Vandaag in deze rubriek een gedicht uit de bloemlezing De wierde van Wierum, samengesteld door Jane Leusink en Remco Ekkers; aangezien het boek strikt genomen alleen maar bestaat uit eerste gedichten, heb ik gekozen voor de bijdrage van Maria van Daalen:
Knekel
‘Mené Mené Tekèl’
spreek met een mond vol aarde van het leven
ik voel de zon en ja, ik blijf nog even
mijn ogen tranen maar ook dat is water
woorden bewogen door de wind – dat staat er
in elke beendercel volop geschreven –
vormen de liefste zin aan mij gegeven
zolang mijn schedelmond nog praat – ik schater
mij schuimend, bottend, brandend, stormend naar de
vier elementen die zich zingend mengen
met mij, de lichtste, aether, als hun hemel
die schedeldak mag vullen met gewemel
van wormen, rijmend kronkelend in strengen
ten slotte is mijn vruchtbaarheid mijn waarde
In dit gedicht bewijst ze dat. Het is een 'klassiek' vers, dat niettemin nergens de serieuze galm krijgt die veel rijmende poëzie met de wens om klassiek over te komen kenmerkt. Het heeft een dwingend ritme, dat misschien alleen in de eerste regel van het sextet even te nadrukkelijk wordt – al kun je zeggen dat die ritmeverheviging daar door de inhoud wordt gedicteerd.
In het gedicht verschuift de aandacht al in de eerste strofe van 'hoofd' naar 'mond' naar 'gevoel' – maar in het sextet wordt dat weer hersteld, worden verstand, gevoel en het spreken weer één, 'vier elementen die zich zingend mengen / met mij'. Het 'ik' gaat op in een groter geheel, waaraan het uiteindelijk – 'mijn waarde' – iets bijdraagt. Het lijk rot, maar vormt bouwstof voor de aarde.
In het gedicht lijkt iemand 'dood' te zijn ('hoofd dat mijn beenderas bevat voor later'), iemand die ('later') ligt te wachten op de jongste dag, of iets dergelijks. Regel twee blaast onmiddellijk nieuw leven in deze persoon. De zon verschaft nieuw leven, en het leven manifesteert zich als water. Het vuur slaat water uit de (veraste) beenderen.
Maar! Zoals het vlees woord wordt, zo kan de wind – de geest – het woord bewegen. Bovendien bevat 'elke beendercel' alle informatie over iemands bestaan, 'zolang mijn schedelmond nog praat'. Hier spreekt iemand zich uit, hier schatert iemand het uit. Al schaterend vermengt de persoon zich met 'de vier elementen' – wordt weer as. Maar die elementen mengen zich ook 'met mij, het lichtste, aether, als hun hemel // die schedeldak mag vullen met gewemel'.
Leven en sterven zijn hier een continu, ononderbroken proces, waarin het woord, het zeggen, de sleutelrol speelt. Dat het 'gewemel' er een is van 'wormen rijmend kronkelend in strengen' benadrukt de aardsheid, of de overal in doorwerkende samenwerking van dood en leven, nog méér.
'ten slotte is mijn vruchtbaarheid mijn waarde' – het lichaam dat vergaat, voedt de aarde; het lichaam dat zich voedt met wat van de aarde komt, voegt iets toe aan 'de vier elementen', spreekt zich uit; er komen woorden uit het lichaam, dat ooit de aarde zal voeden.
Mene Tekel wordt vaak gebruikt in de betekenis van 'een teken aan de wand' en 'gewogen en te licht bevonden', meen ik. Hier is een lichaam gewogen en opgegaan in een groter geheel, na eerst het gedicht te hebben gemaakt: 'Woorden bewogen door de wind' – het is vast een citaat, maar ik mag dat helaas niet opzoeken.
Was ik een recensent, dan zou ik zeggen dat Van Daalen een 'intrigerend en verontrustend spel van literatuur en leven speelt'. Nu zeg ik: 'zelden een levendere knekel gelezen.'
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties