Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Meester over eigen content | Hoofdmenu | Gedichtendag, Opel Kadett, Enquist ea »

01 februari 2010

Nel Benschop: nagenoeg vergeten

"Zondag precies vijf jaar geleden overleed Nel Benschop (1915-2005). Ooit de best verkopende dichteres van Nederland, maar inmiddels is ze bijna vergeten." Het ND luidt de noodklok >>

Reacties

Gert de Jager

@ Rutger. Wat geeft het dan te denken? Dat er circuits van poëzieconsumptie bestaan waar de officiële literatuurgeschiedschrijving geen boodschap aan heeft, lijkt me iets van alle tijden. De letters, punten en komma’s die tot de literatuur gerekend worden, zijn nu juist de letters, punten en komma’s waarmee je als auteur symbolisch kapitaal kunt verwerven. Eerder een tautologisch dan een discutabel uitgangspunt wat mij betreft.

En als daarmee hele tradities buiten het blikveld verdwijnen – waarom neemt niemand van die honderdduizenden lezers de moeite om zelf een symbolische kapitaalmarkt te inaugureren? Waar blijft de vrijgemaakt gereformeerde Komrij of Rodenko die eens even goed duidelijk maakt wat Benschops kwaliteiten zijn en dat zij voorgangers heeft die ook de moeite waard zijn? Als niemand in die kring zich voor zoiets interesseert – waarom zouden wij dat dan wel doen?

Overigens: Huub Oosterhuis heeft zich wel degelijk aan de periferie van de literaire wereld bewogen en volgens mij ook minder perifere aspiraties gehad. Als ik een regel van hem lees weet ik altijd meteen weer hoe het zit. En waarom.

RHCdG

Het artikel van Gaston Franssen is stimulerend en interessant, maar mijn indruk is dat hij problemen zoekt waar die niet zijn. Net als in zijn boek over de lezers van Kouwenaar gaat hij zowel voorbij aan de auteursintentie als aan het spel van betekenaars, om het zo maar even te noemen, in Benschops poëzie. Een woord lijkt bij hem pas wat te betekenen als hij het als symbool kan duiden; het bezit voor hem nauwelijks zélf klank, vorm of context; in ieder geval hoor je hem daar zelden over. Een veelzeggend zinnetje uit zijn stuk:

"...een eindeloze keten van elkaar vervangende metaforen frustreert elke sluitende interpretatie van deze gedichten en ontneemt de lezer het zicht op de (definitieve) betekenis ervan".

'Sluitende interpretatie'? 'Definitieve betekenis'? Is deze poëzie-essayistiek wel door het postmodernisme heengegaan, zoals dat heet, of wordt hier op modernistische wijze aan een stabiel wereldbeeld getimmerd?

Mij verwarren die 'vervangbare metaforen' in Benschops werk allerminst - waarom zouden ze ook, als de eenvoudige zielen voor wie ze haar gedichten schreef er ook geen problemen mee hebben? Moet ik moeilijk doen om me boven hen te kunnen verheffen? Is dat Franssens heimelijke agenda wellicht? Je zou het haast denken.

Met Spinoza zijn de meeste 'problemen' in Benschops werk al heel makkelijk op te lossen: God is immanent en alomtegenwoordig, en dus behoren licht èn donker hem toe. Daar komt helemaal geen mystiek bij te pas, of het moet die van Anselmus Silesius zijn, die zichzelf even groot acht als God en God even klein als zichzelf, enz.

De verwijzing naar Lucebert ten slotte vind ik in dit bestek echt te veel van het goede. Die had juist bezwaar tegen het eenduidig dualisme waar Franssen in Benschop naar op zoek is, en waarvan bij haar ook wel degelijk sprake is - alleen maar niet wanneer je, omdat een traditie dat voorschrijft of omdat het zo voor de hand ligt, voor eens en voor altijd hebt vastgesteld dat God onder alle omstandigheden geïdentificeerd moet worden met licht; dan is elke zonsondergang inderdaad een apocalyps ipv een mooi plaatje op een kaft.

