust: zonder te 'weten' (en dus ook zonder 'zonde' en zonder 'spijt') 'wat het lust om te leven'.
Mooi gedicht.
Geplaatst door: RHCdG | 12-8-10 om 12:04
Vaessens is dor, de rest van de mensen uit de opsomming niet. Dat zijn dan ook schrijvers. Vaessens is politicus.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 13-8-10 om 1:22
Ik denk die smokkel ik erin, maar je bent weer zo alert.
Geplaatst door: RHCdG | 13-8-10 om 10:31