Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Avondeditie | Hoofdmenu | Louis Nanet leest (en belt): Maarten Inghels »

14 juni 2010

Het eerste gedicht (18): Erik Lindner

Vdi9789023454540  De poëzie van Erik Lindner begreep ik niet. Dat gaf mij, toen ik jonger was, een lelijke bespreking in de pen. Gelukkig worden lelijke recensies altijd onthouden in het voordeel van de dichter, dus in wezen sleep ik dat stuk al jaren, als een loden, aan een rammelende ketting vastgemaakte recensiebal achter me aan.

Het lot van de poëziebeschouwer is niet benijdenswaardig.  

Nu begrijp ik het werk van Lindner nog niet altijd, maar ik ben er inmiddels achtergekomen dat zijn werk niet zozeer begrepen hoeft te worden. Je moet het gewoon lezen. Ondergaan, zou ik bijna zeggen. Toen ik dat eenmaal besefte, had ik de sleutel tot, nee, niet tot begrip, maar wel tot een meer dan aangename lectuur gevonden.

Kan iemand dan de ketting waarmee die recensiebal vastzit eens los zagen?

Het eerste gedicht uit Lindners nieuwe bundel Terrein is titelloos en gaat zo:

Bomen buigen weg van de kust
voor het huis schuift een steiger

de rechte gevel en rechte steiger
zijn bomen die naar je wuiven

het huis vanuit een rijdende tram
helt in de wind die van zee komt

je buigt je hoofd onder de steiger
kijkt naar buiten als je thuis bent.

In acht regels probeert de dichter, gebruik makend van associaties en verschuivingen, om een anekdote binnenste buiten te keren. Er "gebeurt" bijna niets, er wordt alleen gezien, gekeken. Wát wordt gezien, verandert voortdurend van karakter, althans: nu eens buigen de bomen, dan weer helt het huis.

Ik lees het gedicht in eerste instantie zo: iemand is onderweg naar huis (met de tram) en die tram volgt een bochtig parcours. Daardoor zie je de bomen nu eens als weggebogen, dan weer het huis. Pas als de hoofdrolspeler in dit gedicht binnen is, wordt de werkelijkheid weer "gewoon", dat wil zeggen: on-veranderend, van binnen naar buiten, waargenomen.

Het gedicht is niet veel, en het maakt geen gebruik van spectaculaire effecten, het is niet retorisch en het ronkt, huilt of zingt ook al niet. Je kunt moeilijk zeggen dat hier iets "ontregelends" aan de gang is, en "verontrustend" lijkt mij zeker niet het goede woord, wil je dit gedicht typeren.

Toch is er, net als in sommige Europese films, iets aan de hand. De zinnen roepen, in mijn hoofd, de sfeer op van een film noir. Iemand is onderweg naar huis. Daar gaat een psychische strijd worden gevoerd. Misschien valt er nog wel een dode en komt Alain Delon de zaak oplossen. Maar voor hetzelfde geld zitten we in een Maigret; dan valt er ook een dode, maar komt de nadruk meer te liggen op de sfeer.

En aan het eind zit er, hoe dan ook, iemand naar buiten te kijken, iemand die kort daarvoor onder het juk van de werkelijkheid is doorgegaan.

Reacties

ella

ik ben acuut een absolute fan geworden van bovenstaande dichter

Willem Thies

Mooie bespreking! Ook los van het gedicht. En een prachtige slotzin.

De bomen kunnen ook letterlijk buigen / gebogen zijn, bijvoorbeeld door een vrijwel constante aflandige of aanlandige wind.

Uit regel zes blijkt dat er sprake is van een aanlandige wind. Dan buigen de bomen dus vanaf de zee(kust) landinwaarts, als je de bomen tenminste - enigszins surrealistisch - enorm zou uitvergroten; dan zou je kunnen zeggen dat de bomen wegbuigen van de zee/kust, richting 'het land'.

Maar inderdaad, veel is een kwestie van perspectief bij Lindner, van hoe en vanaf waar en welke zijde je het waarneemt; en van wat er 'op hetzelfde moment' elders gebeurt, dat hiermee 'parallel kan worden geschakeld'.

Immers: ook als de bomen precies de andere kant op zouden buigen, bij een constante aflandige wind, en je zou de bomen ook uitvergroten tot groteske proporties, kun je zeggen: de bomen buigen weg van de kust (maar dan van het land, over het water hangend). Of zoiets. (Kort gezegd: de bomen kunnen eigenlijk niet wegbuigen VAN DE KUST - dat zou betekenen dat de kust slechts zo breed is als een lijn of streep, terwijl 'de kust' een strook is, een rand, aanmerkelijk breder dan een boom inclusief reikwijdte van de takken. Dat bomen wegbuigen van de kust is dus wat 'grotesk' gezegd, maar stel de boom zou pal aan zee staan en heel hoog zijn en wijde takken hebben en er zou sprake zijn van een aanlandige wind, zoals hier het geval is, en die is door het hele jaar heen aanlandig, dan buigen de bomen in ieder geval weg van het water/de zee... ik denk dat dat - mede - bedoeld wordt, maar het staat er net even anders... net even 'scheef' als het ware, wat het een tikje wonderlijk maakt...