RHCdG

Inderdaad tautologisch, Gert - en dús discutabel. En voor de rest: er is uiteraard geen reden voor Benschop cs om zich druk te maken over symbolisch kapitaal, zolang dat àndere kapitaal hen overvloedig toevloeit - they are crying all the way to the bank, zoals het mooie spreekwoord zegt. Maar wat is een literatuurgeschiedschrijving waard die door Benschop en haar 3 miljoen exx. te veronachtzamen zichzelf van het nodige symbolische kapitaal voorziet?

eddy warmerdam

ik begrijp dat artikel van gaston anders rutger
hij analyseert haar gedichten voorbij haar intentie
zoals ze ontstaan in haar poëtisch universum met de daaraan inhererende eigenwettelijkheid
hij gaat daarin verder dan haar beter te begrijpen dan zij zichzelf begreep - de oude school hermeneutiek zeg maar - en is in zoverre wel door het postmoderne bewustzijn gegaan
- goh wat klinkt dit allemaal gewichtig, maar je begrijpt wat ik bedoel -
hij behandelt haar poezie als boven haarzelf uitgrijpend
mij deed het er juist aan denken dat haar intensievere lezers ongetwijfeld diezelfde paradoxen doorstaan in hun poetisch-religieuze beleving als in haar werk besloten ligt
wat die cultuur veel minder naief maakt als dat ze op het eerste gezicht misschien lijkt

anderzijds, misschien dat een analyse van smartlapliederen eenzelfde soort paradoxen kan blootleggen en zijn haar gedichten uiteindelijk van een gelijkwaardige banaliteit

Samuel Vriezen

Mijn indruk is dat Franssens programma was om juist zulke dualismen e.d. voorbij te gaan, maar hij doet dat door eerst een leespraktijk te veronderstellen die op zoek is naar "sluitende interpretatie" - om die leespraktijk vervolgens voorbij te kunnen gaan. Dat kan wel een beetje wat weg krijgen van een oefening. Wat mij indertijd een beetje dwars zat toen ik de presentatie van dit artikel hoorde was dat ik eigenlijk geen moment ging geloven dat Franssen echt wakker ligt van de poezie van Benschop. Alsof Fransen wel Benschops' "theorie" op scherp durfde te zetten, maar niet zijn eigen - nee, niet theorie, maar wel strategie om met zulke theorie om te gaan. Wel werd de oefening heel vaardig en in zekere zin zelfs op aanstekelijke wijze voltrokken. Waarmee meteen ook aan is getoond dat Benschop zeker 1 maal grondig literatuurwetenschappelijk is gelezen.

Overigens is het nogal wat als je Spinoza (hij van de radicale verlichting) nodig hebt om problemen bij Benschop op te lossen - geen wonder dat die gelovige lezers die problemen gewoon maar niet zien!

Gert de Jager

"Crying to the bank" - geen krokodillentranen, vrees ik, maar heuse tranen van miskenning.

"Maar wat is een literatuurgeschiedschrijving waard die door Benschop en haar 3 miljoen exx. te veronachtzamen zichzelf van het nodige symbolische kapitaal voorziet?"

Net zo veel als het object van die geschiedschrijving, zou ik zeggen.

eddy warmerdam

overigens, en dat vond ik wel even tegenvallend in zijn artikel, probeert gaston haar gedichten toch wel weer tot haar bewuste auteursintentie terug te brengen door te verwijzen naar haar uitspraak over mystici die ze ooit in een interview gedaan had

anderzijds deed hij dit met de verrassende en zelfs bijna komische verdediging dat waar je over lucebert een tekstexterne uitspraak erbij mag halen ter duiding van zijn werk, dit ook met nel benschop legitiem is

maar het liefst zag ik die hele passage geschrapt in zijn artikel
ten behoeve van het postmoderne gehalte zeg maar;-)

Jaap van den Born

Gert, die vrijgemaakte die duidelijk maakt wat zij betekent (en anderen) bestaat. Hij heet Hans Werkman en schreef veel literaire verhandelingen (ook over Maarten 't Hart, van wie hij vreemd genoeg een diep bewonderaar is en over wie hij een boek schreef waarin hij hem prima analyseert. Hij schreef zelfs een roman (Het hondje van Sollie) dat verbluffend op de stijl van 't Hart leek en waarin de hoofdpersoon uiteraard in het geloof blijft), maar voor hem geldt hetzelfde verhaal: binnen gereformeerde kringen is hij bekend en daarbuiten dus niet of nauwelijks.

RHCdG

Franssen veronderstelt inderdaad eerst een leespraktijk, en probeert die vervolgens te corrigeren - zelfde recept als bij zijn Kouwenaarboek. Oneerbiedig gezegd: hij lult over gelul - niet over de tekst zelf. Het gekke - maar ook consequente - in zijn aanpak is dat hij zijn correctie vervolgens niet baseert op wat er staat, maar op wat het verondersteld wordt te betekenen - ditmaal niet op basis van een leespraktijk, maar op basis van het geijkte taalgebruik, die moeder aller leespraktijken om zo te zeggen. Alleen: hij laat zich van die vaste duisternissen geen lied zingen. Dus: als God = zon, en Satan = duisternis, dan moet een zonsondergang wel een overwinning van die laatste zijn, en kan die geen manifestatie zijn van Gods eindeloze, want spinozistische majesteit. Als je zo te werk gaat, wordt het wel heel eenvoudig om iemand als Benschop te piepelen, maar uiteindelijk bezorg je alleen jezelf en de literatuurwetenschap die door je artikel gediend wil worden problemen.

En in het verlengde hiervan, Eddy: waarom een gedicht of een oeuvre niet gelezen op het niveau van de auteursintentie? Dan voorkom je al die problemen, en daar ligt ook de kans voor die lit. wetenschap om zich met een auteur te *engageren* ipv, inderdaad, de indruk te wekken niet van zijn of haar werk wakker te liggen.

eddy warmerdam

heel eenvoudig rutger, omdat dat een gedicht of een oeuvre of een filosofie altijd veel meer is dan het niveau van de auteursintentie
als het enige interessante van iets de intentie zou zijn dan was de auteur de beste uitlegger van zijn werk
dat is nooit het geval
zelf God zag pas achteraf dat het goed was

eddy warmerdam

het zijn ook die boven een intentie uitgrijpende kwaliteiten die iets klassiek maken, interessant voor andere tijden dan waarin het gemaakt wordt
alsof het kunstwerk, het gedicht, de muziek enzovoorts, zich pas in al zijn betekenissen en dieptes ontvouwd door de tijden heen op een manier die door geen intentie kan zijn voorzien
gadamer, een leerling van heidegger heeft daar zijn eloquente levenswerk van gemaakt om dat uiteen te zetten
maar goed, dat is mijn referentie

RHCdG

Ja, die term 'auteursintentie' is problematisch, dat besef ik me, ik bedoel dat besef ik.

Wat ik eronder versta is de volgende, van J.P. Guépin afkomstige definitie: 'Met auteursintentie bedoel ik een coherentie die wij in onze interpretatie menen te ontwaren' ('Een voet die niet kan lopen', Leiden 1972).

Samuel en ik hadden het er hier n.a.v. Duinker een tijdje geleden nog over: http://www.decontrabas.com/de_contrabas/2009/06/een-overschot-duinker.html

Gert de Jager

@ Jaap. Hans Werkman ken ik wel degelijk - ik heb zelfs wel eens wat over hem geschreven. Maar als het waar zou zijn dat niemand buiten de gereformeerde wereld hem kent - waarom is dat erg? Niemand in de gereformeerde wereld kent Komrij en die wekt zelden de indruk daar wakker van te liggen.

De pointe van Franssens artikel ontgaat mij overigens. De negatieve connotatie van het duister blijft in alle voorbeelden die hij noemt bestaan en is een voorwaarde voor de intensiteit van de godservaring. Het lijkt me naadloos te passen binnen een calvinistische gedachtewereld. De zonsondergang waarin duister en licht elkaar versterken is een perfecte metafoor voor wat mevrouw Benschop ons over wil brengen. Je hoeft zelfs niet van art. 31 te zijn om dat na te kunnen voelen.

eddy warmerdam

ik moet ook zeggen rutger, voorzover ik je ken en wat ik van je gelezen heb: heel slim in algemeenheden en corresponderende bijzonderheden, maar steeds op zoek naar iets anoniems dat ontborgen moet worden - dat ik eigenlijk niet begrijp dat jij het alsmaar op die particuliere auteursintentie blijft gooien
ik kan dat gewoon onderling niet rijmen
niet duiden
en kijk daar heb je een hermeneutisch probleem waar jij niet het laatste woord in hebt, omdat het jouw intentie te boven gaat
je ontglipt jezelf
alles wat jij er zelf over zegt is niet het laatste woord
en niet - begrijp me goed - omdat een psycholoog dat het best kan duiden, maar omdat het interpretatieprobleem is waar je eerder als naar een tekst moet kijken waarbij de intentie er niet toe doet
maar mogelijk zit ik nu in de onzinfase van mijn laatste glas wijn voor vanavond ;-)

eddy warmerdam

nog even ter verduidelijking van wat ik bedoel
jij hebt het intellectuele temperament van een structuralist
niet van iemand die intenties zoekt, dat vind ik zo raar bij jou
maar ik zal je verwijzingen morgen bekijken
mogelijk begrijp ik iets verkeerd
voor de nacht groet ik u

RHCdG

Je moet maar rekenen, Eddy, we zitten "hier" op dit uur allemaal aan de drank. De laatste die omvalt doet het licht uit (het *licht*). (Ik ga vast; tot morgen wellicht).