Overigens is dit het tweede gedicht uit de bundel, maar het eerste gedicht van de eerste echte afdeling.

M.H.Benders


Bedachtzaam, voorzichtig, correct, alles zit op de juiste plek, constant jonglerend met simpele tegenstellingen net als kouwenaar - een simpel stilleventje, dat bedrieglijkheid wil suggereren door in de laatste regel te stellen dat er op dat moment pas gekeken wordt. Die bedrieglijkheid is echter puur suggestief en niet conceptueel. Het is daarmee vooral een politieke truuk.

M.H.Benders

"Kan iemand dan de ketting waarmee die recensiebal vastzit eens los zagen?"

Ik zou bij dit gedicht twee vragen en een observatie kunnen plaatsen.

Mijn primaire vraag bij dit gedicht zou zijn: het is gebaseerd op waarneming. Mijn vraag: welke waarneming is een intelligente waarneming en waarom is die waarneming precies intelligent?

Mijn observatie: het gedicht maakt gebruik van de retorieke truuk waarin de schrijver in het laatste deel bemerkt dat hij maar droomde. Oh, het was maar een droom.
Ik nam niks echt waar tot nu toe. Ik werd wakker.

Secondaire vraag: waarom is die retorieke truuk in dit geval te verantwoorden?

Daar antwoord op geven zou het begin van een recensie kunnen zijn. Wat er nu staat is slechts vaag gewauwel.

Chrétien Breukers

Gelukkig is er altijd iemand die alles beter weet. Waarvoor dank.

bernd ebbo visser

wanneer je onder een wankele steigerbalk het openstaande raam uitkijkend in de weerspiegeling van de zoveelste tram de dotjes bomen die langs de krakkemikkige weg staan versmelten ziet met de monumentale gevel van je veel te dure hotelkamer te Scheveningen en met die verrekte steiger voor je binnengevallen deur terwijl je die klotezee ruikt maar niet in het zicht hebt als je je net te blubber aan het vervelen bent dan ligt er soms wel een voor zichzelf sprekend gedicht op de loer blijkbaar

woordzoeker

Ik vind het weer ongelofelijk slecht en nee, ik zal daar geen uitleg bij geven. Ik vloek al lelijk genoeg binnensmonds. Uiteraard heb ik het bij....

Bertus Pieters

Het gedicht heeft m.i. geen conclusie. Het gaat puur over waarnemen en is zelf een waarneming. Het gaat over het onvermogen waarneming en interpretatie van elkaar te scheiden zonder daar een waardeoordeel over te geven. Het gaat naar mijn idee over het geven van karakter aan zaken die dat alleen kunnen krijgen door waarneming van de ‘je’. Iedere waarneming is meteen een interpretatie van die waarneming. Waarneming en interpretatie zijn gelijk. Nu ja, dat zou dan toch een soort conclusie kunnen zijn.

Maar er is meer: het heeft de sfeer van ernst en het vluchtige van de wind, die langs de kust extra hard waait. En dat wordt m.i. puur opgeroepen door de klank van de woorden en niet alleen door hun betekenis. Maar ook daarbij is bij mij de waarneming meteen mijn interpretatie.

De o-klank waarmee het gedicht onmiddellijk inzet geeft het meteen een ernstige toonzetting. Waar de klank weer terugkeert in ‘bomen’ en ‘hoofd’ wordt de ernst daardoor benadrukt. Door de associatie met de bomen waarmee de eerste regel begint blijft ook de ui-klank van ‘buigen’ de ernst benadrukken in het hele gedicht. Dat gebeurt ook door de nadrukkelijke, vette alliteratie ´Bomen buigen´.

Tevens vormen de ‘ui’-woorden een ketting door het gehele gedicht: ‘huis’, ‘schuift’, ‘wuiven’, ‘vanuit’, ‘buigt’, ‘buiten’ en tenslotte ‘thuis’. Deze woorden lijken het verhaal te vertellen. Ook vormen zij een brug tussen de statische, ernstige maar spaarzame o-klanken en de evenzo spaarzame maar oplichtende ei/ij-klanken van ‘steigers’, ‘rijdende’ en ‘kijkt’.

woordzoeker

Dus Bertus,

Het feit dat de o-klank der bomen weerklinkt geeft het gedicht meteen een ernstige toonzetting. Een beetje zoals een onheilspellend whoooohhh roepend spook?
Het spook keert terug en het blijkt een hoofd te hebben, wat die ernst benadrukt. Dus wat hebben we: bomen=ernst, terugkeer van bomen + hoofd = dubbele ernst. Bomen (=ernst)+ ui klank van buigen= driedubbele ernst. Ui van huis, schuift, wuiven, vanuit, buigt, buiten en thuis = tiendubbele ernst. Maar er is hoop want oplichtende ei/ij klanken verlenen licht aan het einde van de tunnel. Ik zou zeggen, ga bundels recenseren!

Ria Veerman

Het gedicht is heel simpel, maar toch zit er heel veel in.
Ook is het heel gemakkelijk om te lezen en gaat het inderdaad heel duidelijk over WAARNEMEN, wat heel belangrijk is om in het NU te leven!

Laat een reactie achter

Reacties worden gemodereerd en zullen niet verschijnen op deze weblog voordat de auteur ze heeft goedgekeurd.

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...