Gert de Jager

En overigens vind ik de auteursintentie wel degelijk interessant en het begin van alle hermeneutiek - wat mijnheer Gadamer ook beweerd mag hebben. Dat wat een boek klassiek maakt boven de auteursintentie uitgaat, is een andere kwestie. Dat een auteur niet alles wat er in zijn tekst gebeurt, overziet ook. Dat het nooit het geval is dat een auteur de beste uitlegger van zijn werk is, waag ik te betwijfelen. Hij heeft er vaak meer over te melden dan menigeen.

Kanvas Tetrapool

Ik heb jaren geleden een tijd in een boekhandel gewerkt, en Nel Benschop verkocht inderdaad heel aardig. Het werd vooral verkocht aan oudere dames uit vermoedelijk christelijke huize.

Veel marketing kreeg ze niet, maar ik heb volgens mij wel eens advertenties gezien waarin haar werk werd aangeprezen.
Maar meestal ging het via word to mouth, inderdaad.

eddy warmerdam

die discussie waarnaar je verwijst rutger is boeiend om te lezen en je uitleg van 'auteursintentie' is een andere dan ik verwachtte - en ook een andere dan gert de jager, denk ik, eronder verstaat
eigenlijk is het een wat misleidende term, want je bedoelt niet de (bewuste) intentie van de auteur om zijn werk zus of zo te laten betekenen, maar de lezers of interpretenintentie die je 'projecteert' op de auteur

voor jou is auteursintentie een logisch en niet een biografisch concept, waartegenover het minder zinvol wordt een begrip als tekstintentie te stellen

eigenlijk vind ik het een erg verwarrend begrip en je komt er verder mee dan ik dacht, maar tegelijk sluit je de mogelijkheden uit om een werk zinvol te interpreteren in termen die onmogelijk nog tot een geprojecteerde auteursintentie terug te brengen zijn


eddy warmerdam

om het verwijzen makkelijker te maken, hierbij je uitleg aldaar:

"Even alleen over die auteursintentie: die berust natuurlijk niet op gegevens die de auteur buiten zijn werk om verstrekt. Ten eerste niet om deze reden: stel dat hij dat gesprek had opgenomen en als gedicht had uitgeschreven, dan had je een nieuwe afspraak met hem moeten maken om te vragen wat nu zijn auteursintentie was. Ten tweede niet, omdat wat een dichter over zijn eigen werk zegt misleidend kan zijn. Ten derde, omdat aan de uitspraken van dichters over hun werk geen beslissend gezag kan worden toegekend. Men kan zoveel beweren.

Nee, voor het begrip auteursintentie hanteer ik liever de volgende, van J.P. Guépin afkomstige definitie: 'Met auteursintentie bedoel ik een coherentie die wij in onze interpretatie menen te ontwaren' ('Een voet die niet kan lopen', Leiden 1972).

Je zult misschien zeggen: maar dan kan de grofste hineininterpretierung als auteursintentie passeren. En dat is zo. Maar je hebt dan in ieder geval een visie, en dat maakt een bespreking vanzelf al vruchtbaarder dan een losse indruk van 'virtuositeit'."

(aldus RHCdG - ergens in juni vorig jaar)

annemieke steenbergen-spijkerman

wat een geplug van kunde je zou ze een schop van nel onder hun nel die ze leven aankaartend uitspelen geven

Jaap van den Born

Nou Gert, Komrij kennen ze vast wel in gereformeerde kringen en ze hebben hun vijanden niet echt lief. Maar je hebt gelijk; het is ook niet erg

wijnand steemers

Een tekst bij Pessoa (in mijn woorden) luidt ongeveer: genialiteit houdt een zo groot mogelijk bereik aan (lezers)publiek (universaliteit) in met behoud van het persoonlijke (individualiteit).
Hieraan voldoet Benschop een beetje.
Met dat universele zit ze qua stof aardig in de goede richting; aan haar uitgesproken individualiteit twijfel ik, dan zouden haar gedichten complexer zijn geweest, en zij een geestverwante van Achterberg of De Mérode. Ze werd niet over de volle breedte door het Nederlandse lezerspubliek gewaardeerd, maar was wel een fluisterend boegbeeld van het troostzoekende, door de angst voor de dood lyrisch omgewoelde, weifelende godsvolk als dat in de storm uitvaart. Als mensen zochten naar een passende tekst bij geloof en lijden bediende Benschop hen ruimhartig (zeg ik uit mijn ervaringen als antiquaar).
Toch een toefje genialiteit in de Nederlandse letteren, vooral in de tijd dat het cliché in de kunst een verboden goedje was?

eddy warmerdam

die auteursintentie als hermeneutisch principe lijkt me een typisch romantisch concept dat ook alleen maar op romantische (individualistische) kunstwerken van toepassing kan zijn
ik denk zelfs dat het alleen op eigentijdse 'vervreemdingen' c.q. kunst vruchtbaar toegepast kan worden omdat je enorm veel vooronderstellingen moet delen met de auteur
in alle overige gevallen lijkt me het duiden volgens een veronderstelde auteursintentie een hachelijke zaak

op bijvoorbeeld afrikaanse, pre-columbiaanse of zelfs op onze middeleeuwse kunst kun je het onmogelijk toepassen
dan zul je van andere duidingsprincipes moeten uitgaan
dat zijn toch duidelijke grenzen die aan dat concept kleven

Gert de Jager

Ik ben het niet met je eens. Neem de poëzie van Hadewych. Als ik die lees, wil ik allereerst weten wat ze zelf denkt dat ze in haar poëzie aan het doen is. De literatuurgeschiedenis en studies over middeleeuwse mystiek zijn hulpmiddelen om wat dat betreft wijzer te worden.

Dat ik vervolgens niet geloof in (haar vorm van) mystiek en die op een andere manier interpreteer is een tweede stap. Dat ik die poëzie eventueel waardeer volgens principes die met die van Hadewych weinig te maken hebben, is weer een volgende stap. Het is heel goed mogelijk dat ik bij iets anders uitkom dan wat ik vermoed de auteursintentie te zijn. Ik schrijf niet voor niets dat nadenken over de auteursintentie het begin vormt van een interpretatief proces.

Jaap van den Born

Ik ken een kunstenaar die een muur bouwde op een plein en daar een buitengewoon ingewikkeld verhaal, doorspekt met filosofische citaten over wist te vertellen, maar de wandelaar ziet alleen maar een muur.
Daar kan hij natuurlijk eindeloos over nadenken, want wat zit er allemaal niet voor een symboliek in een muur?
Maar blijft het niet voornamelijk een muur van onbegrip die tussen mij en de kunstenaar staat?

Gert de Jager

Het lijkt me niet in strijd met wat ik beweer. Je wijst de muur niet af vanwege zijn murigheid, maar vanwege het buitengewoon ingewikkelde verhaal, doorspekt met filosofische citaten. Des kunstenaars intenties dus.

RHCdG

Eddy,
Ik had eerder vandaag geen gelegenheid om hierop door te gaan. Ik wil nog wel wat zeggen over die auteursintentie, maar zeg er van tevoren bij dat ik niet erg in de hermeneutiek ben ingevoerd, en over het hele onderwerp ook niet erg systematisch heb nagedacht. Maar er spelen een paar noties een rol, en die kan ik, min of meer willekeurig dus, wel geven.

Eén zo'n overweging is dat auteursnamen metoniemen zijn voor vormen- en ideeënwerelden. Als ik 'Duinker' zeg, zeg ik geen 'Oosterhoff' of 'Benschop'. Zou je die namen aan een paar willekeurige, onbekende dichtregels koppelen, dan komt je begrip en interpretatie van die regels er telkens volkomen anders uit te zien. Mijn indruk is, dat Franssen daar onvoldoende rekening mee houdt. Hij ziet niet dat een dichter de taal naar zijn hand zet, en gaat voor mijn gevoel te veel uit van het geijkte woord (net als destijds de close reading).

Maar hoe zit het dan met gedichten van schrijvers die je niet of slecht kent? Hoe moet je die lezen? Heel simpel: maak er eerst je eigen gedicht van. Juist gedichten staan een eclectische lezing toe; sterker nog, aan die poly-interpretabiliteit danken ze niet in de laatste plaats hun charme. De auteursintentie is dan ook niet iets wat je expliciet in een dichtersoeuvre aantreft, ook al doet Duinker met sommige uitspraken vermoeden van wel. Maar juist in die gevallen is hij op zijn verraderlijkst, en spreekt hij zichzelf ook zo graag tegen: dat maakt allemaal deel uit van een soort camouflage- en mimicrytaktiek, die nodig is om te kunnen ontsnappen aan de eenduidigheid waarop Franssen Benschop hoopte te betrappen.

Het wordt natuurlijk anders, wanneer je een gedicht in samenhang gaat lezen, of die daar nu voor is ontworpen (cyclus, bundel) of niet (oeuvre). Als lezer heb je daarmee een kritisch apparaat in handen, en als je daarvan afziet, bv. omdat je je niets wilt aanmatigen of 'objectief' wilt zijn, dan begeef je je al snel in een doolhof waar je urenlang met gedichten bezig kan zijn zonder dat dat nodig is. Het begint altijd met wat een lezer er voor zichzelf uit kan halen, met een subjectieve benadering dus, en de kunst is wat mij betreft om die subjectiviteit tot het eind toe vol te houden: juist in poëzie, omdat die door haar klank en andere muzische (niet-significatieve) eigenschappen zich voor de grootst mogelijke subjectiviteit openstelt. Anders gezegd: je kunt van een gedicht houden zonder er iets van te begrijpen.

Pfeijffer zegt zelfs dat begrip van een gedicht je liefde ervoor kan vermoorden. Ik zeg hem dat niet na, omdat die gevonden betekenis het gedicht voor mij nog niet hoeft te ijken of vast te leggen. Het vermeerdert er alleen de mogelijkheden maar van. Ik ben met die auteursintentie dan ook niet op een 'sluitende interpretatie' of 'definitieve betekenis' (Franssen) uit. Het gaat er mij om dat de raadsels waarvoor een gedicht mij stelt interessanter ('vergroot') worden wanneer ik ze met andere gedichten kan verbinden - niet met zoiets doods als de geijkte woordenschat, of de leespraktijken van anderen die de mijne niet zijn.

Ten slotte, en voor de zekerheid: al die subjectiviteit zorgt er niet voor dat ik mijn interpretatie op de auteur projecteer om zo tot een auteursintentie te komen, die een ander voor de grofste vorm van Hineininterpretierung kan aanzien. Ik probeer uit andere gedichten die ik van de auteur ken een context te creëren waarin het gedicht dat mijn aandacht heeft zo goed mogelijk kan functioneren. Die context noem ik de auteursintentie.

annemieke steenbergen-spijkerman

als je gewoon verklarend ipv hermeneutisch zegt klaart een stuk tekst een stuk op als je je nader verklaart om de inhoudelijke tekst eventueel in te klaren als je douanebeambte wilt spelen.

eddy warmerdam

mij lijkt dat een geaberreerde vorm van poeziebenadering gert
op mij komt het over als dat je hadewych ziet als een patient die je probeert te diagnosticeren
in termen die haar vreemd zijn in een mystiek die je niet serieus neemt en door boeken over haar te lezen om er achter te komen wat ze nou zelf denkt dat ze aan het doen is
als ze jou vanuit haar middeleeuwse context op geen enkele manier rechtstreeks kan raken om je verder in haar te verdiepen dan zou ik de patient maar laten sterven en museaal bijzetten in knuvelder; dan is haar poezie uitgewerkt

volgens mij begint alle poezie of kunstbeschouwing ermee dat je wordt geraakt
en dat je inderdaad, zoals rutger beschrijft, het primair hertaalt naar jezelf op basis van wat betekenisvol op je overkomt
dan zet je het proces in werking
het heuristische principe van auteursintentie is ongetwijfeld een onmiskenbaar moment in dat geheel, maar ik denk niet dat je daarmee ver komt met - ik noem maar wat - de beelden op paaseiland; dan zul je in je eigen archaische verwondering moeten duiken denk ik of waar het verder ook appel op doet
hoe dan ook, het lijkt mij dat je om te duiden zoveel mogelijk context creeërt zoals rutger zegt om iets met het gedicht te delen (horizonversmelting heet dat bij gadamer) en het zo te laten 'doorwerken' in het bestaan (dat jouw bestaan is)
dat zeg ik opzettelijk zo ontologisch omdat kunst nu eenmaal ook ontologisch is, je hebt er deel aan als je er kennis van neemt
de hermeneutische benadering die jij schetst miskent dat, creeert een onnodige afstand en plaatst een hadewych in een andere dimensie, alsof ze niet van deze wereld is
misschien is dat ook zo hoor, ik ken hadewych alleen van naam, maar dan ben je opgehouden haar als poezie te zien
dan sta je er als het ware boven
kunst waar je boven staat is geen kunst en heeft ook geen enkele invloed of doorwerking

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...